Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1750

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
201302540/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:464, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 september 2011 heeft het dagelijks bestuur aan Woonbron Delfshaven omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de indeling van de panden Rochussenstraat 355/Duyststraat 153 tot 159 te Rotterdam (hierna: de panden) ten behoeve van de verhuur van kamers en bedrijfsruimten.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.2
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/419
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302540/1/A1.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 januari 2013 in zaak nr. 12/2217 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven.

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2011 heeft het dagelijks bestuur aan Woonbron Delfshaven omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de indeling van de panden Rochussenstraat 355/Duyststraat 153 tot 159 te Rotterdam (hierna: de panden) ten behoeve van de verhuur van kamers en bedrijfsruimten.

Bij besluit van 12 april 2012 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 31 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 september 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S.J. Brunia, advocaat te Rotterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. J.M. den Boer, werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Woonbron Delfshaven, vertegenwoordigd door mr. E. Lems, advocaat te Barendrecht, gehoord.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur zijn bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu hij een persoonlijk, rechtstreeks belang heeft bij het besluit van 1 september 2011. Daartoe voert hij aan dat omgevingsvergunning is verleend voor panden bij hem in de straat en dat tussen deze panden en zijn woning geen zijstraten zijn gelegen. Voorts voert hij daartoe aan dat de panden waarvoor omgevingsvergunning is verleend en zijn woning zijn aangewezen als beschermd gemeentelijk monument. Volgens hem maakt dit hem tot belanghebbende bij ieder besluit tot aantasting van de cultuur- en architectuurhistorische waarden en van het monumentale karakter van de straat.

1.1. Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), zoals dit artikel luidde ten tijde van belang, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2, onverminderd het bepaalde in artikel 2.10, tweede lid, er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op elk van die activiteiten.

1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 april 2011 in zaak nr. 200908792/1/M1), dient, indien een bestreden omgevingsvergunning meer dan één toestemming als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo bevat, per toestemming te worden bepaald of degene die een rechtsmiddel heeft aangewend belanghebbende is. Deze regel lijdt uitzondering voor zover de betrokken vergunning ziet op een activiteit als bedoeld in de zin van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo, die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2.

1.3. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

1.4. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijke persoon volgens vaste jurisprudentie een voldoende objectief bepaalbaar, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

De afstand tussen het perceel [locatie] (hierna: het perceel), waar [appellant] woonachtig is, en de panden bedraagt bijna 200 m. Voorts bestaat vanuit zijn woning geen zicht op de panden. De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gezien om aan te nemen dat [appellant] daarom een rechtstreeks belang heeft bij het besluit van 1 september 2011. De rechtbank is verder terecht ook niet gebleken dat het te realiseren bouwplan een zodanige ruimtelijke uitstraling heeft dat [appellant] op grond daarvan als belanghebbende dient te worden aangemerkt.

Het door [appellant] gestelde belang bij de bescherming van het gemeentelijk monument, is niet aan te merken als een individueel belang waarin hij zich van anderen die zich dit algemeen belang aantrekken onderscheidt. Dat geldt ook voor zijn betrokkenheid bij de straat en de buurt waarin hij woont. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is niet voldoende om aan te nemen dat [appellant] als belanghebbende kan worden aangemerkt.

Het betoog van [appellant] dat het bouwplan, zoals hij stelt, in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en de aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument, is niet voldoende om te worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Of een bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan of de aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument, is een inhoudelijke toets, waaraan in deze procedure niet wordt toegekomen, reeds omdat [appellant] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat het dagelijks bestuur het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu hij niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo en voor de activiteit in artikel 2.2, eerste lid, onder b, van die wet, waarvoor het college bij besluit van 1 september 2011 omgevingsvergunning heeft verleend.

Het betoog faalt.

2. Gelet op hetgeen hierover onder 1.2 is overwogen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 1 september 2011, zodat, anders dan [appellant] betoogt, het dagelijks bestuur niet kan worden tegengeworpen dat tijdens de hoorzitting van de Commissie voor de bezwaarschriften alleen aandacht is besteed aan het antwoord op de vraag of [appellant] belanghebbende is.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

531-776