Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1722

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
201211936/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Rijssen-Holten" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/402
JOM 2014/404
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211936/1/R1.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te [woonplaats],

2. de stichting Stichting Burger & Belangen Holten (hierna: stichting Holten), gevestigd te Holten, gemeente Rijssen-Holten,

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], en anderen,

4. [appellanten sub 4] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 4]), beide gevestigd te Rijssen-Holten,

5. [appellant sub 5], wonend te Almelo,

6. [appellant sub 6], wonend te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten,

en

de raad van de gemeente Rijssen-Holten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Rijssen-Holten" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1], stichting Holten, [appellant sub 3] en anderen, [appellante sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten sub 1], stichting Holten, [appellant sub 3] en anderen, [appellante sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2013, waar [appellanten sub 1], in de persoon van [appellante sub 1 A], stichting Holten, vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, en H.W. Rietberg, [appellant sub 3] en anderen, in de personen van [2 der appellanten], bijgestaan door mr. E.H.M. Harbers, advocaat te Nijmegen, [appellante sub 4], vertegenwoordigd door mr. C.D.C. Groos, advocaat te Alphen aan den Rijn, en [gemachtigde], [appellant sub 5], bijgestaan door mr. J.C. van Nie, advocaat te Almelo, [appellant sub 6], vertegenwoordigd door mr. A. van der Leest, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, [gemachtigde] en J. Bouwman, en de raad, vertegenwoordigd door C. van Bart, A. Brinkhuis-Kelder en W. Weis-Veen, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting door [appellant sub 6] nadere stukken ingebracht.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het bestemmingsplan

2. Het bestemmingsplan betreft een integrale herziening van verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied van de gemeente Rijssen-Holten en is overwegend conserverend van aard.

Ontvankelijkheid

Het beroep van [appellant sub 5]

3. Het beroep van [appellant sub 5], voor zover gericht tegen de plandelen met een agrarische bestemming, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

3.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dat luidde ten tijde van belang, in samenhang gelezen met artikel 6.13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door [appellant sub 5] gestelde omstandigheid dat de regelgeving op het gebied van de milieuwetgeving ingewikkeld van aard is en hij zich pas bij het instellen van beroep heeft gericht tot juridische bijstand. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Het beroep van stichting Holten

4. De raad voert aan dat het statutaire doel van stichting Holten dermate veelomvattend is, dat zij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij het bestemmingsplan.

4.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

4.2. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. In artikel 2 van de statuten van de stichting staat dat zij ten doel heeft het behartigen van belangen van burgers in de ruimste zin van het woord. Stichting Holten heeft ter zitting toegelicht dat haar feitelijke werkzaamheden territoriaal zijn beperkt tot het recreatieterrein "De Borkeld" binnen de gemeente Rijssen-Holten. Deze werkzaamheden betreffen onder meer het verstrekken van raad en advies aan inwoners van het recreatieterrein "De Borkeld" omtrent de brandveiligheid van het terrein, het participeren bij voorlichtings- en inspraakavonden, het optreden als woordvoerder van inwoners van het recreatieterrein "De Borkeld" en het participeren bij besluitvormingsprocedures. De Afdeling overweegt dat het hierbij ook gaat om werkzaamheden die los staan van juridische procedures of de voorbereiding daarvan. Gelet op de feitelijke, in territoriaal opzicht concreet begrensde, werkzaamheden van stichting Holten overweegt de Afdeling dat de stichting als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb bij het bestreden besluit dient te worden aangemerkt.

Inhoudelijke aspecten

Het beroep van stichting Holten

5. Stichting Holten betoogt dat op het recreatieterrein "De Borkeld" aan een aantal recreatiewoningen ten onrechte geen permanente woonbestemming is toegekend. Hiertoe voert zij aan dat deze recreatiewoningen op het terrein permanent worden bewoond en niet meer worden verhuurd. Volgens haar is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu aan andere gronden op het recreatieterrein wel een permanente woonbestemming is toegekend. Daarnaast kan het recreatieterrein volgens stichting Holten worden aangemerkt als een gebied dat voornamelijk voor bewoning wordt gebruikt. Het omzetten van een recreatiebestemming naar een woonbestemming is volgens stichting Holten niet in strijd met de Omgevingsvisie Overijssel 2009 (hierna: Omgevingsvisie), rijksbeleid of enig ander beleid. Daarnaast bevorderen permanente woonbestemmingen volgens haar het behoud van de groene omgeving.

5.1. De raad voert aan dat reeds in het voorgaande bestemmingsplan "De Borkeld, herziening 1990, partiële herziening 1999" aan een aantal gronden op het recreatieterrein "De Borkeld" een woonbestemming was toegekend. Deze gronden zijn in het thans voorliggende bestemmingsplan conserverend bestemd. Permanente bewoning van recreatiewoningen is op grond van de Omgevingsverordening Overijssel 2009 (hierna: de Omgevingsverordening) niet toegestaan en dient in bestemmingsplannen te worden uitgesloten. Een uitzondering op dit verbod kan alleen worden gemaakt als de recreatiewoning is gelegen aansluitend aan bestaand stads- of dorpsrandgebied, aldus de raad. Nu het recreatieterrein "De Borkeld" volgens de raad niet is gelegen aansluitend aan bestaand stads- of dorpsrandgebied, geldt de uitzondering op het verbod niet voor recreatiewoningen op het recreatieterrein "De Borkeld". De raad stelt daarnaast dat tegen de permanente bewoning van recreatiewoningen op het recreatieterrein handhavingstrajecten lopen. Daarnaast wenst de raad ter bevordering van de toeristische sector de recreatieve beleving en de kwaliteit van de groene omgeving ter plaatse te bevorderen, onder meer door het behoud van een duidelijk onderscheid tussen recreatiewoningen en reguliere woningen.

5.2. Aan nagenoeg het gehele recreatieterrein "De Borkeld" is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" toegekend. Aan een aantal gronden op het recreatieterrein "De Borkeld" is een woonbestemming toegekend.

Ingevolge artikel 19, lid 19.5.1, aanhef en onder e, van de planregels wordt tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan (lees: de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie") in ieder geval gerekend het gebruik, laten gebruiken of in gebruik geven van gronden en bouwwerken voor permanente bewoning.

Ingevolge artikel 1, lid 1.79, wordt onder recreatieve bewoning verstaan de bewoning die plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie.

Ingevolge lid 1.80 wordt onder recreatiewoning verstaan een gebouw dat periodiek dient voor recreatief (nacht)verblijf voor recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben.

5.3. Ingevolge artikel 2.12.3, eerste lid, van de Omgevingsverordening sluiten de regels van bestemmingsplannen permanente bewoning van recreatiewoningen en recreatieverblijven uit.

Ingevolge artikel 2.12.4, eerste lid, voorzien bestemmingsplannen niet in wijziging van geldende bestemmingsplannen waarbij aan een recreatiewoning die op enig moment als zodanig is gebouwd een woonbestemming wordt toegekend.

Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid aan recreatiewoningen een woonbestemming worden toegekend voor zover deze recreatiewoningen al vóór of op 31 oktober 2003 permanent bewoond werden en deze permanente bewoning sindsdien onafgebroken is voortgezet voor zover:

- voldaan wordt aan de eisen van het Bouwbesluit 2003 voor (bestaande) reguliere woningen;

- voldaan wordt aan relevante milieuwet- en regelgeving;

- de recreatiewoningen in stads- en dorpsrandgebieden staan voor zover het niet gaat om gebieden die zijn aangewezen als ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) en Nationaal Landschap.

5.4. Niet in geschil is dat aan de gronden ter plaatse van de door stichting Holten bedoelde recreatiewoningen in het voorgaande bestemmingsplan "De Borkeld, herziening 1990, partiële herziening 1999" de bestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden" was toegekend. Een uitzondering op het in artikel 2.12.4, eerste lid, van de Omgevingsverordening neergelegde uitgangspunt is ingevolge het tweede lid alleen toegestaan indien een recreatiewoning al vanaf 31 oktober 2003 onafgebroken permanent wordt bewoond en voor zover deze is gelegen in een stads- of dorpsrandgebied, voor zover het niet gaat om gebieden die zijn aangewezen als EHS en Nationaal landschap. Het recreatieterrein "De Borkeld" is gelegen op een afstand van ongeveer 900 m van de rand van het dorpsgebied van Holten. De gronden gelegen tussen de rand van het dorpsgebied en het recreatieterrein "De Borkeld" worden overwegend omgeven door gronden met de bestemming "Bos" en de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap". Gelet op het voorgaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het recreatieterrein "De Borkeld" niet is gelegen in een stads- of dorpsrandgebied. Voor zover stichting Holten aanvoert dat uit een rapport van de stichting Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening uit 1994 volgt dat het gebied toen grotendeels voor woondoeleinden werd gebruikt, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, daaruit niet volgt dat het gebied ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan had moeten worden aangemerkt als een stads- of dorpsrandgebied.

