Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1751

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
201302530/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:1499, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2011 heeft de burgemeester een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten gedeeltelijk ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302530/1/A3.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 januari 2013 in zaak nr. 12/8835 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2011 heeft de burgemeester een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten gedeeltelijk ingewilligd.

Bij besluit van 1 augustus 2012 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2013, waar [appellant], en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. A.S. Imanse, werkzaam bij de gemeente Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder document verstaan: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het tweede lid vermeldt de verzoeker bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

2. De burgemeester heeft aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegd dat hij niet beschikt over documenten met betrekking tot de levensloop, de vorige en huidige dienstbetrekkingen en genoten opleidingen van de leden van de Adviescommissie bezwaarschriften van de gemeente Den Haag (hierna: de adviescommissie), aangezien de leden van de adviescommissie niet in dienst van de gemeente zijn en hun sollicitatiebrieven zijn vernietigd.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester ten onrechte informatie over eventuele voormalige lidmaatschappen van de gemeenteraad van de leden van de adviescommissie, niet openbaar heeft gemaakt. Met deze informatie kan volgens [appellant] worden gecontroleerd of de leden zich kritisch en integer opstellen wanneer zij als lid van de adviescommissie adviseren.

Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding uitgesproken, aldus [appellant]. [appellant] voert aan dat de burgemeester naar aanleiding van zijn beroep alsnog is overgegaan tot het openbaar maken van de geboortedata van de leden van de adviescommissie. Aldus is de burgemeester gedeeltelijk tegemoetgekomen aan zijn beroep en hadden de in beroep gemaakte kosten volgens [appellant] moeten worden vergoed.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 26 april 2006 in zaak nr. 200509349/1 is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document of bepaalde informatie niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document of bepaalde informatie toch onder dat bestuursorgaan berust. De burgemeester heeft meegedeeld dat hij niet over documenten beschikt waaruit volgt welke leden van de adviescommissie voor welke politieke partij lid zijn geweest van de gemeenteraad. Met de rechtbank acht de Afdeling deze mededeling niet ongeloofwaardig. Voorts is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de burgemeester wel beschikt over de door hem gewenste informatie anders dan die informatie welke reeds openbaar is gemaakt.

Ter zitting heeft [appellant] toegelicht dat hij met zijn verzoek om openbaarmaking ook doelde op overzichten van de samenstelling van de gemeenteraad tot ongeveer vijftien jaar terug. De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn betoog dat de burgemeester gehouden was deze overzichten openbaar te maken. Daartoe wordt overwogen dat in het verzoek om informatie over eventuele voormalige lidmaatschappen van de gemeenteraad van de leden van de adviescommissie, niet kan worden gelezen dat [appellant] om openbaarmaking van overzichten van de samenstelling van de gemeenteraad tot ongeveer vijftien jaar terug verzocht.

3.2. Niet de burgemeester heeft naar aanleiding van het verzoek van [appellant] een geactualiseerd overzicht van namen, functies, nevenfuncties en geboortejaren van leden van de adviescommissie op de website van de gemeente geplaatst en daarmee openbaar gemaakt, maar hiertoe is de adviescommissie op eigen initiatief overgegaan. De adviescommissie is een ander bestuursorgaan dan de burgemeester. Het door [appellant] aangevoerde dat de burgemeester gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan zijn verzoek, is daarmee onjuist. Gelet hierop en op de omstandigheid dat de rechtbank het beroep van [appellant] terecht ongegrond heeft verklaard, brengt met zich dat [appellant] niet wordt gevolgd in zijn betoog dat de rechtbank de burgemeester tot vergoeding van de proceskosten had moeten veroordelen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

280-805