Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1740

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
201302023/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bakkum Noord" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/415

Uitspraak

201302023/1/R1.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te Castricum,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te Castricum,

3. [appellante sub 3], gevestigd te Castricum, en anderen,

4. [appellante sub 4], wonend te Castricum,

en

de raad van de gemeente Castricum,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bakkum Noord" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellante sub 3] en anderen en [appellante sub 4] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 3] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 september 2013, waar [appellant sub 1B], bijgestaan door mr. C. Lubben, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, [appellanten sub 2], bijgestaan door mr. A van der Leest, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, [appellante sub 3] en anderen, vertegenwoordigd door mr. P.G. Wemmers, advocaat te Alkmaar en [gemachtigden], [appellante sub 4], bijgestaan door mr. J. Hobo, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door ing. R. Haak en mr. M.J.J. Jager, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord het horecabedrijf 't Mirakel van Bakkum, vertegenwoordigd door mr. G.G. Kranendonk, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, [belanghebbende A] en [belanghebbende B].

Overwegingen

1. Het plan voorziet in een actueel planologisch kader voor Bakkum Noord.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellanten sub 1] en [appellante sub 4]

3. [appellanten sub 1] en [appellante sub 4] kunnen zich niet verenigen met de mogelijkheid de gronden aan de noord- en oostzijde van het perceel aan de Heereweg 36 te gebruiken voor terrassen. Zij brengen naar voren dat bij hen het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat ter plaatse geen terrassen zouden worden toegelaten.

[appellante sub 4] brengt tevens naar voren dat de noodzaak voor de terrassen ontbreekt. De terrassen zullen volgens [appellanten sub 1] en [appellante sub 4] leiden tot geluidsoverlast door stemgeluid en muziek ter plaatse van hun woningen. In dit verband betogen zij dat het onderzoek naar de geluidbelasting ten gevolge van het terras aan de noordzijde gebreken bevat. [appellanten sub 1] stellen voorts dat het terras aan de noordzijde is gelegen in de nabijheid van een bouwbedrijf en een tankstation. Gelet hierop is geen sprake van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast betogen zij dat de openstelling van het terras aan de noordzijde geen ruimtelijk ordeningsaspect betreft dat in de planregels kan worden opgenomen. Tot slot wijzen [appellanten sub 1] erop dat het terras aan de oostzijde direct grenst aan een fietspad, hetgeen volgens hen gevaarlijke verkeerssituaties zal opleveren.

3.1. De raad heeft uiteengezet dat op grond van nieuwe inzichten en na afweging van de betrokken belangen het standpunt ten aanzien van gebruik kan wijzigen. De raad acht het gebruik van de gronden voor terrassen in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast stelt de raad zich op het standpunt dat de geluidbelasting van de terrassen voldoende is onderzocht. Tussen de percelen van [appellanten sub 1] en [appellante sub 4] ligt een relatief drukke weg, zodat de overlast van de terrassen volgens de raad beperkt zal zijn. Naar aanleiding van een advies van de Milieudienst Regio Alkmaar (hierna: MRA) is in het plan ter bescherming van de belangen van omwonenden opgenomen dat het terras aan de noordzijde tot 21:00 uur geopend mag zijn. Volgens de raad zal het terras aan de oostzijde voorts geen verkeersonveilige situaties tot gevolg hebben.

3.2. Aan het perceel aan de Heereweg 36 is de bestemming "Horeca" toegekend. Aan de oostzijde van het perceel is de aanduiding "specifieke vorm van horeca-terras 1" toegekend. Aan de noordzijde van het perceel is de aanduiding "specifieke vorm van horeca-terras 2" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Horeca" aangewezen gronden bestemd voor een horecabedrijf in de categorie 1 en 2 van de Staat van horeca-inrichtingen.

Ingevolge lid 7.1, onder b, is in aanvulling op het bepaalde in lid 7.1, onder a, ter plaatse van:

1. de aanduiding "specifieke vorm van horeca-terras 1" een horecaterras behorende bij het horecabedrijf toegestaan;

2. de aanduiding "specifieke vorm van horeca-terras 2" een horecaterras behorende bij het horecabedrijf toegestaan, met dien verstande dat het gebruik van het horecaterras is toegestaan tot 21:00 uur.

