Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1745

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
201302369/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:403, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 april 2011 heeft het college [appellant] € 58.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 december 2009 tot de dag van uitbetaling, ter tegemoetkoming in planschade toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2014/3150 met annotatie van mr. M.G.O. De lange
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302369/1/A2.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Oostvoorne, gemeente Westvoorne,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 januari 2013 in zaak nr. 11/4206 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne.

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2011 heeft het college [appellant] € 58.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 december 2009 tot de dag van uitbetaling, ter tegemoetkoming in planschade toegekend.

Bij besluit van 15 augustus 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid vermelde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef onder a, is een bepaling van een bestemmingsplan een oorzaak, als bedoeld in het eerste lid.

2. [appellant] is samen met zijn echtgenote eigenaar van het perceel met agrarische bedrijfswoning en opstallen aan de [locatie] te Oostvoorne (hierna: de onroerende zaken). Op 7 augustus 2009 hebben zij het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade. Aan de aanvraag hebben zij ten grondslag gelegd dat als gevolg van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Westvoorne’ (hierna: het nieuwe bestemmingsplan), dat op 29 mei 2008 (hierna: de peildatum) in werking is getreden, de mogelijkheid is komen te vervallen om op het perceel kassen op te richten en dat dit de waarde van de onroerende zaken heeft verminderd.

3. Het college heeft advies gevraagd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ). In haar advies van februari 2011 heeft de SAOZ een vergelijking tussen het oude en het nieuwe planologische regime gemaakt en daaruit de conclusie getrokken dat [appellant] en zijn echtgenote door het nieuwe bestemmingsplan in een verslechterde planologische positie zijn komen te verkeren. Volgens de SAOZ is de waarde van de onroerende zaken ten gevolge van het nieuwe bestemmingsplan ten tijde van de peildatum van € 777.500,00 naar € 719.000,00 gedaald.

Het college heeft dit advies aan het besluit van 11 april 2011 ten grondslag gelegd en dat besluit in bezwaar gehandhaafd.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat de SAOZ onafhankelijk en deskundig is, heeft miskend dat de objectiviteit van deze adviseur in twijfel getrokken dient te worden.

4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 4 april 2012 in zaak nr. 201110096/1/A2) is de SAOZ te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade en mag een bestuursorgaan in beginsel op een door de SAOZ uitgebracht advies afgaan. [appellant] heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen die het maken van een uitzondering op dit uitgangspunt rechtvaardigen. Voor zover de SAOZ in een ander geval een fout heeft gemaakt, zoals [appellant] stelt, brengt dat niet met zich dat het advies van februari 2011 niet op een objectieve wijze informatie verschaft.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank, door geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de taxatie door de SAOZ van de waarden van de onroerende zaken onder het oude en het nieuwe planologische regime niet redelijk of realistisch is, heeft miskend dat in het advies in het geheel niet inzichtelijk is gemaakt hoe die waarden zijn vastgesteld en dat daarin geen gegevens over verkooptransacties van vergelijkbare objecten zijn betrokken.

5.1. Uit het advies van de SAOZ blijkt dat de waarden van de onroerende zaken onder het oude en het nieuwe planologische regime en de waardevermindering zijn vastgesteld met de bijstand van een makelaar-taxateur en een rentmeester-taxateur. Daarbij is van belang dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 2 november 2011 in zaak nr. 201007807/1/H2), inzichten van een taxateur in een geval als dit zijn gebaseerd op diens kennis en ervaring, zodat een nadere toelichting op die inzichten niet in alle gevallen kan worden verlangd. Aan de eis dat de gedachtegang duidelijk en voldoende controleerbaar is en het verslag van het onderzoek voldoende basis biedt voor verdere besluitvorming, is in dit geval, gelet op het volgende, voldaan.

In het advies is vermeld dat de taxateurs bekend zijn met de plaatselijke omstandigheden, dat zij op basis van de door de SAOZ uitgevoerde planologische inventarisatie en planologische vergelijking, rekening houdend met de relevante planologische omstandigheden, de waarde van de onroerende zaken in de oude en in de nieuwe staat hebben bepaald en dat zij eenzelfde waardebepaling hebben uitgevoerd in twee andere gevallen, waarbij de gemachtigde van [appellant] eveneens als gemachtigde optrad. Naar het oordeel van de taxateurs komt het waardeniveau van de beoordeelde gronden in de oude planologische situatie in voldoende mate overeen met het waardeniveau van de gronden in die andere gevallen. Voorts heeft de gemachtigde destijds in die andere gevallen met die waarderingen ingestemd en thans niet aannemelijk gemaakt dat die waarderingen hier onjuist zijn. Wat betreft de waarde van de onroerende zaken in de nieuwe planologische situatie is in het advies vermeld dat de SAOZ, na overleg met de taxateurs, van mening blijft dat de vastgestelde waarde in voldoende mate recht doet aan de maximale invulling van de planologische mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan.

Gezien deze motivering bestaat geen grond voor het oordeel dat in het advies niet inzichtelijk is gemaakt hoe de waarden van de onroerende zaken onder het oude en het nieuwe planologische regime zijn vastgesteld.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Hazen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

452.