Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1758

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
201303435/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 11 april 2012, in zaak nr. 201109094/1, heeft de Afdeling de aangevallen uitspraak bevestigd. De uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303435/1/A2.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker], wonend te Beek,

om herziening (artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2012, in zaak nr. 201109094/1/A2.

Procesverloop

Bij uitspraak van 11 april 2012, in zaak nr. 201109094/1, heeft de Afdeling de aangevallen uitspraak bevestigd. De uitspraak is aangehecht.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 april 2013, heeft [verzoeker] de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

Het college van burgemeester en wethouders van Beek heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoeker heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 september 2013, waar [verzoeker] in persoon, bijgestaan door zijn echtgenote, is verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

2. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3. [verzoeker] betoogt dat de Afdeling door in haar uitspraak te overwegen dat het besluit van het college van 3 december 2009 de op schrift gestelde uitwerking is van een door het college in zijn vergadering van 1 december 2009 genomen beslissing neergelegd in de notulen, heeft miskend dat die notulen zich niet in het dossier bevonden. Na de uitspraak van de Afdeling heeft hij de notulen bij het college opgevraagd en is hem gebleken dat de betreffende notulen in de vergadering van het college van 8 december 2009 zijn vastgesteld, zodat volgens hem de beslissing van 1 december 2009 nimmer op grondslag van de notulen van 8 december 2009 in het besluit van 3 december 2009 konden zijn uitgewerkt en op schrift gesteld. Ter zitting heeft hij dienaangaande nog aangevoerd dat uit die notulen niet blijkt dat er op 3 december 2009 in een vergadering van het college een besluit op bezwaar is genomen.

Voorts voert [verzoeker] aan dat uit de notulen blijkt dat tijdens de vergadering anders is besloten dan in het besluit van 3 december 2009 is vermeld.

Deze feiten waren bij hem niet bekend en konden dat redelijkerwijs ook niet zijn. Volgens [verzoeker] zou de Afdeling, waren die notulen bekend geweest, tot een andere uitspraak zijn gekomen.

3.1. [verzoeker] stelt met juistheid dat het besluit op bezwaar niet op 3 december 2009 is genomen. In de uitspraak van de Afdeling waarvan hij om herziening heeft verzocht, wordt het schrijven van 3 december 2009 als besluit aangeduid waar bedoeld is dit stuk aan te merken als de brief waarbij het door het college in vergadering van 1 december 2009 genomen besluit is uitgewerkt en bekend gemaakt. Deze onzorgvuldigheid betreft evenwel geen omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb en kan derhalve niet tot herziening van de uitspraak leiden.

3.2. De door [verzoeker] bij zijn verzoek om herziening ingezonden notulen waren bij de Afdeling ten tijde van de uitspraak van 11 april 2012 niet bekend en konden toen bij [verzoeker], naar objectieve maatstaven gemeten, redelijkerwijs niet bekend zijn, gelet op de omstandigheid dat hij het college bij brief van 22 april 2011 om de stukken betrekking hebbend op het besluitvormingsproces had verzocht en hem de notulen toen niet zijn toegestuurd. De notulen zouden evenwel, waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, niet tot een andere uitspraak hebben kunnen leiden aangezien - anders dan [verzoeker] stelt - op grond van de notulen niet kan worden geoordeeld dat in de brief van het college van 3 december 2009 een besluit wordt weergegeven dat afwijkt van wat het college blijkens die notulen op 1 december 2009 heeft besloten. De Afdeling overweegt daartoe het volgende.

Weliswaar vermelden de notulen anders dan de brief van 3 december 2009 niet het bedrag van de aan [verzoeker] toegekende schadevergoeding, maar aangezien dat bedrag wel op de agenda voor de vergadering van 1 december 2009 is genoemd in de toelichting bij het agendapunt, waarvan door [verzoeker] een kopie in het geding was gebracht, is de Afdeling van oordeel dat de notulen op dit punt geen ander op 1 december 2009 genomen besluit vermelden dan in de brief van 3 december 2009 is vermeld.

Ook waar in de notulen als beslispunt is vermeld dat het taxatierapport van Pickée wordt hersteld kan, anders dan [verzoeker] heeft aangevoerd, niet worden staande gehouden dat de brief van 3 december 2009 materieel afwijkt van het besluit van 1 december 2009. De passage in de brief van 3 december 2009 waarin is neergelegd dat is besloten het taxatierapport behorend bij het besluit van 21 juni 2009 te vervangen door het aangepaste rapport, komt daarmee overeen. Niet valt voorts in de notulen te lezen dat, zoals [verzoeker] ter zitting heeft aangevoerd, een onafhankelijke taxateur zou worden verzocht een nieuwe taxatie te maken. Dat de Bezwaarschriftencommissie daartoe had geadviseerd maakt dat niet anders, nu het college tot de conclusie was gekomen dat het taxatierapport van Pickée door die taxateur zelf kon worden hersteld, omdat het in dat rapport geconstateerde gebrek uitsluitend een foutieve vermelding van de feitelijke afstand tussen de nieuwbouwwoningen en het perceel van [verzoeker] betrof en die afstand voor de hoogte van de planschade niet medebepalend was. Immers, voor de vergoeding van de planschade was niet de feitelijke situatie van belang maar hetgeen als gevolg van de verleende vrijstelling planologisch maximaal mogelijk was gemaakt, te weten bebouwing tot aan de grens van het perceel van [verzoeker].

Het betoog faalt.

4. Niet valt verder in te zien dat [verzoeker] bij de behandeling van zijn verzoek in zijn processuele belangen is geschaad. Nadat [verzoeker], desgevraagd, geen toestemming heeft gegeven om het onderzoek ter zitting achterwege te laten, heeft de Afdeling de zaak ter zitting behandeld door een meervoudige kamer waarvan het lid dat de uitspraak waarvan herziening is gevraagd geen deel uitmaakt. Zijn betoog dienaangaande faalt.

5. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

47.