3.3. In het algemeen kunnen aan een geldend planologisch regime geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Uit de enkele omstandigheid dat in het voorgaande bestemmingsplan "3e partiële herziening van het bestemmingsplan Bakkum-Noord" niet was toegelaten de gronden te gebruiken voor terrassen, kan niet worden afgeleid dat ter plaatse nooit terrassen zouden worden toegelaten. Voorts hebben [appellanten sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad een toezegging is gedaan dat in het onderhavige plan het gebruik van de gronden voor een terras niet als zodanig zou worden bestemd. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

3.4. Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 4] dat de noodzaak voor de terrassen ontbreekt, heeft het horecabedrijf ter zitting toegelicht dat het voor de uitstraling en de herkenbaarheid van het restaurant van belang is dat er een terras aanwezig is. Daarnaast heeft het horecabedrijf toegelicht ook overdag geopend te zijn als lunchroom en ijssalon. Gelet op deze onderdelen van de bedrijfsvoering is een terras wenselijk. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de noodzaak voor de terrassen voldoende is aangetoond.

3.5. Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

[appellanten sub 1] voeren bezwaren aan met betrekking tot de overlast ter plaatse van de terrassen als gevolg van het in de nabijheid van de terrassen gelegen tankstation en bouwbedrijf. Zij betogen dat de terrassen zijn gelegen binnen de afstand die volgens de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" dient te worden aangehouden tussen een tankstation en een woning en dat gelet hierop ter plaatse van de terrassen geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De bezwaren hebben geen betrekking op het eigen belang van [appellanten sub 1], maar zien uitsluitend op de voorziene terrassen. Voor [appellanten sub 1] gaat het immers om het belang gevrijwaard te blijven van de terrassen en meer in het algemeen om het belang van het behoud van een goed woon- en leefklimaat. Wat er ook verder zij van die belangen in het licht van het vereiste van een goede ruimtelijke ordening, de in geding zijnde aanbevolen afstand heeft niet de strekking die belangen te beschermen. Het voorgaande leidt ertoe dat de Afdeling deze beroepsgrond buiten beschouwing zal laten, nu artikel 8:69a van de Awb er aan in de weg staat dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd.

3.6. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, de avond- en de nachtperiode. Voor de maximale geluidsniveaus op de gevels van woningen geldt dat deze niet meer mogen bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, de avond- en de nachtperiode.

Ingevolge artikel 2.18, eerste lid, onder a, blijft bij het bepalen van de geluidsniveaus het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting buiten beschouwing, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein.

Het terras aan de oostzijde

3.7. In de plantoelichting staat ten aanzien van het terras aan de oostzijde van het restaurant vermeld dat de Heereweg, waaraan het terras is gelegen, kan worden aangemerkt als een drukke doorgaande route. Vaststaat dat per etmaal ongeveer 7500-8500 voertuigen over de Heereweg rijden. Voorts is sprake van bedrijvigheid in de omgeving van het terras. Het stemgeluid van personen op het terras kan op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer buiten beschouwing worden gelaten, nu dit terras aan de straat is gelegen en niet verwarmd of overdekt is. Door MRA is advies uitgebracht ten aanzien van de geluidbelasting ten gevolge van het terras aan de oostzijde, waarbij het stemgeluid ook bij de beoordeling is betrokken. In het advies van 21 maart 2011 staat vermeld dat, gelet op de grootte van het terras en de ligging aan de drukke Heereweg, kan worden aangenomen dat het van het terras afkomstige geluid opgaat in het omgevingsgeluid. Op grond hiervan wordt verwacht dat er geen geluidhinder ontstaat in de directe omgeving. [appellanten sub 1] en [appellante sub 4] hebben dit niet gemotiveerd bestreden. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het terras aan de oostzijde van het perceel aan de Heereweg 36 zal leiden tot onevenredige geluidhinder voor [appellanten sub 1] en [appellante sub 4]. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad ter zitting heeft verklaard dat aan de exploitatievergunning het voorschrift wordt verbonden dat op het terras geen muziek mag worden gedraaid.

