Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1752

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
201302710/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2012 heeft het college [appellant] omgevingsvergunning verleend voor het kappen van drie bomen op het perceel [locatie] te Someren, onder de voorwaarde dat ten behoeve van een op een bij het besluit gevoegde situatietekening aangeduide boom een herplantverplichting geldt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302710/1/A1.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Someren,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 februari 2013 in zaak nr. 12/3587 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Someren.

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2012 heeft het college [appellant] omgevingsvergunning verleend voor het kappen van drie bomen op het perceel [locatie] te Someren, onder de voorwaarde dat ten behoeve van een op een bij het besluit gevoegde situatietekening aangeduide boom een herplantverplichting geldt.

Bij besluit van 26 september 2012 heeft het college, onder verbetering van de motivering van het besluit en het concretiseren van de voorwaarden verbonden aan de herplantplicht, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.

Bij uitspraak van 5 februari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door M.J.E. Driessen, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.A.M. Kuijken en M.S.J. Pronk, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen onder de voorwaarde dat ten behoeve van een bepaalde boom een herplantplicht geldt. Hij voert daartoe aan dat het college aan de motivering dat de boom een beeldbepalende waarde heeft een deskundigenrapport ten grondslag had moeten leggen, dat een herplantplicht de verkoop en nieuwbouw van een woning op het perceel bemoeilijkt en een inbreuk maakt op zijn eigendomsrecht en het college in andere gevallen geen herplantplicht aan een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen heeft verbonden.

2. Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Ingevolge artikel 4:11, eerste lid van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Someren 2010 (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 4:11c, eerste lid, kan tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften, het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant, behoren.

3. Het verbinden van een voorschrift aan de vergunning ingevolge artikel 4:11c, eerste lid, van de APV, is een discretionaire bevoegdheid van het college waarbij de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid het voorschrift dat en onder welke voorwaarden moet worden herplant aan de vergunning heeft kunnen verbinden.

Het college heeft aan het besluit van 26 september 2012 ten grondslag gelegd dat het perceel, gelet op de door de raad ter invulling van het toetsingskader voor het aanwenden van de bevoegdheid uit de APV om vergunning te verlenen voor het kappen van bomen bij besluit van 15 februari 2010 vastgestelde gemeentelijke bomenlijst, is gelegen in een beschermingswaardig gebied dat de groene karakteristieke uitstraling van de dorpskern bepaalt en daarmee van bijzondere waarde voor het dorpsschoon is. Voorts heeft het, zoals ter zitting nader toegelicht, op grond van het door een ter zake deskundig medewerker ter plaatse verrichte onderzoek, aan het besluit ten grondslag gelegd dat de boom beeldbepalende waarde heeft en behoort tot het leefgebied van een aantal diersoorten en daarmee natuurwaarde heeft. Van der Laar heeft dat oordeel niet bestreden met een rapport van een deskundige. De rechtbank heeft op grond daarvan met juistheid overwogen dat het college een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van het behoud van de groene karakteristieke uitstraling van het beschermwaardige gebied en het waarborgen van de kwaliteit voor de toekomst, dan aan de individuele belangen van [appellant] bij een ongestoord gebruik van zijn eigendomsrecht en het in redelijkheid het voorschrift dat een boom dient te worden herplant aan de vergunning heeft kunnen verbinden. De rechtbank heeft in het aangevoerde voorts terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] door het aan de vergunning verbonden voorschrift niet onevenredig wordt benadeeld omdat in het voorschrift ter zake geen termijn of een bepaalde locatie op het perceel is neergelegd, zodat aan [appellant] de vrijheid is gegeven de herplant van een boom met zijn bouwplannen op het perceel in overeenstemming te brengen, nadat hij die heeft geconcretiseerd. In het betoog van [appellant] dat het college in gelijke of vergelijkbare gevallen geen voorschrift aan een kapvergunning heeft verbonden, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor een ander oordeel, reeds nu hij dit niet heeft onderbouwd.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

357-771.