5.5. Nu niet wordt voldaan aan de voorwaarde in artikel 2.12.4, tweede lid, van de Omgevingsverordening dat de recreatiewoningen in een stads- of dorpsrandgebied zijn gelegen heeft de raad zich reeds hierom terecht op het standpunt gesteld dat de Omgevingsverordening zich verzet tegen het toekennen van een woonbestemming aan de door stichting Holten bedoelde recreatiewoningen op het recreatieterrein "De Borkeld". Over de door stichting Holten gemaakte vergelijking met andere gronden op het recreatieterrein "De Borkeld" waaraan wel een woonbestemming is toegekend wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situaties omdat aan deze gronden in het voorgaande bestemmingsplan "De Borkeld, herziening 1990, partiële herziening 1999" reeds een woonbestemming was toegekend en dat deze in het thans voorliggende bestemmingsplan conserverend zijn bestemd. In hetgeen stichting Holten heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door stichting Holten genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

5.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van stichting Holten ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 1]

6. [appellanten sub 1] betogen dat de raad hun zienswijze ten onrechte buiten behandeling heeft gelaten.

6.1. In het bestreden besluit heeft de raad de zienswijze van [appellanten sub 1], welke betrekking had op het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" voor het perceel kadastraal bekend gemeente Rijssen-Holten, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel [...]), de plandelen met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" voor de percelen [locatie 1 en 2] en het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" voor het recreatieterrein "De Holter Weide", aan de [locatie 3], buiten behandeling gelaten.

6.2. De terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan heeft plaatsgevonden op 31 januari 2012. De zienswijzetermijn is derhalve begonnen op 31 januari 2012 en geëindigd op 12 maart 2012.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge het tweede lid is bij verzending per post een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

6.3. Voornoemde zienswijze van [appellanten sub 1], gedateerd 10 maart 2012, is op 14 maart 2012 bij de gemeente ingekomen.

6.4. De Afdeling hanteert als uitgangspunt (vergelijk de uitspraak van 17 augustus 2011 in zaak nr. 201011168/1/H3) dat een via PostNL verzonden poststuk in ieder geval wordt geacht tijdig ter post te zijn bezorgd als het de eerste of tweede werkdag na de laatste dag van de zienswijzetermijn is ontvangen, tenzij op grond van de vaststaande feiten aannemelijk is dat het later dan de laatste dag van de termijn ter post is bezorgd. Niet in geschil is dat de zienswijze van [appellanten sub 1] via PostNL is verzonden. Nu de zienswijze blijkens de stempel van binnenkomst van de gemeente op woensdag 14 maart 2012, de tweede werkdag na de laatste dag van de zienswijzetermijn, bij de gemeente is ingekomen en niet is gebleken van feiten op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de zienswijze later dan de laatste dag van de zienswijzetermijn ter post is bezorgd, wordt de zienswijze, gelet op het vorenstaande, geacht tijdig ter post te zijn bezorgd. Het beroep van [appellanten sub 1] is dan ook ontvankelijk.

6.5. Gelet op het voorgaande is de raad ten onrechte niet ingegaan op de door [appellanten sub 1] ingediende zienswijze, zodat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellanten sub 1] is gegrond. Het bestreden besluit dient wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" voor het perceel [...], de plandelen met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" voor de percelen [locatie 1 en 2] en het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" voor het recreatieterrein "De Holter Weide", aan de [locatie 3], wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

7. Nu de raad in het verweerschrift alsnog is ingegaan op de zienswijze van [appellanten sub 1], ziet de Afdeling aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" voor het perceel [...], de plandelen voor de percelen [locatie 1 en 2] en het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" voor het recreatieterrein "De Holter Weide" zijn vernietigd, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen blijven.

8. [appellanten sub 1] betogen dat aan hun perceel [...] ten onrechte de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" is toegekend. Hiertoe voeren zij aan dat het perceel [...] bij de waardevaststelling van hun recreatiewoning op het perceel [locatie 1] in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ-waarde) wordt betrokken. Zij wensen dan ook de voortzetting van de recreatieve bestemming die in het voorgaande bestemmingsplan "Recreatieterrein de Prins" aan het perceel [...] was toegekend. Daarbij behoeft volgens hen niet te worden voorzien in een bouwvlak.

8.1. De raad voert aan dat in het voorgaande bestemmingsplan "Recreatieterrein de Prins", in tegenstelling tot hetgeen [appellanten sub 1] stellen, aan het perceel [...] de bestemming "Agrarisch gebied van landschappelijke waarden" was toegekend. Nu niet is gebleken van concrete plannen ten behoeve van het perceel heeft de raad het perceel in het bestemmingsplan conserverend bestemd. Het feitelijk gebruik van het perceel komt overeen met de aan het perceel toegekende bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap", aldus de raad.

8.2. De Afdeling stelt vast dat aan het perceel [...] in het voorgaande bestemmingsplan "Recreatieterrein de Prins" de bestemming "Agrarisch gebied van landschappelijke waarden" was toegekend. De stelling van [appellanten sub 1] dat aan dit plandeel in het voorgaande bestemmingsplan "Recreatieterrein de Prins" een recreatiebestemming was toegekend, is dan ook onjuist.

8.3. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad bij de toekenning van bestemmingen het uitgangspunt gehanteerd om de gronden in beginsel overeenkomstig het bestaande gebruik ervan te bestemmen. [appellanten sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het bestaande gebruik van het perceel [...] niet overeenkomt met de daaraan toegekende bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap". Overeenkomstig zijn uitgangspunt heeft de raad de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" aan het perceel toegekend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 2 maart 2011 in zaak nr. 201003586/1/R3) is de waardevaststelling in het kader van de Wet WOZ niet relevant bij het vaststellen van een bestemming in een bestemmingsplan in het belang van een goede ruimtelijke ordening. Niet gebleken is dat [appellanten sub 1] concrete plannen hebben om de gronden voor doeleinden die niet reeds zijn toegelaten onder de toegekende bestemming te gebruiken. Gelet op het vorenstaande heeft de raad in redelijkheid de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" aan het perceel [...] kunnen toekennen. Het betoog faalt.

9. [appellanten sub 1] betogen dat de bouwmogelijkheden voor de percelen [locatie 1 en 2] op het recreatieterrein "De Holter Weide" onevenredig zijn beperkt ten opzichte van de bouwmogelijkheden onder het voorgaande bestemmingsplan "Recreatieterrein de Prins". Voorts is volgens hen, vanwege het ontbreken van bouwvlakken ter plaatse van de bestaande recreatiewoningen, onduidelijk in hoeverre bestaande recreatiewoningen kunnen worden uitgebreid. De uitbreiding van een recreatiewoning op het terrein kan daarnaast leiden tot een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden van omliggende recreatiewoningen, hetgeen volgens hen rechtsongelijkheid met zich brengt.

9.1. Nu het bestemmingsplan een harmonisering betreft van verschillende oude bestemmingsplannen, heeft de raad gekozen voor een uniforme wijze van bestemmen. De raad geeft daarbij aan te hebben gekozen voor een wijze van bestemmen die zorgt voor een ruime opzet van het recreatieterrein waarmee de ruimtelijke kwaliteit van het gebied behouden blijft.

9.2. Aan de gronden ter plaatse van het recreatieterrein "De Holter Weide", alsmede de percelen [locatie 1 en 2], is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" toegekend. Aan de percelen [locatie 1 en 2] is eveneens de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - 2" toegekend.

Ingevolge artikel 19, lid 19.1, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor:

a. recreatief verblijf in recreatiewoningen, stacaravans, trekkershutten en kampeermiddelen met inachtneming van het bepaalde in lid 19.2.1;

[…]

c. het behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarde;

[…]

Ingevolge lid 19.2 mogen op de tot "Recreatie - Verblijfsrecreatie" bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming.

Ingevolge lid 19.3 geldt voor alle gebouwen dat deze dienen te worden gebouwd met inachtneming van het bepaalde in artikel 41, lid 41.1, met dien verstande dat:

[…]

b. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - 2" de volgende regels van toepassing zijn:

[...]