3.8. Ten aanzien van het betoog van [appellanten sub 1] dat het gebruik van het terras aan de oostzijde van het restaurant verkeersonveilige situaties oplevert, overweegt de Afdeling als volgt. In het verweerschrift staat vermeld dat de grens van het bestemmingsvlak met de bestemming "Horeca" en de aanduiding "specifieke vorm van horeca-terras 1" 80 cm is gelegen van het fietspad. [appellanten sub 1] hebben dit op zichzelf niet bestreden. Derhalve bestaat er ruimte voor voetgangers om het terras te passeren. Daarnaast heeft de raad ter zitting toegelicht dat een vergunning is verleend voor het plaatsen van terrasschermen om het terras af te kunnen schermen van de openbare weg. De ingang van het terras is hiermee aan de zijkant van het terras gelegd, zodat de bezoekers het terras op een veilige manier kunnen betreden en verlaten. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het gebruik van het terras aan de oostzijde desondanks een verkeersonveilige situatie tot gevolg zal hebben.

Het terras aan de noordzijde

3.9. Ten behoeve van het terras aan de noordzijde van het perceel aan de Heereweg 36 is door het Geluidburo onderzoek verricht naar de geluidbelasting ten gevolge van stemgeluid. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting in de omgeving vanwege stemgeluid op het terras aan de noordzijde van restaurant 't Mirakel van Bakkum" van 26 april 2012 (hierna: het rapport). In het rapport staat vermeld dat gelet op de ligging van het terras aan de openbare weg het stemgeluid op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet behoeft te worden meegenomen. Hoewel in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer stemgeluid niet behoeft te worden meegenomen, is ten behoeve van de beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening de geluidbelasting berekend. Geconcludeerd wordt dat zowel in de dag- als in de avondperiode sprake is van een gemiddelde geluidbelasting ten gevolge van stemgeluid van 55 dB(A) op de woningen direct boven het terras. De woningen van [appellanten sub 1] en [appellante sub 4] zijn gelegen op een afstand van ongeveer 20 m van het terras aan de noordzijde van het perceel. Voorts is de Heereweg gelegen tussen het terras en de woningen. Onder voornoemde omstandigheden heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het terras aan de noordzijde niet zal leiden tot onaanvaardbare geluidhinder voor [appellanten sub 1] en [appellante sub 4]. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, zoals hiervoor reeds overwogen, in de exploitatievergunning zal worden opgenomen dat op het terras geen muziek mag worden gedraaid. Voorts acht de Afdeling van belang dat in artikel 7, lid 7.1, onder b, sub 2, van de planregels is opgenomen dat het terras om 21:00 uur dient te sluiten.

Anders dan [appellanten sub 1] betogen, heeft de raad de regeling van de openstelling van het terras aan de noordzijde ruimtelijk relevant kunnen achten. De regeling is immers opgenomen om de ruimtelijke gevolgen, zoals eventuele geluidoverlast, te beperken. Voor zover zij betogen dat het terras aan de noordzijde tot 19:00 uur zou mogen worden opengesteld in plaats van tot 21:00 uur, heeft de raad uiteengezet dat gelet op de afname van het verkeer op de Heereweg is gebleken dat na 21:00 uur het geluid van het terras aan de noordzijde niet langer opgaat in het omgevingsgeluid. [appellanten sub 1] hebben dit niet gemotiveerd bestreden. Gelet op het vorenstaande heeft de raad in redelijkheid een openstelling van het terras aan de noordzijde tot 21:00 uur in de planregels kunnen opnemen.

3.10. De beroepen zijn ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 2]

4. Het beroep van [appellanten sub 2] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf-bouwbedrijf" en "caravanstalling" ter plaatse van het perceel aan de Heereweg 38. [appellanten sub 2] voeren aan dat stukken die zij hebben ingediend niet zijn betrokken bij het adviezen die MRA ten aanzien van de bedrijven op het perceel aan de Heereweg 38 heeft uitgebracht. Daarnaast betogen zij dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat sprake is van een conserverend plan, nu het plan voorziet in nieuwe ontwikkelingen.

