Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1729

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
201300543/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Dedemsvaart" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 2.17
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 2.18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2013/163 met annotatie van F. Arents
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300543/1/R2.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

1. Moerheim, gevestigd te Dedemsvaart, gemeente Hardenberg,

2. [appellant sub 2], wonend te Dedemsvaart, gemeente Hardenberg,

en

de raad van de gemeente Hardenberg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Dedemsvaart" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Moerheim en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Moerheim heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2013, waar Moerheim, [appellant sub 2] en de raad, vertegenwoordigd door D.J. Logtenberg-Starke, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

3. Het plan voorziet in een actualisatie van de vorige bestemmingsplannen voor de kern Dedemsvaart. Het plan is deels conserverend van aard en biedt op een aantal plaatsen ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Het plan voorziet hoofdzakelijk in globale bestemmingen. Het plangebied betreft onder meer de bedrijfslocatie van Moerheim aan de Moerheimstraat 78. Voorts heeft het plan betrekking op de Moerheimstraat 84, waar de modeltuinen van tuinarchitecte wijlen Mien Ruys liggen. De modeltuinen worden thans geëxploiteerd door de stichting Stichting Tuinen Mien Ruys (hierna: de stichting).

Moerheimstraat 78

4. Moerheim betoogt dat het plan voor de gronden aan de Moerheimstraat 78 ten onrechte niet voorziet in woningbouw, dienstwoningen in combinatie met bedrijven en een tweede dienstwoning. Voorts wenst Moerheim dat aan de gronden ter plaatse van de zogenoemde Pakschuur de bestemming "Detailhandel" wordt toegekend. De voormelde bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn ter plaatse passend, aldus Moerheim.

4.1. De raad stelt dat het plan erin voorziet dat aan de Moerheimstraat 78 ook andere bedrijven worden gevestigd dan een hoveniersbedrijf of tuincentrum en in zoverre meer mogelijk maakt dan het vorige bestemmingsplan. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat herontwikkeling van de gronden aan de Moerheimstraat 78 niet is uitgesloten, maar eerst aan de orde komt als daartoe een concreet verzoek om herziening van het plan wordt ingediend. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat de realisatie van woningen of dienstwoningen in combinatie met bedrijven ter plaatse niet op voorhand wenselijk is vanwege de huidige marktsituatie. Voorts zijn volgens de raad in Dedemsvaart nog meerdere woon-werklocaties beschikbaar. Verder bestaat volgens de raad thans geen noodzaak voor een tweede bedrijfswoning. Verder wenst de raad niet-ondergeschikte detailhandel te concentreren in het centrum.

4.2. Aan de gronden aan de Moerheimstraat 78 zijn de bestemming "Bedrijf" en de functieaanduidingen "tuincentrum" en "kas" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijven en instellingen zoals vermeld in de categorieën 1 tot en met 2 van de bij deze regels behorende Staat van bedrijven;

b. bestaande bedrijven, uitsluitend in de bestaande omvang, voor zover deze niet vallen onder a;

c. wonen in bestaande bedrijfswoningen;

met de daarbij behorende:

d. verkeers- en verblijfsvoorzieningen;

e. parkeervoorzieningen;

f. groenvoorzieningen;

en tevens voor:

[…]

j. tuincentrum, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'tuincentrum';

[…].

Detailhandel is uitsluitend binnen de bestemming begrepen voor zover deze is aan te merken als rechtstreeks voortvloeiend uit de activiteiten van het bedrijf en daaraan ondergeschikt is.

Onder de bedrijfsactiviteiten is het vervaardigen en/of de opslag van vuurwerk niet begrepen.

Met uitzondering van de ter plaatse met ‘verkooppunt motorbrandstoffen met lpg’ aangeduide inrichtingen, zijn geen risicovolle inrichtingen toegestaan.

In de bestemming zijn geen geluidzoneringsplichtige inrichtingen op grond van de Wet geluidhinder toegestaan.