2. Het aantal recreatiewoningen mag niet meer bedragen dan 65, waarvan 30 recreatiewoningen aaneen gebouwd;

[…]

Ingevolge lid 19.2.5 gelden voor een recreatiewoning de volgende regels:

[…]

b. de goothoogte van een recreatiewoning mag niet meer dan 2,5 m bedragen;

c. de bouwhoogte van een recreatiewoning mag niet meer dan 5,5 m bedragen;

[…]

g. de inhoud van een recreatiewoning en bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 300 m³ bedragen, met dien verstande dat onderkeldering niet is toegestaan en dat overkappingen al dan niet aangebouwd en bijbehorende bouwwerken al dan niet aangebouwd, meetellen voor de inhoudsbepaling van de recreatiewoning;

[…]

k. de afstand tussen de recreatiewoning en een andere recreatiewoning of een ander gebouw dient minimaal 15 m te bedragen, met dien verstande dat deze afstandsbepaling niet geldt voor bestaande geschakelde recreatiewoningen aan de geschakelde zijde;

l. de afstand van de recreatiewoning tot de perceelgrens bedraagt niet minder dan 5 m, met dien verstande dat deze afstandsbepaling niet geldt voor bestaande geschakelde recreatiewoningen aan de geschakelde zijde;

[…].

Ingevolge artikel 41, lid 41.1, dient bij de bouw van gebouwen op gronden grenzend aan een verkeersbestemming bij de bestemming "Verkeer - Onverhard", onverminderd het bepaalde in de overige artikelen van de planregels, minimaal 10 m uit de as van de meest nabijgelegen rijbaan van de op de verbeelding nader onderscheiden wegen in acht te worden genomen.

9.3. De Afdeling overweegt dat de vraag of een bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, per geval aan de hand van de zich voordoende feiten en omstandigheden dient te worden beoordeeld. Vaststaat dat, in tegenstelling tot in het voorgaande bestemmingsplan "Recreatieterrein de Prins", aan de percelen geen aparte bouwvlakken zijn toegekend. Voor het recreatieterrein "De Holter Weide" is een maximum gesteld aan het aantal toegestane recreatiewoningen. Voorts mag de inhoud van een recreatiewoning en de bijbehorende bouwwerken maximaal 300 m³ bedragen. De raad heeft met deze gewijzigde plansystematiek willen voorzien in flexibiliteit ten behoeve van de inrichting van het recreatieterrein. De raad heeft in dit geval gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat door deze plansystematiek enige flexibiliteit wordt geboden bij de inrichting van het recreatieterrein "De Holter Weide". [appellanten sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de gekozen plansystematiek leidt tot rechtsonzekerheid. De omstandigheid dat naast artikel 19 van de planregels ook andere planregels moeten worden geraadpleegd teneinde het planologische regime voor een perceel te kunnen vaststellen, doet daar niet aan af. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de gewijzigde plansystematiek rechtsonzeker is.

9.4. Niet in geschil is dat de gewijzigde plansystematiek tot een beperking van de bouwmogelijkheden van de recreatiewoningen van [appellanten sub 1] kan leiden, onder meer omdat de uitbreiding van een bepaalde recreatiewoning op het recreatieterrein de uitbreidingsmogelijkheden van een andere naastgelegen recreatiewoning kan beperken. [appellanten sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze mogelijke beperking van de uitbreidingsmogelijkheden van de recreatiewoningen op hun percelen [locatie 1 en 2] zodanig is dat de raad hierdoor niet in redelijkheid toepassing heeft kunnen geven aan de gewijzigde plansystematiek. De minimale afstand van 15 m die moet worden aangehouden tussen verschillende recreatiewoningen op het recreatieterrein acht de Afdeling niet onredelijk. Evenmin zijn de minimale afstanden die moeten worden aangehouden tussen een recreatiewoning enerzijds en de perceelgrens of een nabijgelegen onverhard pad anderzijds onredelijk. Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad ter zitting onweersproken heeft gesteld dat voor de recreatiewoningen op de percelen [locatie 1 en 2] nog steeds uitbreidingsmogelijkheden bestaan. Verder is niet gebleken van concrete uitbreidingsplannen van [appellanten sub 1], waarmee de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening had moeten houden. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de gewijzigde plansystematiek leidt tot een onevenredige beperking van de uitbreidingsmogelijkheden voor de recreatiewoningen op de percelen [locatie 1 en 2]. Het betoog van [appellanten sub 1] faalt.

10. [appellanten sub 1] betogen dat de recreatiewoningen op het recreatieterrein "De Holter Weide" veelal worden verhuurd aan buitenlandse werknemers. In de planregels zijn ten onrechte geen regels opgenomen op grond waarvan tegen permanente bewoning dan wel niet-recreatief gebruik van deze recreatiewoningen handhavend kan worden opgetreden.

10.1. De raad betoogt dat ingevolge artikel 19, lid 19.5.1, onder e, van de planregels de permanente bewoning van een recreatiewoning binnen de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" niet is toegestaan.

10.2. Ingevolge artikel 19, lid 19.5.1, aanhef en onder e, van de planregels wordt tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan (lees: de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie") in ieder geval gerekend het gebruik, laten gebruiken of in gebruik geven van de gronden en bouwwerken voor permanente bewoning.

Ingevolge artikel 1, lid 1.79, wordt onder recreatieve bewoning verstaan de bewoning die plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie.

Ingevolge lid 1.80 wordt onder recreatiewoning verstaan een gebouw dat periodiek dient voor recreatief (nacht)verblijf voor recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben.

10.3. De Afdeling overweegt dat ingevolge artikel 19, lid 19.5.1, aanhef en onder 2, de recreatiewoningen op het recreatieterrein "De Holter Weide" met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" alleen mogen worden gebruikt voor recreatieve doeleinden. Voor zover deze recreatiewoningen niet voor recreatieve doeleinden worden gebruikt, overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving betreft die in de onderhavige procedure niet aan de orde kan komen. Het betoog van [appellanten sub 1] faalt.

11. Gelet op 8.2, 8.3, 9.3, 9.4 en 10.3 ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" voor het perceel [...], de plandelen met de bestemming "Recreatie -Verblijfsrecreatie" voor de percelen [locatie 1 en 2] en het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" voor het recreatieterrein "De Holter Weide", in stand te laten.

Het beroep van [appellant sub 5]

12. [appellant sub 5] betoogt dat op het plandeel met de bestemming "Bos" wat betreft de percelen kadastraal bekend gemeente Rijssen-Holten, sectie […], nummers […], […], […] en […] (hierna: de percelen), gelet op zijn bestaande rechten, ten onrechte niet is voorzien in de mogelijkheid tot de realisering van een recreatiewoning. Hiertoe voert hij aan dat op de percelen altijd een zomerhuis heeft gestaan, totdat dit omstreeks 1989, zonder medeweten van de eigenaar van de percelen, onrechtmatig is verwijderd. Het zomerhuis is destijds ten onrechte onder het overgangsrecht van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Rijssen 1984" gebracht. Verder betoogt hij dat de bestaande recreatiewoningen in de nabije omgeving wel als zodanig zijn bestemd.

12.1. De raad voert aan dat het bouwwerk in het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Rijssen 1984" niet als zodanig was bestemd, zodat het destijds onder het overgangsrecht is gebracht. Het bezwaar dat het bouwwerk in het voorgaande bestemmingsplan niet als zodanig was bestemd had volgens de raad moeten worden aangevoerd in de procedure voor het bestemmingsplan "Buitengebied Rijssen 1984". Het voorzien in een nieuwe recreatiewoning ter plaatse is volgens de raad in strijd met de Omgevingsverordening.

12.2. Aan de percelen is in het voorliggende bestemmingsplan de bestemming "Bos" toegekend.

Ingevolge artikel 9, lid 9.1, van de planregels zijn de voor "Bos" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bos en/of dichte beplantingsstroken;

b. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden;

[…]

h. veldschuren welke op het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan reeds aanwezig waren of met vergunning gebouwd kunnen worden;

[…]

k. voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, zoals wandel-, fiets- en ruiterpaden;

[…]

met daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerken zijnde.

12.3. Aan de percelen was in het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Rijssen 1984" de bestemming "Bos" toegekend.

Ingevolge artikel 9 van de planvoorschriften mochten op de gronden met de bestemming "Bos" uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd, zoals terreinomheiningen, verwijsborden, banken en picknicksets met een maximale hoogte van 2 m […].