4.1. In de omstandigheid dat MRA mogelijk niet alle brieven van [appellanten sub 2] bij de uitgebrachte adviezen heeft betrokken, ziet de Afdeling, wat daar ook van zij, geen aanleiding voor het oordeel dat de besluitvorming onzorgvuldig tot stand is gekomen. Uit het verweerschrift volgt dat de raad de door [appellanten sub 2] ingediende stukken bij de besluitvorming heeft betrokken. Het betoog faalt.

4.2. Ten aanzien van het betoog dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het plan conserverend van aard is, overweegt de Afdeling dat, zoals de raad terecht stelt, het feit dat het bestemmingsplan conserverend van aard is niet betekent dat alle bestemmingen gelijk moeten blijven aan de bestemmingen in het voorgaande plan en dat het plan geen enkele ruimte voor nieuwe ontwikkelingen zou mogen bieden. Het betoog faalt.

5. [appellanten sub 2] voeren daarnaast aan dat het plan ten aanzien van het perceel aan de Heereweg 38 meer mogelijkheden biedt dan het voorgaande bestemmingsplan "Bakkum Noord 1986". Gelet hierop is ten onrechte geen onderzoek verricht naar de ruimtelijke gevolgen van deze ruimere mogelijkheden. Zij voeren aan dat het plan ten onrechte voorziet in bedrijvigheid in milieucategorie 1 en 2, omdat volgens hen uitsluitend de ter plaatse aanwezige bedrijven als zodanig bestemd hadden moeten worden. Zij wijzen er voorts op dat ook aan de voorzijde van het perceel de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf- bouwbedrijf" is toegekend, hetgeen zal leiden tot meer overlast.

5.1. De raad heeft uiteengezet dat onder het voorgaande plan de bestemming "Ambachtelijke, verzorgende bedrijven met bijbehorende erven" was toegekend. Onder dit plan was volgens de raad een veelheid aan bedrijvigheid toegelaten. In het onderhavige plan is ervoor gekozen om, gelet op de omgeving ter plaatse van het perceel aan de Heereweg 38, bedrijvigheid in de milieucategorieën 1 en 2 toe te laten. Het ter plaatse gevestigde bouwbedrijf valt in de milieucategorie 3 en paste in het voorgaande plan. Nu de raad bedrijven in de milieucategorie 3 niet in zijn algemeenheid wil toelaten, is voor dit bedrijf een specifieke aanduiding opgenomen.

5.2. Aan het perceel aan de Heereweg 38 is de bestemming "Bedrijf" met nadere aanduiding "specifieke vorm bedrijf-bouwbedrijf" toegekend. Voorts zijn aan het perceel twee grotere bouwvlakken en één klein bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven, met dien verstande dat uitsluitend bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan.

Ingevolge lid 4.1, onder b, is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van de bedrijf-bouwbedrijf" tevens een bouwbedrijf toegestaan, alsmede opslag ten behoeve van dat bouwbedrijf en parkeervoorzieningen ten dienste van het bouwbedrijf.

5.3. Onder het voorgaande bestemmingsplan "Bakkum Noord 1986" was aan het perceel de bestemming "Ambachtelijke, verzorgende bedrijven met bijbehorende erven" toegekend.

Ingevolge artikel 10, lid A, van de voorschriften bij dat plan waren de gronden met de bestemming "Ambachtelijke, verzorgende bedrijven met bijbehorende erven" bestemd voor ambachtelijke verzorgende en dienstverlenende bedrijven, met daarbij behorende bedrijfsgebouwen, bouwwerken en open erven.

Ingevolge artikel 1, lid 4a, dient onder ambachtelijk bedrijf te worden verstaan: een bedrijf dat gericht is op het geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen van goederen.

Ingevolge artikel 1, vierde lid, onder e, wordt onder dienstverlenend bedrijf verstaan: een bedrijf dat is gericht op het verlenen van diensten.