Onder het sub j bedoelde tuincentrum zijn tevens begrepen het verkopen van planten en aanverwante artikelen, hoveniersbedrijf, kwekerij van gewassen ten behoeve van hoveniersbedrijven/tuincentra en het houden van exposities, ondergeschikte horeca en detailhandel direct verband houdend met de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten zijn tevens toegestaan.

4.3. Het tuincentrum van Moerheim aan de Moerheimstraat 78 is in het plan als zodanig bestemd. De bestemming "Bedrijf" voorziet voorts in de mogelijkheid dat ter plaatse een ander bedrijf of instelling wordt gevestigd. Ook maakt het plan ter plaatse detailhandel direct verband houdend met de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten mogelijk. Moerheim heeft tegen deze functie geen bezwaren aangevoerd.

Voorts heeft Moerheim niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit zodanig concrete plannen bestonden voor een van de door hem gewenste bouw- en gebruiksmogelijkheden, dat de raad daarmee bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden. Moerheim heeft verder niet onderbouwd waarom de door hem gewenste ontwikkelingen volgens hem wel strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening gelet op de huidige marktsituatie en de beschikbaarheid van verscheidene andere woon-werklocaties, noch dat concrete behoefte bestaat aan een tweede bedrijfswoning. De raad heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat het mogelijk maken van detailhandel die niet direct verband houdt met de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten aan de Moerheimstraat 78 zich niet verdraagt met het uitgangspunt dat dergelijke detailhandel in het centrum wordt geconcentreerd. In hetgeen Moerheim heeft aangevoerd, heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om van dit uitgangspunt af te wijken.

Onder deze omstandigheden geeft hetgeen Moerheim heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor de gronden aan de Moerheimstraat 78 niet in de door Moerheim aangedragen bouw- en gebruiksmogelijkheden behoefde te worden voorzien.

Het betoog faalt.

Modeltuinen van Mien Ruys

Verkoop van planten

5. Moerheim heeft bezwaar tegen het mogelijk maken van de verkoop van planten bij de modeltuinen. Hij stelt dat dit niet noodzakelijk is. Voorts stelt hij hierdoor concurrentienadeel te ondervinden.

5.1. Het plan voorziet ingevolge artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder d, van de planregels in detailhandel in de vorm van de verkoop van planten, voor zover deze ondergeschikt is aan de bestemming en direct verband houdt met de exploitatie van de tuinen. Ter zitting heeft de raad desgevraagd gesteld dat hieronder mede de verkoop van planten uit de modeltuinen dient te worden begrepen. Hetgeen Moerheim heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verkoop van planten uit modeltuinen wenselijk is nu deze activiteit bij de modeltuinen past en bijdraagt aan het voortbestaan en het behoud daarvan. Over het betoog van Moerheim dat hij concurrentienadeel ondervindt van de verkoop van planten bij de modeltuinen van Mien Ruys, overweegt de Afdeling dat dit aspect buiten het toetsingskader van een goede ruimtelijke ordening valt en derhalve in deze procedure niet aan de orde kan komen.

Het betoog faalt.

Tuinmanswoning en theehuis met terras, tevens entreeplein

6. Moerheim heeft bezwaar tegen het mogelijk maken van een nieuwe horecagelegenheid bij de modeltuinen. Hij betoogt dat onduidelijk is tot welke omvang bebouwing kan worden gerealiseerd binnen het bouwvlak dat is toegekend ter plaatse van de tuinmanswoning.

6.1. De raad stelt dat de huidige entree met theehuis naar de modeltuinen achter de bestaande lintbebouwing aan de Moerheimstraat ligt, op ongeveer 100 meter afstand van het parkeerterrein van de modeltuinen. Hierdoor kunnen bezoekers de modeltuinen ongezien en zonder entree te betalen betreden. Gelet hierop acht de raad het wenselijk dat de entree wordt verplaatst naar de huidige tuinmanswoning, op enkele meters afstand van het parkeerterrein. Ook beoogt het plan erin te voorzien dat aan de tuinmanswoning bebouwing kan worden gerealiseerd in de vorm van een theehuis van maximaal 200 m². Deze wijzigingen zijn gunstig voor de bedrijfsvoering en maken beter toezicht op het parkeren mogelijk, aldus de raad. De raad stelt dat nog geen definitief bouwplan beschikbaar is, zodat is beoogd enige flexibiliteit te bieden voor de uiteindelijke invulling.