12.4. Ingevolge artikel 2.12.2, eerste lid, van de Omgevingsverordening voorzien bestemmingsplannen en projectbesluiten uitsluitend in de bouw van nieuwe recreatiewoningen indien en voor zover het betreft:

a. de nieuwbouw van een complex van recreatiewoningen waarvan het recreatieve gebruik door middel van een op verhuur gerichte bedrijfsmatige exploitatie is verzekerd en tevens sprake is van een innovatief concept dan wel een kwaliteitsimpuls van bestaande recreatieterreinen waarvan de bouw van nieuwe recreatiewoningen onderdeel uitmaakt;

b. de locaties voor verblijfsrecreatie die als zodanig zijn aangegeven op kaart Recreatie nr. 09295051, waarbij geldt dat op locaties aangeduid met * alleen kleinschalige complexen zijn toegestaan, mits door middel van een op verhuur gerichte bedrijfsmatige exploitatie verzekerd is dat sprake zal zijn van recreatief gebruik.

Ingevolge het tweede lid is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing op recreatiewoningen die worden gerealiseerd in het kader van de kwaliteitsimpuls Groene omgeving, voor zover deze recreatiewoningen voldoen aan de eis van op de verhuur gerichte, bedrijfsmatige exploitatie.

12.5. De Afdeling stelt voorop dat het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Rijssen 1984" in rechte onaantastbaar is en in de onderhavige procedure niet ter beoordeling staat. Vaststaat dat het door [appellant sub 5] bedoelde bouwwerk op de percelen in het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Rijssen 1984" niet als zodanig was bestemd. Niet in geschil is dat sinds ongeveer 1989 het door [appellant sub 5] bedoelde bouwwerk niet meer bestaat. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het voorzien van een nieuwe recreatiewoning op de voormelde percelen in strijd is met artikel 2.12.2 van de Omgevingsverordening.

Over de door [appellant sub 5] gemaakte vergelijking met andere recreatiewoningen in de nabije omgeving die wel als zodanig zijn bestemd wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat deze reeds in het voorgaande bestemmingsplan als zodanig waren bestemd. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 5] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

12.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 5], voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3] en anderen

13. [appellant sub 3] en anderen betogen dat ten onrechte persoonsgebonden overgangsrecht is opgenomen voor het gebruik voor woondoeleinden van een gebouw op het perceel [locatie 4] dat oorspronkelijk was gebouwd als atelier. Hiertoe voeren zij allereerst aan dat het verbod zoals opgenomen in artikel 28, lid 28.2.2, aanhef en onder a, van de planregels een bouwregel betreft voor de toekomstige bouw van woningen en derhalve niet ziet op het atelier dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan reeds op het perceel stond en als woning in gebruik was genomen. Indien wordt geoordeeld dat het gebruik van het atelier als woning in strijd is met het bestemmingsplan, betogen [appellant sub 3] en anderen dat het atelier reeds vóór de peildatum voor het gebruiksovergangsrecht van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Holten 1992" voor woondoeleinden werd gebruikt. Ter onderbouwing van hun betoog verwijzen zij onder meer naar een taxatierapport van het landhuis aan de [locatie 5] van 18 februari 1976, waarin staat dat een recht van overgang moet worden gevestigd voor het achtergelegen woonhuis op de gronden die thans worden aangeduid als het perceel [locatie 4]. Gelet hierop mocht het gebruik van het atelier als woning op het perceel [locatie 4] volgens hen worden voortgezet. Het gebruik van het atelier als woning was in het ontwerpplan onder het algemene gebruiksovergangsrecht gebracht, hetgeen in het onderhavige geval voor hen gunstiger is. De raad heeft volgens hen onvoldoende gemotiveerd waarom het gebruik van het atelier als woning op het perceel [locatie 4] alsnog onder het persoonsgebonden overgangsrecht is gebracht.

13.1. De raad voert aan dat het atelier op het perceel [locatie 4] in strijd met het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Holten 1992" in gebruik is genomen als woning. In dit verband wijst de raad op een brief van 28 maart 1973 waarin de toenmalige eigenaar van de percelen te kennen geeft dat het atelier op het perceel [locatie 4] niet voor woondoeleinden zal worden gebruikt.

De percelen [locatie 4 en 5] zijn gelegen in hetzelfde bestemmingsvlak. Binnen een bestemmingsvlak was in het voorgaande bestemmingsplan slechts één woning toegestaan. De woning op het perceel [locatie 5] was volgens de raad als eerste woning binnen het bestemmingsvlak aanwezig. Het gemeentebestuur heeft het volgens de raad, gelet op de leeftijd van de bewoners, onwenselijk geacht om tegen het illegale gebruik van het atelier als tweede woning binnen een bestemmingsvlak handhavend op te treden. De raad wenst het gebruik van het pand op het perceel [locatie 4] als tweede woning te beëindigen, omdat het als zodanig bestemmen gepaard gaat met ruimere bouwmogelijkheden, terwijl de raad verstening van het buitengebied wenst tegen te gaan. Derhalve is het gebruik van het atelier op het perceel [locatie 4] als tweede woning binnen een bestemmingsvlak onder persoonsgebonden overgangsrecht gebracht.

13.2. Ingevolge artikel 3.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) kan, indien toepassing van het overeenkomstig artikel 3.2.2 van het Bro in het plan opgenomen overgangsrecht gebruik zou kunnen leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan gronden en opstallen gebruikten in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan, de gemeenteraad met het oog op beëindiging op termijn van die met het bestemmingsplan strijdige situatie, in het plan persoonsgebonden overgangsrecht opnemen.

13.3. Aan de percelen [locatie 4 en 5] is de bestemming "Wonen" toegekend. De percelen zijn gelegen in hetzelfde bestemmingsvlak "Wonen".

Ingevolge artikel 28, lid 28.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de als "Wonen" bestemde gronden bestemd voor wonen in woonhuizen.

Ingevolge lid 28.2.2 gelden voor hoofdgebouwen in casu woonhuizen de volgende regels:

a. per bestemmingsvlak mag niet meer dan één woonhuis worden gebouwd, met dien verstande dat:

1. ter plaatse van de aanduiding "aantal", het aantal woonhuizen niet meer mag bedragen dan het op de verbeelding aangegeven aantal;

[…].

Ingevolge lid 28.5.1, aanhef en onder h, wordt tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan (lees: de bestemming "Wonen") in ieder geval gerekend het gebruik, laten gebruiken of in gebruik geven van de gronden en bouwwerken voor meer dan één, al dan niet afhankelijk, huishouden.

Ingevolge lid 28.5.2, aanhef en onder a, is het in lid 28.5.1 vervatte verbod niet van toepassing met betrekking tot lid 28.5.2, onder h, voor het volgende adres zolang een persoonsgebonden overgangsrecht geldt: [locatie 4] Holten.

Ingevolge artikel 1, lid 1.16, wordt onder bestaande situatie ten aanzien van gebruik verstaan: het legaal gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

Ingevolge lid 1.100 wordt onder woning verstaan het complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvestiging van één huishouden.

13.4. Ingevolge artikel 48, lid 48.1, van de planregels mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet, […].

Ingevolge lid 48.2 is het verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

Ingevolge lid 48.3 is het, indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Ingevolge lid 48.4 is het eerste lid niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

13.5. Aan de percelen [locatie 4 en 5] was onder het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Holten 1992" de bestemming "Woondoeleinden" toegekend. De percelen waren in hetzelfde bestemmingsvlak "Woondoeleinden" gelegen.

Ingevolge artikel 9, onderdeel a, van de planvoorschriften waren de gronden op de plankaart aangewezen voor "Woondoeleinden" bestemd voor woningen […] met daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken, tuinen en erven en met dien verstande dat per bestemmingsvlak ten hoogste één woning was toegestaan, tenzij anders op de kaart was aangegeven.

Ingevolge artikel 32, onder a, was het verboden gronden of opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 32, onder b, mocht het gebruik van gronden en opstallen strijdig met het plan op het tijdstip van het van rechtskracht worden daarvan, worden gehandhaafd.