Gelet op voornoemde definitiebepalingen is de Afdeling van oordeel dat het voorgaande plan ter plaatse ruime mogelijkheden bood ten aanzien van bedrijvigheid. Niet in geschil is dat het ter plaatse gevestigde bouwbedrijf, dat een bedrijf in milieucategorie 3 betreft, op grond van het voorgaande plan was toegelaten. Nu op grond van het onderhavige plan, behoudens het door middel van de specifieke aanduiding toegelaten bouwbedrijf, ter plaatse uitsluitend bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 zijn toegestaan, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het onderhavige plan ten aanzien van het perceel aan de Heereweg 38 voorziet in nieuwe ontwikkelingen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de omvang van de bouwvlakken en de maximale bouwhoogte hetzelfde zijn gebleven als onder het voorgaande plan en dat deze bouwmogelijkheden grotendeels zijn benut. Gelet op het vorenstaande bestond derhalve geen aanleiding onderzoek te verrichten naar de ruimtelijke gevolgen van een uitbreiding van de planologische mogelijkheden.

5.4. Ten aanzien van het betoog van [appellanten sub 2] dat ten onrechte niet uitsluitend de op het perceel aan de Heereweg 38 aanwezige bedrijven als zodanig zijn bestemd, heeft de raad uiteengezet enige flexibiliteit te willen bieden ten aanzien van de toegelaten bedrijvigheid. De Afdeling acht dit op zichzelf niet onredelijk. In de Nota zienswijzen staat vermeld dat bedrijven in een bepaalde milieucategorie naar hun aard en omvang wat betreft hinder vergelijkbaar zijn, zodat indien zich ter plaatse een ander bedrijf in de milieucategorieën 1 of 2 zal vestigen de hinder niet onevenredig zal toenemen. [appellanten sub 2] hebben dit niet gemotiveerd bestreden. In het aangevoerde wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de thans mogelijk gemaakte bedrijfsactiviteiten in vergelijking met het bestaande gebruik een toename van de overlast tot gevolg zullen hebben. In het aangevoerde ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bedrijvigheid in de milieucategorieën 1 en 2 als zodanig heeft kunnen bestemmen. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de omstandigheid dat aan de voorzijde van het perceel de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-bouwbedrijf" is toegekend, zal leiden tot extra overlast voor [appellanten sub 2]. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het bestaande legale gebruik van deze gronden in het plan is opgenomen. [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt hiervan ernstige hinder te ondervinden.

5.5. Voor zover [appellanten sub 2] hebben betoogd dat het op het perceel aan de Heereweg 38 gevestigde kraan- en transportbedrijf niet kan worden aangemerkt als bedrijf in de milieucategorie 2, overweegt de Afdeling dat dit een handhavingskwestie betreft. De vraag in hoeverre het ter plaatse gevestigde bedrijf past binnen het plan kan in deze procedure derhalve niet aan de orde komen.

6. Tot slot vrezen [appellanten sub 2] dat de gronden waaraan de aanduiding "caravanstalling" is toegekend behalve voor caravanstalling voorts kunnen worden gebruikt ten behoeve van de bedrijfsbestemming. Daarnaast vrezen zij dat op deze gronden voertuigen kunnen worden gestald. Dit leidt volgens hen tot onevenredig veel overlast.

6.1. De raad heeft uiteengezet dat de gronden waaraan de aanduiding "caravanstalling" is toegekend uitsluitend kunnen worden gebruikt voor caravanstalling.

6.2. Aan een deel van het perceel aan de Heereweg 38 is de aanduiding "caravanstalling" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, van de planregels is ter plaatse van de aanduiding "caravanstalling" uitsluitend stalling van caravans en andere onderkomens toegestaan; met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.

Gelet op het vorenstaande zijn de gronden waaraan de aanduiding "caravanstalling" is toegekend, anders dan [appellanten sub 2] kennelijk veronderstellen, uitsluitend bestemd voor het stallen van caravans en andere onderkomens. Deze gronden mogen derhalve niet ten behoeve van de bedrijfsbestemming worden gebruikt. Evenmin kunnen deze gronden worden gebruikt voor het stallen van voertuigen die worden gebruikt ter uitoefening van de bedrijfsbestemming. Het betoog mist in zoverre feitelijk grondslag.

7. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 3] en anderen

8. [appellante sub 3] en anderen kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Groen" die aan de strook grond rondom het perceel aan de Heereweg 38 is toegekend. In dit verband voeren [appellante sub 3] en anderen aan dat deze gronden worden gebruikt ten behoeve van de stalling van caravans. Dit gebruik was volgens hen onder het voorgaande bestemmingsplan "Bakkum Noord 1986" reeds toegelaten en is thans ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht. Zij betogen voorts dat op de gronden met de bestemming "Groen" een hek aanwezig is dat wordt beschermd door het bouwovergangsrecht. Dit hek is gelet hierop volgens hen ten onrechte niet in het plan opgenomen.

8.1. De raad heeft uiteengezet het wenselijk te vinden dat het achterste deel van het perceel dat in gebruik is als caravanstalling wordt afgeschermd door een groenstrook. De raad erkent dat verwezenlijking van de groenstrook niet planologisch kan worden afgedwongen, maar wijst erop dat onderhandelingen worden gevoerd met [appellante sub 3] en anderen over de landschappelijke inpassing van het perceel aan de Heereweg 38. Gelet hierop is de bestemming "Groen" aan deze gronden toegekend. Voorts wijst de raad erop dat het aanwezige hek illegaal is opgericht en dat inmiddels een handhavingsprocedure is gestart.

8.2. Aan de strook grond rondom het perceel aan de Heereweg 38 is de bestemming "Groen" met de aanduiding "specifieke vorm van groen-afschermende groengordel" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. groenvoorzieningen, bermen en beplanting;

b. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;

c. parkeervoorzieningen, voet- en fietspaden en verhardingen;

d. speelvoorzieningen;

e. uitsluitend een groenstrook met een breedte van niet minder dan 2 m, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van groen-afschermende groengordel";

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouw zijnde, behoudens ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van groen-afschermende groengordel".

Ingevolge artikel 24, lid 24.2, onder 1, mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan bestond en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge lid 24.2, onder 4, is artikel 24, lid 24.2, onder 1, niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsrechtelijke bepalingen van dat plan.

8.3. In het voorgaande bestemmingsplan "Bakkum Noord 1986" was aan de strook grond de bestemming "Caravanstalling" met de aanduiding "afschermende groengordel" toegekend. Vaststaat dat de gronden onder dit plan, behalve voor een groengordel, eveneens bestemd waren voor het stallen van caravans en andere onderkomens. Voorts is niet in geschil dat de gronden waaraan thans de bestemming "Groen" is toegekend ten tijde van de vaststelling van het onderhavige plan in gebruik waren voor het stallen van caravans. Gelet op het vorenstaande is het gebruik voor caravanstalling op deze gronden onder het algemene overgangsrecht gebracht.

8.4. Bestaand legaal gebruik dient gelet op de rechtszekerheid in beginsel in het plan te worden opgenomen. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien het als zodanig bestemmen van het gebruik op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet met het oog op deze gevestigde rechten en belangen aannemelijk zijn dat de beoogde bestemming binnen de planperiode wordt verwezenlijkt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van de als "Groen" bestemde gronden voor caravanstalling binnen de planperiode zal worden beëindigd. Nu dit gebruik wordt beschermd door het overgangsrecht kan de raad de beëindiging van het gebruik niet afdwingen. Het enkele betoog van de raad dat onderhandelingen worden gevoerd met [appellante sub 3] en anderen over de inrichting van het perceel en dat mogelijk in een overeenkomst zal worden geregeld dat [appellante sub 3] en anderen de groenstrook zullen realiseren, is onvoldoende concreet om een inbreuk op de gevestigde rechten en belangen te maken. Gelet op het vorenstaande is de conclusie dat hetgeen [appellante sub 3] en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het besluit in zoverre niet is voorbereid met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellante sub 3] en anderen is op dit punt gegrond. Het besluit tot vaststelling van het plan, voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Groen" ter plaatse van het perceel aan de Heereweg 38, dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