6.2. Aan de gronden aan de Moerheimstraat 84 is de bestemming "Groen-Park" toegekend. Ter plaatse van de tuinmanswoning is een bouwvlak van ongeveer 360 m² met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-gebouwen" toegekend.

Ingevolge artikel 10, lid 10.2, onder a, aanhef en onder 1, van de planregels geldt voor het bouwen van gebouwen en overkappingen, met uitzondering van gebouwen en overkappingen voor openbare nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsvoorzieningen, dat de gebouwen binnen het bouwvlak dienen te worden gebouwd, met dien verstande dat aan de bestaande gebouwen ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - gebouwen" maximaal 200 m² bebouwing mag worden toegevoegd.

6.3. Uit het plan volgt dat aan de tuinmanswoning maximaal 200 m² bebouwing mag worden toegevoegd. Voorts kunnen binnen het bouwvlak nieuwe gebouwen en overkappingen worden gerealiseerd. Aldus is duidelijk tot welke omvang bebouwing binnen het bouwvlak is toegestaan. Hetgeen Moerheim heeft aangevoerd geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het betoog faalt.

7. [appellant sub 2] betoogt dat de realisatie van bebouwing binnen het bouwvlak dat is toegekend ter plaatse van de tuinmanswoning zal leiden tot een onevenredige aantasting van de identiteit van de tuinmanswoning en de omliggende karakteristieke tuinmanstuin.

7.1. De raad stelt dat de tuinmanswoning is aangewezen als gemeentelijk monument en dat bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het verbouwen en uitbreiden van de tuinmanswoning rekening moet worden gehouden met de monumentale waarde daarvan. Voorts is volgens de raad een gemeentelijke monumentenvergunning vereist. De raad stelt verder dat de omliggende tuin niet als gemeentelijke monument is aangemerkt en niet door wijlen Mien Ruys is aangelegd. Volgens de raad is de stichting voornemens de bestaande bomen binnen het bouwvlak te integreren in haar bouwplan. Ook wijst de raad erop dat in het plan is bepaald dat alleen een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden wordt verleend indien de natuurlijke en beeldbepalende waarde van de betreffende houtopstanden niet onherstelbaar wordt beschadigd.

7.2. Ingevolge artikel 10, lid 10.4, onder a, van de planregels is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: het vellen van houtopstanden.

Ingevolge lid 10.4, onder b, is het onder a bedoelde verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden die het normale onderhoud en het beheer van het gebied betreffen.

Ingevolge lid 10.4, onder c, wordt de onder a bedoelde omgevingsvergunning niet verleend, indien er onherstelbare schade aan de natuurlijke en beeldbepalende waarde van de betreffende houtopstanden wordt aangebracht.

7.3. Door de in het plan voorziene uitbreidingsmogelijkheid zal het bestaande uiterlijk van de tuinmanswoning en de omliggende tuin veranderen. Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geeft echter geen aanleiding voor het oordeel dat met de in het plan voorziene uitbreiding van de tuinmanswoning en de realisatie van bebouwing binnen het ter plaatse toegekende bouwvlak een onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het monumentale karakter van de tuinmanswoning en aan de omliggende tuin. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ingevolge artikel 11 van de monumentenverordening gemeente Harderberg een vergunning nodig is voor het in enig opzicht wijzigen van een gemeentelijk monument, welke vergunning ingevolge artikel 15 slechts wordt verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

Het betoog van [appellant sub 2] faalt.

8. Moerheim stelt dat hij geluidhinder en parkeeroverlast ondervindt door horeca-activiteiten die buiten de openingstijden plaatsvinden bij de modeltuinen en die daaraan niet zijn gerelateerd. Moerheim vreest dat deze activiteiten en de bijbehorende overlast zullen toenemen door het plan nu dit voorziet in een tweede horecagelegenheid. Hij stelt dat niet handhavend wordt opgetreden tegen de huidige overlast en vreest dat dit ook bij toekomstige overlast niet zal worden gedaan. In dat verband betoogt Moerheim dat het plan niet handhaafbaar is voor zover daarin is bepaald dat alleen horeca-activiteiten van ondergeschikte aard zijn toegestaan.