13.6. Gezien het betoog van [appellant sub 3] en anderen moet in de eerste plaats de vraag worden beantwoord of het gebruik van het atelier op het perceel [locatie 4] als woning in strijd is met artikel 28, lid 28.2.2, aanhef en onder a, van de planregels. De Afdeling volgt het betoog van [appellant sub 3] en anderen dat het in artikel 28, lid 28.2.2, aanhef en onder a, van de planregels opgenomen verbod alleen ziet op de toekomstige bouw van woningen, niet. Hiertoe overweegt de Afdeling het volgende. Vaststaat dat de gronden aan de [locatie 4 en 5] zijn gelegen in hetzelfde bestemmingsvlak "Wonen". Niet in geschil is dat de woning op het perceel [locatie 5] eerder als woning in gebruik is genomen dan het atelier op het perceel [locatie 4]. Ingevolge artikel 28, lid 28.2.2, aanhef en onder a, sub 1, van de planregels mag per bestemmingsvlak niet meer dan één woonhuis worden gebouwd met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "aantal", het aantal woonhuizen niet meer mag bedragen dan het op de verbeelding aangegeven aantal. Nu aan de percelen [locatie 4 en 5] niet de aanduiding "aantal" is toegekend, is, gelet op de plansystematiek, ingevolge lid 28.2.2, aanhef en onder a, sub 1, van de planregels op de percelen [locatie 4 en 5] slechts één woning toegestaan. Gelet hierop is het gebruik van het atelier op het perceel [locatie 4] als woning, als bedoeld in artikel 1, lid 1.100, van de planregels, in strijd met de bestemming "Wonen".

13.7. Niet in geschil is dat het atelier op het perceel [locatie 4] is gebouwd en uitgebreid met daartoe verleende bouwvergunningen. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat niet valt uit te sluiten dat het atelier reeds sinds ongeveer 1976 als woning wordt gebruikt. Gelet hierop en gelet op het taxatierapport van 18 februari 1976 bestaat aanleiding om aan te nemen dat het atelier op het perceel [locatie 4] sinds ongeveer 1976 als woning wordt gebruikt. Niet in geschil is dat het gebruik van het atelier voor woondoeleinden in strijd was met het bestemmingsplan dat gold voor het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Holten 1992" en dat voor het gebruik van het atelier als woning nooit toestemming van het gemeentebestuur is verkregen. Het gebruik van het atelier als woning viel derhalve, gelet op artikel 32, onder b, van de planvoorschriften van het voorgaande bestemmingsplan onder het gebruiksovergangsrecht van dat bestemmingsplan, omdat gebruik dat niet in overeenstemming was met het daarvoor geldende plan niet van de bescherming van dat gebruiksovergangsrecht was uitgezonderd.

13.8. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat het vanuit ruimtelijk oogpunt onwenselijk is het gebruik van het atelier als woning als zodanig te bestemmen, niet onredelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad verstening van het buitengebied wenst tegen te gaan en het als zodanig bestemmen van het gebruik van het atelier als tweede woning in één bestemmingsvlak gepaard zou gaan met ruimere bouwmogelijkheden, hetgeen zou kunnen leiden tot grotere bouwvolumes en meer bijgebouwen. In het onderhavige geval is niet in geschil dat persoonsgebonden gebruiksovergangsrecht meer beperkingen met zich brengt dan wanneer het gebruik van het atelier als woning voor een tweede keer onder het algemene gebruiksovergangsrecht zou zijn gebracht. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 22 augustus 2012 in zaak nr. 201101467/1/R2 heeft overwogen, kan het opnieuw onder het algemene overgangsrecht brengen van gebruik onder omstandigheden aanvaardbaar zijn. Hiervoor is in gevallen als de onderhavige in ieder geval vereist dat de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat het bestaande gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [appellant sub 3] en anderen niet voornemens zijn het gebruik van het atelier als woning te beëindigen. Gelet hierop en nu de raad niet te kennen heeft gegeven het perceel te willen verwerven of onteigenen, is niet aannemelijk dat het gebruik van het atelier als woning binnen de planperiode zal worden beëindigd. Gelet hierop heeft de raad het gebruik terecht niet opnieuw onder het algemene overgangsrecht gebracht. Het betoog van [appellant sub 3] en anderen faalt in zoverre.

13.9. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 3] en anderen verder aldus dat de raad volgens hen in overweging had moeten nemen of in het voorliggende geval een zogenoemde uitsterfregeling had kunnen worden opgenomen ten behoeve van het gebruik van het atelier op perceel [locatie 4] als woning in plaats van persoonsgebonden overgangsrecht. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 22 augustus 2012 in zaak nr. 201101467/1/R2 had het op de weg van de raad gelegen om te overwegen of in het voorliggende plan voor het onderhavige geval een uitsterfregeling had kunnen worden opgenomen in plaats van persoonsgebonden gebruiksovergangsrecht. Een dergelijke uitsterfregeling kan bijvoorbeeld inhouden dat het atelier als zodanig wordt bestemd met de daarbij behorende bouwregels en dat in afwijking van het gebruiksverbod zoals vervat in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht het atelier mag worden bewoond zolang dat gebruik wordt voortgezet. Dit betekent dat op het moment dat het gebruik van het atelier als woning eindigt, dit gebruik hierna niet langer is toegestaan. Voorts brengt deze regeling met zich dat niet mag worden gebouwd ten behoeve van de woonfunctie. Een dergelijke uitsterfregeling is niet persoonsgebonden en biedt meer rechtszekerheid. Nu de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt of in het onderhavige geval in het plan een uitsterfregeling had kunnen worden opgenomen, berust het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het betoog van [appellant sub 3] en anderen slaagt in zoverre.

13.10. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] en anderen gegrond. Het bestreden besluit dient wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 4] wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 4]

14. Het beroep van [appellante sub 4] is gericht tegen de plandelen voor de percelen kadastraal bekend gemeente Rijssen-Holten, sectie […], nummers […], […], […], […], […] en […] aan de [locatie 6] en het daartegenover gelegen perceel kadastraal bekend gemeente Rijssen-Holten, sectie […], nummer […]. [appellante sub 4] exploiteert op voormelde percelen een boomkwekerij. Zij betoogt dat haar boomkwekerij op voormelde percelen ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Hiertoe voert zij allereerst aan dat in de artikelen 3, lid 3.1, aanhef en onder d, en 5, lid 5.1, aanhef en onder e, van de planregels voor de percelen […] en […], respectievelijk perceel […], ten onrechte het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan als peildatum wordt gehanteerd voor het vaststellen van het bestaand gebruik van (boom)kwekerijen in plaats van het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Dit is volgens haar in strijd met artikel 3.2.2 van het Bro. Ook door de toekenning van de aanduiding "sierteelt" aan het perceel N66 is de boomkwekerij, zoals deze op dat perceel wordt geëxploiteerd, niet als zodanig bestemd.

14.1. De raad voert aan dat hij de boomkwekerij die door [appellante sub 4] wordt geëxploiteerd op de binnen het plangebied gelegen percelen als zodanig heeft bestemd en niet onder het overgangsrecht heeft gebracht. Ook de activiteiten op het perceel [...] stelt de raad onder meer met de aanduiding "sierteelt" als zodanig te hebben bestemd. Artikel 1, lid 1.84, van de planregels bevat volgens de raad geen limitatieve opsomming van de activiteiten die kunnen worden aangemerkt als "sierteelt".

14.2. Ingevolge artikel 3.2.2 van het Bro worden behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van een bestemmingsplan bestaand gebruik, in een bestemmingsplan de volgende regels van overgangsrecht ten aanzien van gebruik opgenomen:

Overgangsrecht gebruik

1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

14.3. Aan de percelen kadastraal bekend gemeente Rijssen-Holten, sectie […], nummers […] en […], is de bestemming "Agrarisch" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor (boom)kwekerijen, hout- en fruitteelt zoals deze bestonden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan.

14.4. Aan het perceel kadastraal bekend gemeente Rijssen-Holten, sectie […], nummer […] is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" toegekend met onder meer de aanduiding "sierteelt".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschap" aangewezen gronden bestemd voor:

[…]

e. (boom)kwekerijen, hout- en fruitteelt zoals deze bestonden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan;

[…]

i. ter plaatse van de aanduiding "sierteelt" is de teelt van bloemkwekerijgewassen toegestaan;

[…]

Ingevolge artikel 1, lid 1.84, wordt onder sierteelt verstaan de teelt van bloemkwekerijgewassen, zoals snijbloemen, vaste planten en pot- en perkplanten, met behulp van kassen al dan niet gecombineerd met aan de teeltactiviteiten ondergeschikte handel, niet zijnde detailhandel, op het betrokken bouwperceel geproduceerde gewassen.