8.5. Vaststaat dat het op de gronden met de bestemming "Groen" aanwezige hek niet past binnen het plan. Niet in geschil is dat het hek evenmin binnen de bebouwingsregels van de voorgaande bestemmingsplannen viel en zonder bouwvergunning is opgericht. Het hek heeft een hoogte van ruim 2,5 m. De raad heeft uiteengezet een hek met deze hoogte gelet op de ruimtelijke uitstraling voor de omliggende percelen niet wenselijk te vinden. Voor zover [appellante sub 3] en anderen betogen dat het hek reeds onder het bouwovergangsrecht van het voorgaande plan viel en door het college van burgemeester en wethouders gelet hierop niet handhavend kan worden opgetreden, overweegt de Afdeling dat het bouwovergangsrecht niet kan strekken tot legalisering van een vergunningplichtig bouwwerk dat zonder bouwvergunning is opgericht. Nu het college van burgemeester en wethouders inmiddels een handhavingsprocedure is gestart, is naar het oordeel van de Afdeling voldoende aannemelijk dat het hek binnen de planperiode zal worden verwijderd. Gelet op het vorenstaande heeft de raad er in redelijkheid toe kunnen komen het hek niet als zodanig te bestemmen.

9. [appellante sub 3] en anderen betogen voorts dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid tot het stallen van caravans en onderkomens in zeecontainers. Volgens [appellante sub 3] en anderen bestaat er uit ruimtelijk oogpunt geen bezwaar tegen de caravans in zeecontainers te stallen, nu de ruimtelijke uitstraling van zeecontainers volgens hen vergelijkbaar is met die van caravans en onderkomens. In dit verband wijzen [appellante sub 3] en anderen erop dat het gemeentebestuur inmiddels heeft aangegeven planologische medewerking te willen verlenen aan de stalling van de caravans en onderkomens in zeecontainers.

9.1. De raad heeft uiteengezet het stallen van caravans in zeecontainers op het perceel uitsluitend aanvaardbaar te achten indien rondom het perceel een groengordel wordt gerealiseerd. Daarnaast stelt de raad zich op het standpunt dat de wens van [appellante sub 3] en anderen om caravanstalling in zeecontainers mogelijk te maken onvoldoende concreet was ten tijde van de vaststelling van het plan.

9.2. Vaststaat dat het plan het stallen van caravans en onderkomens in zeecontainers niet toelaat. Voorts staat vast dat het voorgaande bestemmingsplan "Bakkum Noord 1986" evenmin voorzag in het stallen van caravans en onderkomens in zeecontainers.

Voor zover [appellante sub 3] en anderen betogen dat de raad zich thans op een ander standpunt heeft gesteld ten aanzien van de zeecontainers, stelt de Afdeling vast dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat het stallen van caravans in zeecontainers volgens hem uitsluitend aanvaardbaar kan worden geacht als het perceel landschappelijk wordt ingepast door middel van een groengordel. Planologische medewerking van de raad is derhalve gekoppeld aan de landschappelijke inpassing van het achterste deel van het perceel, zodat de raad zich thans niet op het standpunt stelt dat zonder meer planologische medewerking kan worden verleend aan de plaatsing van zeecontainers.

9.3. In de Nota zienswijzen staat vermeld dat [appellante sub 3] en anderen voor de vaststelling van het plan kenbaar hebben gemaakt de wens te hebben dat de stalling in zeecontainers planologisch mogelijk zou worden gemaakt. Dit voornemen was op dat moment evenwel onvoldoende concreet, omdat niet duidelijk was hoe [appellante sub 3] en anderen hieraan invulling wensten te geven. Gelet hierop heeft de raad deze ontwikkeling niet bij de beoordeling van het onderhavige plan meegenomen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voornemens ten tijde van de vaststelling van het plan onvoldoende concreet waren om bij de afweging te betrekken.

10. Het beroep is voor het overige ongegrond.

11. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

12. Ten aanzien van [appellante sub 3] en anderen dient de raad op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellanten sub 1], [appellante sub 4] en [appellanten sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 3] en anderen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bakkum Noord" van de raad van de gemeente Castricum van 10 januari 2013, voor zover het betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Groen" ter plaatse van het perceel aan de Heereweg 38;

III. draagt de raad van de gemeente Castricum op om binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellante sub 4] geheel en het beroep van [appellante sub 3] en anderen voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Castricum tot vergoeding van bij [appellante sub 3] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 971,28 (zegge: negenhonderdeenenzeventig euro en achtentwintig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Castricum aan [appellante sub 3] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Brand, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Brand

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

575.