8.1. De raad stelt dat het plan voor de modeltuinen van Mien Ruys voorziet in activiteiten die gebruikelijk zijn bij modeltuinen, waaronder ondergeschikte horeca. Volgens de raad is het wenselijk hierin te voorzien, nu ondergeschikte horeca bijdraagt aan het voortbestaan en het behoud van de modeltuinen.

8.2. Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels, zijn de voor "Groen-Park" aangewezen gronden bestemd voor:

a. groenvoorzieningen en waterpartijen;

b. bos;

c. wandelgebied met modeltuinen met bijbehorende educatieve voorzieningen;

d. dagrecreatieve voorzieningen, horeca en detailhandel, voor zover ondergeschikt aan de bestemming en direct verband houdend met de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten;

e. fiets- en voetpaden;

f. speelvoorzieningen;

g. parkeervoorzieningen;

h. openbare nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsvoorzieningen. Bestaande wegen en paden zijn in de bestemming begrepen.

De onder d genoemde horeca-activiteiten betreffen:

- het schenken van dranken aan bezoekers van de tuinen;

- het houden van exposities, lezingen;

- andere activiteiten die verband houden met de tuinen.

8.3. Het plan voorziet ter plaatse van de Moerheimstraat 84 in horeca in de vorm van het schenken van dranken aan bezoekers van de tuinen, het houden van exposities en lezingen en andere activiteiten die verband houden met de tuinen. Deze horeca-activiteiten zijn voorts uitsluitend mogelijk indien en voor zover zij ondergeschikt zijn aan de bestemming en direct verband houden met de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten. De uitoefening van de bedrijfsactiviteiten betreft blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting in dit geval de exploitatie van de modeltuinen. Ter zitting heeft de raad desgevraagd bevestigd dat het plan zo moet worden begrepen dat horeca-activiteiten uitsluitend zijn toegestaan indien en voor zover zij plaatsvinden ten behoeve van de bezoekers van de modeltuinen. Zo is het volgens de raad niet toegestaan dat bij de horeca-faciliteiten van de modeltuinen lunches worden genuttigd anders dan door bezoekers van de modeltuinen. Voorts heeft de raad ter zitting bevestigd dat het plan niet voorziet in de mogelijkheid van het houden van feesten en bruiloftspartijen, die in het verleden wel hebben plaatsgevonden bij de modeltuinen. Het plan voorziet derhalve niet in horeca-activiteiten die niet ondergeschikt zijn aan de bestemming of die geen direct verband houden met de uitoefening van de exploitatie van de modeltuinen, waardoor Moerheim overlast stelt en vreest te ondervinden. Hetgeen Moerheim heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre niet handhaafbaar is.

Het betoog faalt.

8.4. Over de vrees van Moerheim dat niet handhavend zal worden opgetreden tegen horeca-activiteiten die niet ondergeschikt zijn aan de bestemming of niet direct verband houden met de exploitatie van de modeltuinen, overweegt de Afdeling dat dit geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond moet derhalve buiten beschouwing blijven.

9. Volgens Moerheim voorziet het plan in onvoldoende parkeergelegenheid. Moerheim stelt dat het bestaande parkeerterrein met een capaciteit van 35 plaatsen te weinig ruimte biedt voor de piekbelastingen van bezoekers. Ook is het parkeerterrein volgens hem ontoegankelijk voor touringcars en campers. Hij stelt dat de parkeerdruk hierdoor op zijn terrein wordt afgewenteld. Moerheim vreest dat de parkeeroverlast zal toenemen door de realisatie van een nieuw theehuis. Het is volgens Moerheim niet mogelijk om het bestaande parkeerterrein uit te breiden indien rond de tuinmanswoning bebouwing wordt gerealiseerd.