14.5. De Afdeling overweegt dat met de toevoeging van de zinsnede "zoals deze bestonden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan" in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder d, en artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder e, van de planregels het gebruik van voormelde percelen als boomkwekerij zoals dat was ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan als zodanig is bestemd. Voor zover tussen het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan en het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan wijzigingen in het gebruik hebben plaatsgevonden, valt dit gewijzigde gebruik, voor zover dat niet op een andere wijze als zodanig is bestemd, onder de algemene gebruiksovergangsregeling van het bestemmingsplan, zoals neergelegd in artikel 48 van de planregels. Het gebruik van de gronden en bouwwerken zoals dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is mag ingevolge artikel 48, lid 48.1, van de planregels worden voortgezet, met dien verstande dat dit ingevolge lid 48.3 niet geldt voor het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Artikel 48 van de planregels komt overeen met artikel 3.2.2 van het Bro. Gelet op het voorgaande bestaat in hetgeen [appellante sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder d, respectievelijk artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder e, van de planregels in strijd met artikel 3.2.2 van het Bro is vastgesteld. Het betoog van [appellante sub 4] faalt.

14.6. Voor zover [appellante sub 4] betoogt dat zij onevenredig wordt benadeeld in haar bedrijfsvoering nu ten aanzien van het perceel [...] het moment van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan als peildatum wordt gehanteerd voor het vaststellen van het bestaand gebruik, overweegt de Afdeling het volgende. Ter zitting heeft [appellante sub 4] te kennen gegeven dat tussen het moment van de terinzagelegging van het ontwerpplan en het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan op het perceel [...] geen wijzigingen in het gebruik van dat perceel als boomkwekerij hebben plaatsgevonden. Gelet hierop bestaat in hetgeen [appellante sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor het perceel [...] bij de keuze van een peildatum voor het bestaand gebruik van de boomkwekerij niet in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van het moment van de terinzagelegging van het ontwerpplan. Het betoog faalt in zoverre.

14.7. Voor zover [appellante sub 4] ter zitting heeft betoogd dat tussen het moment van de terinzagelegging van het ontwerpplan en het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan op de percelen […] en […] wijzigingen in het gebruik ten behoeve van de boomkwekerij hebben plaatsgevonden die vanwege de in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder d, van de planregels gekozen peildatum voor bestaand gebruik nu ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd, overweegt de Afdeling het volgende. Niet in geschil is dat ten tijde van de terinzagelegging van het plan op de percelen […] en […] geen volwaardige boomkwekerij werd geëxploiteerd. In het ontwerpplan was op de percelen […] en […] met de bestemming "Agrarisch" niet bij recht voorzien in de exploitatie van een boomkwekerij, doch alleen door toepassing van een afwijkingsbevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij, gelet op de ruimtelijke gevolgen van een boomkwekerij voor de nabijgelegen woningen, alleen de ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan bestaande boomkwekerijen als zodanig heeft willen bestemmen. Door daarvoor het moment van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan als peildatum te hanteren, heeft de raad willen voorkomen dat na die peildatum op andere percelen aan te vangen boomkwekerij-activiteiten ook als zodanig worden bestemd. De Afdeling acht dit uitgangspunt van de raad niet onredelijk. [appellante sub 4] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij door de gekozen peildatum voor boomkwekerijen onevenredig in haar bedrijfsvoering wordt benadeeld. Evenmin heeft [appellante sub 4] aannemelijk gemaakt dat het gebruik van de percelen 9551 en 9552 ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan niet verenigbaar is met de daaraan toegekende bestemming "Agrarisch". Het betoog van [appellante sub 4] faalt.

15. [appellante sub 4] betoogt dat voor bouwwerken ten behoeve van de boomkwekerij binnen de bestemming "Bedrijf" in artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, in samenhang bezien met lid 6.2.4, aanhef en onder c, van de planregels ten onrechte een maximaal bouwoppervlak is opgenomen van 500 m². Hiermee zijn veel bestaande bouwwerken op de percelen 9523, 9524, 9650 en 9651 onder het overgangsrecht gebracht. [appellante sub 4] betoogt dat haar bedrijfsvoering hierdoor onevenredig wordt aangetast. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij niet alle bestaande bebouwing op de als "Bedrijf" bestemde percelen als zodanig heeft bestemd. [appellante sub 4] stelt reeds in haar zienswijze te hebben aangegeven dat zij de bestaande loods wenst uit te breiden tot 1500 m². De raad heeft dit verzoek volgens haar ten onrechte niet gehonoreerd.

15.1. De raad erkent dat het bij recht maximaal toegestane oppervlak voor bebouwing kleiner is dan de bestaande bebouwing op de percelen […], […], […] en […]. De raad voert in dit verband aan dat op grond van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Rijssen 1992-3" het maximaal te bebouwen oppervlak op de percelen […], […], […] en […] eveneens maximaal 500 m² bedroeg. Daarnaast was het toegestaan om binnen de bestemming "Agrarisch bedrijf" tunnelkassen op te richten met een maximale bouwhoogte van 2 m, zonder dat daarbij een maximum werd gesteld aan het totale oppervlak. De raad stelt het voorgaande planologische regime ter plaatse in zoverre binnen de bestemming "Bedrijf" te hebben overgenomen. Verder betoogt de raad dat voor een aantal bouwwerken in 1996 een tijdelijke vrijstelling en een tijdelijke bouwvergunning waren verleend. Deze bouwwerken mochten tot 1 maart 2002 op de voormelde percelen staan. De omstandigheid dat de bouwwerken nog steeds op de percelen staan, brengt volgens de raad niet met zich dat hij gehouden is deze als zodanig te bestemmen.

15.2. Aan de percelen […], […] en […] en gedeeltelijk aan het perceel […], plaatselijk bekend als [locatie 6], is de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "sierteelt" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn, voor zover hier van belang, de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten, met daarbij behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, werken geen bouwwerken zijnde, tuinen, erven, terreinen en parkeervoorzieningen, met dien verstande dat op het adres [locatie 6] de bedrijfsactiviteit "boomkwekerij-sierteelt" is toegestaan.

Ingevolge lid 6.2.1, aanhef en onder c, in samenhang bezien met de tabel in lid 6.1, onder a, mag de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde niet meer bedragen dan 500 m².

Ingevolge lid 6.2.4 gelden voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, niet zijnde perceels- en erfafscheidingen, de volgende regels:

a. de bouwhoogte van een bouwwerk mag niet meer bedragen dan de volgende hoogte:

- bouwwerken, geen gebouw zijnde, met dien verstande dat vrijstaande overkappingen niet zijn toegestaan: maximale hoogte 3 m;

- reclamezuil: maximale hoogte 12 m;

- tunnelkassen ten bate van sierteelt: maximale hoogte 2 m;

[…]

c. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag niet meer bedragen dan de in de tabel in lid 6.1, onder a, van de planregels aangegeven bestaande oppervlakte.

15.3. Aan de percelen […], […], […] en […] was onder het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Rijssen herziening 1992-3" de bestemming "Boomkwekerij" toegekend.

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften mochten de als "Boomkwekerij" aangewezen gronden gebruikt worden voor de volgende ten dienste van en in verband met de bestemming staande doeleinden: een boomkwekerij, alsmede hiermee verband houdende activiteiten.

Ingevolge artikel 2 diende de bebouwing te voldoen aan de volgende voorschriften:

a. binnen het bebouwingsoppervlak:

- bedrijfsgebouwen ten behoeve van een boomkwekerij zoals kassen, schuren en opslagruimten met een maximale hoogte en goothoogte van respectievelijk 8 m en 6,5 m en een maximum bebouwd oppervlak van 500 m²;

b. in de gehele bestemming bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een maximale hoogte van 2 m.

15.4. Ten behoeve van het perceel [locatie 6] zijn op 25 maart 1996 voor de bouw van vijf tunnelkassen een tijdelijke vrijstelling van de bepalingen van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Rijssen herziening 1992-3" alsmede een tijdelijke bouwvergunning verleend. De geldigheidstermijn is verstreken op 1 maart 2002.

15.5. Ter zitting is onweersproken gesteld dat op de percelen […], […], […], […] onder meer tunnelkassen met een maximale bouwhoogte van 2 m, tunnelkassen met een bouwhoogte van 3 m tot 4 m en een loods van ongeveer 400 m² staan.

