Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1733

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
201301248/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2012:2473, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2009 heeft het Faunafonds de maatschap een tegemoetkoming van € 32.547,00 verleend in door ganzen veroorzaakte schade aan percelen met biologisch geteeld gras.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301248/1/A3.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 21 december 2012 in zaak nr. 12/1433 in het geding tussen:

de maatschap

en

het bestuur van het Faunafonds (hierna: het Faunafonds).

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2009 heeft het Faunafonds de maatschap een tegemoetkoming van € 32.547,00 verleend in door ganzen veroorzaakte schade aan percelen met biologisch geteeld gras.

Bij besluit van 11 mei 2012 heeft het Faunafonds het door de maatschap daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 december 2012 heeft de rechtbank het door de maatschap daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de maatschap hoger beroep ingesteld.

Het Faunafonds heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2013, waar de maatschap, vertegenwoordigd door mr. E.E. Grit, advocaat te Groningen, en [gemachtigden], en het Faunafonds, vertegenwoordigd door mr. drs. W. van Dijk en H.G. Engberink, beiden werkzaam bij het Faunafonds, zijn verschenen. Voorts zijn daar J. de Kam en H.A. Kloosterboer, beiden werkzaam bij Taxatiebureau Overheul Agro B.V. (hierna: Overheul), als deskundigen gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) is er een Faunafonds, dat tot taak heeft het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten.

Ingevolge artikel 84, eerste lid, wordt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel b, slechts verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.

Volgens artikel 2 van de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds kan het Faunafonds de grondgebruiker op zijn verzoek met inachtneming van het hierna bepaalde een tegemoetkoming verlenen in door beschermde inheemse diersoorten aan de landbouw, de bosbouw of de visserij aangerichte schade.

Volgens artikel 5, eerste lid, wordt de hoogte van de door één of meer beschermde diersoorten aangerichte schade, zodra daaromtrent een definitief oordeel kan worden gegeven, door een aangewezen taxateur getaxeerd.

Volgens het derde lid stelt de taxateur, met inachtneming van de door het Faunafonds vastgestelde taxatierichtlijnen, van zijn bevindingen een rapport samen en ondertekent hij dat. Bij de eindtaxatie overhandigt de taxateur het formulier "bevestiging taxatie grondgebruiker" aan de aanvrager of deponeert hij het bedoelde formulier in de brievenbus van de aanvrager. De aanvrager wordt gedurende acht werkdagen in de gelegenheid gesteld opmerkingen op dat formulier bij het secretariaat van het Faunafonds kenbaar te maken.

Volgens het vijfde lid kan de taxateur worden gevraagd de reactie van de aanvrager van commentaar te voorzien.

Volgens artikel 6, eerste lid, kan het Faunafonds uitsluitend een tegemoetkoming verlenen voor schade, veroorzaakt door diersoorten, genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b, van de Ffw, welke door vraat, betreden, verontreiniging, graven, wroeten en vegen aan bedrijfsmatige landbouw, bosbouw of visserij is veroorzaakt.

Volgens artikel 8, eerste lid, wordt de hoogte van de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2 door het Faunafonds vastgesteld na kennisneming van het door de aanvrager ingezonden aanvraagformulier met bijlagen, het door de taxateur opgestelde taxatierapport eventueel voorzien van opmerkingen van de aanvrager en eventueel overige op de aanvraag betrekking hebbende stukken.

2. De maatschap heeft het Faunafonds verzocht om een tegemoetkoming in door ganzen veroorzaakte schade aan haar percelen biologisch grasland. Naar aanleiding hiervan hebben taxateurs De Kam en Kloosterboer op 16 maart, 27 en 29 april, 5 en 25 mei en 3 juni 2009 de schade getaxeerd. Op 14 mei 2009 heeft de maatschap aan het Faunafonds klachten kenbaar gemaakt tegen de tot dan toe verrichte taxaties, alsmede de wijze van taxeren en de kwaliteit van de taxateurs. Vervolgens heeft zij door D.E. Dankert van Taxatie- en Adviesbureau Noord-Nederland bv (hierna: Noord-Nederland) en Ekopart opgemaakte deskundigenrapporten overgelegd. In deze deskundigenrapporten is tot een andere uitkomst gekomen dan in het taxatierapport van Overheul.