9.1. De raad stelt dat binnen de gehele bestemming "Groen-Park" parkeervoorzieningen kunnen worden gerealiseerd en dat hiervoor op het betreffende perceel voldoende ruimte aanwezig is. Realisatie van bebouwing rond de tuinmanswoning is volgens de raad geen belemmering voor uitbreiding van het parkeerterrein.

9.2. Ingevolge artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder g, van de planregels zijn parkeerplaatsen toegestaan binnen de bestemming "Groen-Park". Volgens het bouwplan dat is vermeld in de nota die de stichting bij brief van 21 augustus 2007 aan het college van burgemeester en wethouders heeft verstuurd, zal het aantal parkeerplaatsen worden uitgebreid naar 41. Voorts is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op het perceel van de modeltuinen desgewenst niet meer parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd. Verder is ter zitting gebleken dat het voornemen bestond het parkeerterrein zodanig in te richten dat deze toegankelijk is voor bussen en campers, hetgeen inmiddels ook is gebeurd. De raad heeft zich daarnaast in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van het in het plan voorziene nieuwe theehuis met terras geen verkeerstaantrekkende werking uitgaat nu dit, gelet op hetgeen is overwogen onder 7.3, niet kan worden benut voor zelfstandige horeca en nu reeds een theehuis aanwezig is. Verder is niet gebleken van een bestaand structureel tekort aan parkeerplaatsen. Gelet op het vorenstaande heeft Moerheim niet aannemelijk gemaakt dat niet kan worden voorzien in de parkeerbehoefte van de modeltuinen.

Het betoog faalt.

10. [appellant sub 2] woont aan de [locatie]. Hij betoogt dat de realisatie van een theehuis en een terras, die tevens de entree tot de modeltuinen zullen vormen, zullen zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat, nu ook het parkeerterrein bij de modeltuinen reeds aan zijn perceel grenst. Voorts betwist [appellant sub 2] dat de raad heeft kunnen aansluiten bij de richtafstand die wordt aanbevolen in het rapport "Bedrijven en Milieuzonering", editie 2009, van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) voor conferentiecentra, musea, ateliers en restaurants. Hij stelt in dit verband dat de voormelde functies, anders dan de activiteiten bij de modeltuinen, voornamelijk binnen plaatsvinden. Ook is volgens [appellant sub 2] ten onrechte niet in aanmerking genomen dat het beoogde terras, tevens entreeplein, en het toegangspad daar naartoe buiten het bouwvlak voor het beoogde theehuis kunnen worden gerealiseerd. [appellant sub 2] vreest met name voor geluidhinder en stelt dat onduidelijk is of aan de van toepassing zijnde geluidnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer kan worden voldaan. Hij betoogt dat het plan in zoverre ondeugdelijk is gemotiveerd.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant sub 2]. Volgens de raad dient aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer te worden voldaan en blijft het stemgeluid van bezoekers op het beoogde terras, tevens entreeplein, daarbij niet buiten beschouwing. De raad stelt voorts dat alleen onderschikte horeca mogelijk is en dat de modeltuinen voornamelijk een publiek van volwassenen trekken. De geluidhinder afkomstig van het beoogde theehuis en terras, tevens entreeplein, zal volgens de raad derhalve beperkt zijn tot normaal stemgeluid. Ook heeft de raad in aanmerking genomen dat de modeltuinen in het centrum van Dedemsvaart liggen. Daarnaast stelt de raad dat kan worden aangesloten bij de richtafstand die in de VNG-brochure wordt aanbevolen voor conferentiecentra, musea, ateliers en restaurants. Aan die richtafstanden wordt volgens de raad voldaan nu de afstand van het bouwvlak voor het beoogde theehuis tot het perceel van [appellant sub 2] ongeveer 15 meter bedraagt en ongeveer 39 meter tot diens woning.

10.2. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit geldt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting op de gevel van gevoelige gebouwen voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode niet meer bedraagt dan in tabel 2.17a aangegeven waarden.

Ingevolge artikel 2.18, eerste lid, onder a, blijft buiten beschouwing bij het bepalen van de geluidsniveaus als bedoeld in artikel 2.17 het stemgeluid van personen op een onverwarmd en een onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein.