15.6. Ingevolge artikel 6, lid 6.2.1, aanhef en onder c, artikel 6.4.1, aanhef en onder c, in samenhang bezien met de tabel in lid 6.1, onder a, van de planregels mag de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, op het perceel [locatie 6] maximaal 500 m² bedragen. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat is beoogd dat tunnelkassen met een maximale bouwhoogte van 2 m buiten de maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte van 500 m² vallen. Nu deze uitzondering niet in de planregels is vervat, heeft de raad in zoverre niet bereikt wat hij heeft beoogd. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

15.7. Vaststaat dat ten behoeve van vijf van de door [appellante sub 4] bedoelde tunnelkassen op de percelen […], […], […] en […] een tijdelijke vrijstelling en een tijdelijke vergunning waren verleend die zijn verstreken op 1 maart 2002. Gelet hierop zijn de vijf tunnelkassen sinds 1 maart 2002 in strijd met de voorgaande bestemming "Boomkwekerij" op voormelde percelen aanwezig. Niet in geschil is dat [appellante sub 4] reeds voor de vaststelling van het bestemmingsplan heeft verzocht om een vergroting van het maximale toegestane bebouwingsoppervlak op de percelen voor bebouwing hoger dan 2 m. De raad heeft te kennen gegeven dat hij een bebouwingsoppervlak van meer dan 500 m² voor bebouwing met een bouwhoogte groter dan 2 m ter plaatse niet wenselijk acht, nu de betreffende percelen zijn gelegen in een overgangsgebied van bedrijfsbebouwing en agrarisch landschap naar de bebouwde kom. Dat de raad de openheid van dit landschap wil beschermen, acht de Afdeling niet onredelijk. Ter zitting heeft [appellante sub 4] echter te kennen gegeven dat de aanwezigheid van tunnelkassen met een bouwhoogte van ongeveer 3 m tot 4 m van evident belang is voor de kweek van bamboe en laurier en derhalve van evident belang voor haar bedrijfsvoering. De raad heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt in hoeverre hij rekening heeft gehouden met de bedrijfsbelangen van [appellante sub 4] bij een vergroting van het bebouwingsoppervlak voor bouwwerken hoger dan 2 m. Het bestreden besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

16. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 4] tegen het bestreden besluit gegrond voor zover het is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor de percelen 9523, 9524, 9650 en 9651, plaatselijk bekend als [locatie 6], zodat het besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellante sub 4] is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 6]

17. [appellant sub 6] betoogt dat aan het perceel [locatie 7] ten onrechte een woonbestemming is toegekend. Hij wenst voortzetting van de voorgaande bestemming "Agrarisch gebied". Hiertoe voert hij aan dat op het perceel een volwaardig agrarisch bedrijf wordt geëxploiteerd. Op 12 oktober 2009 heeft [appellant sub 6] een melding gedaan als bedoeld in artikel 7 van het Besluit landbouw milieubeheer voor het houden van dertien stuks melkvee, hetgeen een bedrijf met een omvang van 15,65 Nederlandse Grootte-eenheden (hierna: Nge) betreft. [appellant sub 6] betoogt dat deze dieren nog steeds op het perceel [locatie 7] worden gehouden. Daarnaast stelt hij concrete plannen te hebben het ter plaatse aanwezige bedrijf op de percelen [locatie 7 en 8] uit te breiden. Voor het perceel [locatie 7] is daartoe een omgevingsvergunning verleend voor het houden van 30 vleeskalveren, aldus [appellant sub 6].

17.1. De raad voert aan dat het college van burgemeester en wethouders op 4 juli 2012 een omgevingsvergunning heeft verleend voor het houden van 30 vleeskalveren. De raad heeft de vergunde situatie als uitgangspunt genomen. De raad betoogt dat volgens de door het Landbouw Economisch Instituut (hierna: LEI) gehanteerde rekenformule het bedrijf met 30 vleeskalveren slechts maximaal 5 Nge omvat. De raad betoogt dat een bedrijf ingevolge artikel 1, lid 1.8, van de planregels als agrarisch bedrijf wordt aangemerkt bij een omvang van meer dan 11 Nge.

17.2. Aan het perceel [locatie 7] is de bestemming "Wonen" met de aanduidingen "reconstructiewetzone - verwevingsgebied", "specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf" en "waterstaat - waterbergingsgebied" toegekend.

Ingevolge artikel 28, lid 28.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. het wonen in woonhuizen;

b. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf" voor voormalige agrarische bedrijven waarbij het continueren van het gebruik van de bestaande mestopslag is toegestaan;

[…].

Ingevolge artikel 1, lid 1.8, wordt onder een agrarisch bedrijf verstaan een economische eenheid met een minimale omvang van meer dan 11 Nge dat is gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen "kwekerijen en houtteelt, daaronder niet begrepen" en/of door middel van het houden van dieren, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf, een vis- of wormenkwekerij.

Ingevolge lid 1.96 wordt onder een volwaardig agrarisch bedrijf verstaan een agrarisch bedrijf dat naar aard en omvang en gelet op de arbeidsbehoefte als zodanig moet worden aangemerkt en waarvan de continuïteit voor een periode van ten minste tien jaar redelijkerwijs is te verwachten. Het bedrijf dient te voorzien in het hoofdinkomen van het bedrijfshoofd. De arbeidsbehoefte en -omvang dienen ten minste één arbeidskracht te omvatten die qua tijdsbesteding volledig (voltijds) werkzaam is of zal zijn in het bedrijf.

17.3. Aan het perceel [locatie 7] was in het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Rijssen 1984" de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend. Ten behoeve van het perceel was een agrarisch bouwperceel opgenomen.

17.4. In de plantoelichting van het voorliggende bestemmingsplan staat dat aan agrarische bedrijven de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" (een agrarisch bouwperceel) is toegekend. Daarnaast staat in de plantoelichting dat ten behoeve van het al dan niet opnieuw toekennen van agrarische bouwpercelen alle huidige agrarische bouwpercelen zijn geïnventariseerd. Voor de verschillende adressen is in het gemeentelijke milieuvergunningenbestand gecontroleerd of voor het betreffende perceel nog steeds een melding dan wel een milieuvergunning (nu omgevingsvergunning voor milieuactiviteiten) geldt.

17.5. Vaststaat dat aan het perceel [locatie 7] onder het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Rijssen 1984" de bestemming "Agrarisch gebied" was toegekend. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Niet in geschil is dat op 4 juli 2012 door het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning is verleend voor het houden van 30 vleeskalveren op het perceel [locatie 7]. De raad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan voor het perceel [locatie 7] alleen de vergunde situatie van 4 juli 2012 als uitgangspunt gehanteerd en op grond daarvan geconcludeerd dat op het perceel slechts 30 vleeskalveren worden gehouden met een omvang van maximaal 5 Nge. De raad heeft niet betwist dat op 12 oktober 2009 ten behoeve van het perceel [locatie 7] reeds een melding was gedaan voor het houden van dertien stuks melkvee, hetgeen volgens [appellant sub 6] een bedrijf met een omvang van 15,65 Nge betreft. Evenmin heeft de raad betwist dat de dertien stuks melkvee nog steeds op het perceel [locatie 7] worden gehouden. De raad heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij het in de melding van 12 oktober 2009 genoemde veebestand niet heeft betrokken bij zijn beoordeling of op het perceel [locatie 7] een agrarisch bedrijf wordt geëxploiteerd. Het betoog van [appellant sub 6] slaagt.

18. [appellant sub 6] betoogt dat voor de percelen [locatie 7 en 8] ten onrechte niet meer wordt voorzien in de mogelijkheid van de oprichting van een intensieve veehouderij, terwijl beide percelen binnen het verwevingsgebied zijn gelegen. Hij voert in dit verband aan dat een wijzigingsbevoegdheid had moeten worden opgenomen ten behoeve van de percelen [locatie 7 en 8] waarmee kan worden voorzien in een intensieve veehouderij.

18.1. De raad voert aan dat uit het reconstructieplan Salland-Twente (hierna: reconstructieplan) volgt dat de nieuwvestiging van intensieve veehouderijen in verwevingsgebieden niet is toegestaan. Daarnaast voert de raad aan dat aansluitend aan de percelen [locatie 7 en 8] grootschalige natuurontwikkeling gaat plaatsvinden. Voorts is het gebied rond het perceel [locatie 8] aangemerkt als waterbergingsgebied. De nieuwvestiging van een intensieve veehouderij is volgens de raad op beide percelen dan ook niet mogelijk.