3. De maatschap betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het Faunafonds het taxatierapport van Overheul aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Volgens de maatschap heeft de rechtbank niet onderkend dat het Faunafonds aanleiding had moeten zien te twijfelen of dit taxatierapport zorgvuldig tot stand is gekomen en concludent is. Hiertoe voert de maatschap aan dat uit het taxatierapport van Overheul niet blijkt dat de taxatierichtlijnen van het Faunafonds zijn gevolgd en gebruik is gemaakt het rapport "Meten is weten (taxeren van opbrengstverlies in grasland met behulp van de grashoogtemeter)". Voorts volgt volgens de maatschap uit het door haar overgelegde deskundigenrapporten van Ekopart en Noord-Nederland dat het Faunafonds op een te laag schadebedrag is uitgekomen.

3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Faunafonds in beginsel van het taxatierapport van Overheul mocht uitgaan. Dit neemt niet weg dat het zich ervan moet vergewissen dat dit taxatierapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dat het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de feiten de conclusies kunnen dragen.

3.2. Volgens het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank heeft A. Klaver, taxateur bij het Faunafonds, aldaar onweersproken verklaard dat hij bij de taxatie van 3 juni 2009 was betrokken, dat de grashoogtemeter wordt gehanteerd om een taxatie te objectiveren en dat altijd met toepassing van het rapport "Meten is weten" wordt gewerkt. Daarbij heeft De Kam verklaard dat hij de regels en richtlijnen kent en altijd met de grashoogtemeter werkt. Voorts heeft Dankert verklaard dat hij de verschillen in de uitkomsten van de grashoogtemetingen niet kan verklaren en niet kan beoordelen of De Kam een fout heeft gemaakt bij het meten. Ook heeft hij bevestigend geantwoord op de vraag of hij op dezelfde wijze, met toepassing van het rapport "Meten is weten", taxeert als De Kam, aldus het proces-verbaal.

Voorts heeft Kloosterboer ter zitting bij de Afdeling onweersproken verklaard dat hij regelmatig taxaties verricht bij biologische landbouwbedrijven. Voorts heeft hij toegelicht dat meer dan dertig onbeschadigde referentiepunten op de percelen rond de boerderij van de maatschap zijn genomen en dat op de tekeningen en in het taxatierapport van Overheul de daarbij gemiddeld gemeten grashoogte is vermeld. De Kam heeft ter zitting verklaard dat hij onafhankelijk van Kloosterboer dezelfde referentiepunten heeft gekozen.

3.3. De maatschap heeft hetgeen Kloosterboer en De Kam hebben verklaard onvoldoende weersproken. De stelling van de maatschap dat de gekozen referentiepunten reeds door ganzen waren beschadigd en de referentiepunten op omliggende percelen hadden moeten worden gekozen, bieden in het licht van de verklaringen van Kloosterboer en De Kam onvoldoende grond voor het oordeel dat het taxatierapport van Overheul onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daarbij heeft het Faunafonds ter zitting bij de Afdeling verklaard dat de bedrijfsvoering ten aanzien van onder meer bemesting op percelen waar biologische grasteelt plaatsvindt dusdanig verschilt van die op percelen waarop conventionele grasteelt plaatsvindt, dat omliggende percelen in dit geval niet geschikt zijn voor het bepalen van referentiepunten en de beste vergelijking kan worden gemaakt aan de hand van op de schadepercelen gevonden onbeschadigde referentiepunten.

3.4. Gelet op hetgeen in 3.2 en 3.3 is overwogen heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het taxatierapport van Overheul onzorgvuldig tot stand is gekomen en het Faunafonds dit taxatierapport niet aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. Dat in de taxatierapporten van Noord-Nederland en Ekopart de schade hoger is getaxeerd dan in het taxatierapport van Overheul leidt, nu door de maatschap niet aannemelijk is gemaakt dat door de taxateurs van Overheul beschadigde referentiepunten zijn gebruikt en door Overheul niet is getaxeerd met toepassing van het rapport "Meten is weten", niet tot een ander oordeel.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van staat.

w.g. Michiels w.g. Beerse

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

382-741.