Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1731

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
201301102/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 10 juni 2011 het college [appellanten] elk planschadevergoeding toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2013-0293
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301102/1/A2.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Roermond,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 december 2012 in zaken nrs. 2012/657, 2012/658 en 2012/665 in het geding tussen:

[appellanten] en [wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Roermond.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 10 juni 2011 het college [appellanten] elk planschadevergoeding toegekend.

Bij afzonderlijke besluiten van 2 april 2012 heeft het college de door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 december 2012 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de door [appellanten] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die wet tot 1 juli 2008 luidde, kennen burgemeester en wethouders een belanghebbende op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover hij ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

2. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 49 van de WRO dient te worden onderzocht of de verzoeker als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kan, onderscheidenlijk kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts indien realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van dit uitgangspunt afgeweken moet worden.

3. [appellanten] zijn elk eigenaar van een woning aan de Maalbroek te Roermond. Aan de verzoeken om schadevergoeding hebben zij ten grondslag gelegd dat het bestemmingsplan ‘N280-Oost’ (hierna: het nieuwe bestemmingsplan), dat op 3 oktober 2005 (hierna: de peildatum) in werking is getreden, de aanleg van een nieuwe verbindingsweg met Duitsland in een nabij hun woningen gelegen gebied (hierna: het plangebied) mogelijk heeft gemaakt en dit de waarde van hun woningen heeft verminderd.

4. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan in het plangebied te realiseren geluidswal een maximale bouwhoogte van 4 m heeft. Daartoe voeren zij aan dat dit oordeel berust op de feitelijke situatie en dat de rechtbank heeft miskend dat bij een maximale invulling van het nieuwe planologische regime een geluidswal met een bouwhoogte van 15 m kan worden opgericht.

4.1. Ingevolge artikel 9, derde lid, aanhef en onder b, van de bij het nieuwe bestemmingsplan behorende voorschriften mag de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 15 m bedragen.

Ingevolge die aanhef en onder c gelden ten aanzien van de hoogte van geluidwerende voorzieningen de aanwijzingen op de dwarsprofielenkaart.

4.2. De rechtbank heeft overwogen dat uit de tekening op schaal op de bij het nieuwe bestemmingsplan behorende dwarsprofielenkaart valt af te leiden dat een geluidswal ter plaatse van de woningen van [appellanten] maximaal 7 m hoog mag zijn. In het betoog in hoger beroep zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat zij dat ten onrechte heeft overwogen.

Het betoog faalt.

5. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bij de planvergelijking wat betreft de geluidsbelasting en luchtkwaliteit terecht heeft betrokken dat het realiseren van de N280-Oost tot een afname van het verkeer op de Maalbroek heeft geleid. Daartoe voeren zijn aan dat ook dit oordeel berust op de feitelijke situatie en dat de rechtbank heeft miskend dat er, planologisch gezien, geen beletselen zijn voor een toename van het verkeer op de Maalbroek.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 11 september 2013 in zaak nr. 201210333/1/A2), dient in het kader van het onderzoek of en zo ja, in hoeverre een nieuw bestemmingsplan, dat de aanleg van een weg mogelijk maakt, tot een planologische verslechtering leidt die schade tot gevolg heeft, ten aanzien van de geluidsoverlast en aantasting van de luchtkwaliteit een vergelijking te worden gemaakt tussen de maximale gebruiksmogelijkheden onder het oude en die onder het nieuwe planologische regime. Het tot besluiten op een verzoek om planschadevergoeding bevoegde bestuursorgaan dient bij het beoordelen van de maximale gebruiksmogelijkheden onder het nieuwe planologische regime op de peildatum uit te gaan van een reële prognose van het maximaal aantal te verwachten motorvoertuigen per rijstrook en per tijdseenheid en de daarmee gemoeide geluidsoverlast en aantasting van de luchtkwaliteit, met inachtneming van de op die dag bestaande inzichten. Aan de hand daarvan dient te worden onderzocht of die geluidsoverlast en aantasting van de luchtkwaliteit zodanig zijn, dat het nieuwe regime tot een planologische verslechtering met een daaruit voortvloeiende waardevermindering van de woning heeft geleid.

5.2. De adviezen van de door het college geraadpleegde deskundigen bieden op de wijze, als hiervoor onder 5.1. bedoeld, inzicht in de feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat, uitgaande van de daarin toegepaste prognoses van de te verwachten geluidsbelasting en de gevolgen voor de luchtkwaliteit, [appellanten] wat betreft de geluidsbelasting en luchtkwaliteit door het nieuwe bestemmingplan niet in een nadeliger positie zijn gebracht. In het door [appellanten] overgelegde rapport van Langhout en Wiarda Juristen en Rentmeesters van 12 september 2011 is deze conclusie niet gemotiveerd bestreden. Bij deze stand van zaken heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat die prognoses niet reëel zijn voor de situatie ten tijde van de peildatum en dat het door de deskundigen uitgevoerde onderzoek onzorgvuldig is geweest en het college de aan dat onderzoek verbonden conclusie niet aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

Het betoog faalt.

6. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

452.