18.2. Aan het perceel [locatie 8] is de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" toegekend met onder meer de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarische bedrijf met daarbij behorende gebouwen (niet zijnde rijhallen), bouwwerken, geen gebouw zijnde, voorzieningen, beplanting, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven, agrarische gronden en bedrijfswoningen met dien verstande dat:

a. per bestemmingsvlak niet meer dan één agrarisch bedrijf is toegestaan;

[…]

c. intensieve veehouderij uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij";

[…]

Ingevolge lid 4.7, aanhef en onder a, sub 1, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen en aan een agrarisch bouwperceel de aanduiding "intensieve veehouderij" toe te voegen, met dien verstande dat het bedrijf niet is gelegen binnen de gronden die op de verbeelding zijn aangeduid als "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" en "reconstructiewetzone - verwevingsgebied".

18.3. Aan de percelen [locatie 7 en 8] was in het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Rijssen 1984" de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend. Ten behoeve van beide percelen was een agrarisch bouwperceel opgenomen.

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften werd onder een agrarisch bedrijf verstaan het akkerbouw-, weidebouw-, veehouderij-, (zoals het pluimvee-, varkens-, kalveren-, en eendenfokkerij- en/of mesterij-) en/of tuinbouwbedrijf (zoals het groente- en fruitteelt-, bloemisterij- en champignonteeltbedrijf), zowel een gemengd bedrijf als een zelfstandig niet-grondgebonden bedrijf.

Ingevolge artikel 1 werd onder agrarisch bouwperceel verstaan een in het plan als zodanig aangegeven bebouwingsoppervlak, waarop de agrarische bedrijfsbebouwing met de bedrijfswoning is geconcentreerd.

18.4. In de plantoelichting van het voorliggende plan staat dat voor de definitie van intensieve veehouderij aansluiting is gezocht bij hetgeen het reconstructieplan verstaat onder een intensieve veehouderij. Onder een intensieve veehouderij wordt blijkens de plantoelichting verstaan een agrarisch bedrijf of een deel daarvan met ten minste 250 m² bedrijfsvloeroppervlak dat wordt gebruikt voor een veehouderij volgens de Wet milieubeheer en waar geen melkrundvee, schapen, paarden of dieren biologisch worden gehouden en waar geen dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer. Verder staat in de plantoelichting dat op grond van het reconstructieplan als algemene regel geldt dat de (her)vestiging van een intensief veehouderijbedrijf op een bestaand bouwblok waar op het tijdstip van terinzagelegging van het reconstructieplan geen intensieve veehouderij aanwezig is, in een verwevingsgebied niet mogelijk is. Hervestiging is volgens de plantoelichting alleen onder bepaalde voorwaarden toegestaan.

18.5. Ingevolge artikel 2.9.2, eerste lid, van de Omgevingsverordening dienen bestemmingsplannen voor gebieden die zijn opgenomen in het reconstructieplan, wat betreft de mogelijkheden van bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen, in overeenstemming te zijn met het reconstructieplan.

Ingevolge artikel 3.2.1.2, in samenhang bezien met bijlage 2, van de Omgevingsverordening is het verboden in grondwaterbeschermingsgebieden een intensieve veehouderij op te richten.

18.6. In paragraaf 5.6.2 van het reconstructieplan staat dat nieuwvestiging van intensieve veehouderij in verwevingsgebieden is uitgesloten. In het verwevingsgebied liggen veel bestaande agrarische bedrijven die een intensieve veehouderijtak kunnen ontwikkelen. Om de concentratiegedachte gestalte te geven en vanwege de aanwezigheid van andere belangen, wordt terughoudend omgegaan met de ontwikkelingsmogelijkheden van de intensieve veehouderijen in dit gebied. Bestaande bedrijven met intensieve veehouderij (uitgezonderd toekomstige sterlocaties) dienen echter wel hervestigings- en uitbreidingsmogelijkheden te houden. […] Verder staat in het reconstructieplan dat de (her)vestiging van een intensieve veehouderij op een bestaand bouwblok waar op het tijdstip van de terinzagelegging van het reconstructieplan geen intensieve veehouderij aanwezig is, niet mogelijk is. Een uitzondering kan alleen worden gemaakt voor bijvoorbeeld een locatie temidden van een groep intensieve veehouderijen. Als daarmee de samenwerking tussen de bedrijven wordt bevorderd en geen redelijk belang zich ertegen verzet, kan bij uitzondering aan hervestiging op een locatie van een niet-intensieve veehouderij worden meegewerkt. Hervestiging van intensieve veehouderij op een bouwblok waar al een intensieve veehouderij aanwezig is, is in principe mogelijk. De gemeente beziet in overleg met de ondernemer of dit wel de meest geschikte locatie is of dat hervestiging binnen het landbouwontwikkelingsgebied meer voor de hand ligt.

18.7. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Vaststaat dat het plangebied in een verwevingsgebied ligt als bedoeld in de Reconstructiewet concentratiegebieden. Niet in geschil is dat in het voorgaande bestemmingplan "Buitengebied Rijssen 1984" op de percelen [locatie 7 en 8] een intensieve veehouderij niet was uitgesloten.

[appellant sub 6] heeft niet aannemelijk gemaakt dat op het perceel [locatie 7] ooit een intensieve veehouderij is geëxploiteerd. Nu het perceel is gelegen in het verwevingsgebied is overschakeling naar een intensieve veehouderij ingevolge artikel 2.9.2, eerste lid, van de Omgevingsverordening niet toegestaan. Derhalve heeft de raad terecht aan het perceel [locatie 7] niet de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend. Het betoog van [appellant sub 6] faalt in zoverre.

Met betrekking tot het perceel [locatie 8] heeft [appellant sub 6] ter zitting onweersproken gesteld dat hij een milieuvergunning heeft voor het houden van 165 vleeskalveren op het perceel [locatie 8]. Niet gebleken is dat de raad dit bij zijn beoordeling van het bestaande gebruik op dat perceel heeft betrokken. Derhalve is onvoldoende komen vast te staan of op het tijdstip van de terinzagelegging van het reconstructieplan op het perceel [locatie 8] een intensieve veehouderij aanwezig was waarvan op grond van het reconstructieplan de hervestigings- en uitbreidingsmogelijkheden in het bestemmingsplan mogen worden behouden. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich ten aanzien van het perceel [locatie 8] onvoldoende vergewist van de relevante feiten en de af te wegen belangen, zodat het besluit op dit punt onzorgvuldig is voorbereid.

19. Gelet op 17.5 en 18.7 is het beroep van [appellant sub 6] gegrond, zodat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 7] en het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" voor het perceel [locatie 8], dient te worden vernietigd.

Opdracht

20. De Afdeling ziet aanleiding om de raad op te dragen een nieuw besluit te nemen voor de vernietigde plandelen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Proceskosten

21. De raad dient ten aanzien van [appellanten sub 1], [appellant sub 3] en anderen, [appellante sub 4] en [appellant sub 6] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Wat betreft stichting Holten en [appellant sub 5] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 5] niet-ontvankelijk voor zover het betreft de plandelen met een agrarische bestemming;

II. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], [appellant sub 3] en anderen, en [appellant sub 6] geheel en het beroep van [appellanten sub 4] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Rijssen-Holten van 1 november 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Rijssen-Holten", voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" voor het perceel kadastraal bekend gemeente Rijssen-Holten, sectie B, nummer 4952;

b. de plandelen met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" voor de percelen [locatie 1 en 2];

c. het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" voor het recreatieterrein "De Holter Weide";

d. het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 4];

e. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor de percelen kadastraal bekend gemeente Rijssen-Holten, sectie B, nummers 9523, 9524, 9650 en 9651, plaatselijk bekend als [locatie 6];

f. het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 7];

g. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" voor het perceel [locatie 8];

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven voor zover het betreft de onder IIIa, IIIb en IIIc bedoelde plandelen;

V. draagt de raad van de gemeente Rijssen-Holten op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen wat betreft IIId, IIIe, IIIf, en IIIg een nieuw besluit te nemen op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

VI. verklaart het beroep van de stichting Stichting Burger & Belangen Holten geheel en de beroepen van [appellant sub 5] en [appellanten sub 4] voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Rijssen-Holten tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

- [appellanten sub 1] tot een bedrag van € 64,16 (zegge: vierenzestig euro en zestien cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- [appellant sub 3] en anderen tot een bedrag van € 1.021,00 (zegge: duizendeenentwintig euro), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- [appellanten sub 4] tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- [appellant sub 6] tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Rijssen-Holten aan:

- [appellanten sub 1] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- [appellant sub 3] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- [appellanten sub 4] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- [appellant sub 6] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Melse

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

191-749.