10.3. De kortste afstand tussen de woning van [appellant sub 2] en de Moerheimstraat 84 is 20 meter. In de bestaande situatie grenst het perceel van [appellant sub 2] over een lengte van ongeveer 50 meter aan de parkeerplaats bij de modeltuinen. Voorts grenst het perceel van [appellant sub 2] aan een beplant gedeelte van de Moerheimstraat 84. De bestaande entree naar de modeltuinen ligt ten westen van het parkeerterrein, op ruime afstand van het perceel van [appellant sub 2].

10.4. Volgens de VNG-brochure worden de daarin vermelde richtafstanden gemeten tussen de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan mogelijk is en de grens van de bestemming die bedrijven toelaat. In dat verband is van belang dat, zoals [appellant sub 2] stelt, het plan er niet aan in de weg staat dat het toegangspad en het terras, tevens entreeplein, direct grenzend aan zijn perceel kunnen worden gerealiseerd. In de VNG-brochure zijn conferentiecentra, musea, ateliers en restaurants aangemerkt als bedrijven van categorie 1, waarvoor vanwege het hinderaspect geluid een richtafstand van 10 meter wordt aanbevolen. Aan de gronden aan de [locatie] is blijkens de verbeelding de bestemming "Woongebied" toegekend. Ingevolge artikel 16, lid 16.2, van de planregels is een verbaal bouwvlak toegekend op 3 meter van de zijdelingse perceelgrens. Gelet hierop bedraagt de afstand tussen de bestemming "Groen-Park" die is toegekend aan de modeltuinen en de uiterste situering van de woning van [appellant sub 2] 3 meter. Daargelaten of de raad heeft kunnen aansluiten bij de in de VNG-brochure vermelde richtafstand voor conferentiecentra, musea, ateliers en restaurants, wordt daaraan niet voldaan.

Het is echter niet verplicht te voldoen aan de richtafstanden die worden aanbevolen in de VNG-brochure. De raad heeft in dit geval tevens op andere wijze gemotiveerd waarom het plan niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder voor [appellant sub 2]. Daarbij heeft de raad onder andere erop gewezen dat aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer zal moeten worden voldaan. De raad heeft evenwel niet onderzocht of aan deze normen zal kunnen worden voldaan. Gelet op de nabijheid van de mogelijk gemaakte ontwikkelingen tot het perceel van [appellant sub 2] had het in de rede gelegen dat de raad onderzoek had gedaan naar de naleefbaarheid van de geluidnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Gelet op het voorgaande heeft de raad niet toereikend gemotiveerd dat de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen niet zullen leiden tot onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van het perceel van [appellant sub 2] aan de [locatie].

Het betoog slaagt.

11. Volgens [appellant sub 2] is er geen zicht op een concrete aanvraag om de uitbreiding van de tuinmanswoning, de verplaatsing van de entree en het theehuis met terras te realiseren. Hij betwijfelt in dit verband of de stichting hiervoor de financiële middelen zal kunnen vinden.

11.1. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financieel-economische uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

11.2. De stichting heeft het college van burgemeester en wethouders bij brief van 21 augustus 2007 in verband met de door haar gewenste nieuwe voorzieningen een ondernemingsplan, een bouwplan en een kostenoverzicht doen toekomen. Volgens voormelde brief zijn de kosten van deze nieuwe voorzieningen geraamd op € 270.000, waarvan de stichting € 87.000 zelf kan dragen. Het resterende bedrag zal worden gedekt door subsidies, giften en bijdragen van overheden en fondsen, aldus de brief. Gelet op het vorenstaande geeft hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

Het betoog faalt.

Conclusie

12. De conclusie is dat het besluit van 20 november 2012 is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond.

13. Met het oog op een spoedige beëindiging van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van rechtsoverweging 10.4 het besluit alsnog toereikend te motiveren en zo nodig het besluit te wijzigen. In het laatste geval dient de wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

14. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Hardenberg op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

1. met inachtneming van overweging 13 het daar omschreven gebrek te herstellen en

2. de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Van Baaren

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

579-743.