Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1718

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
201211600/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juli 2011 heeft het college de vergunning van [appellant] om met een woonschip ligplaats in te nemen aan de [locatie] te Haarlem ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/3307
JG 2014/14 met annotatie van ing. W. Vos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211600/1/A3.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Haarlem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 november 2012 in zaak nr. 12/1768 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2011 heeft het college de vergunning van [appellant] om met een woonschip ligplaats in te nemen aan de [locatie] te Haarlem ingetrokken.

Bij besluit van 6 maart 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 maart 2012 (de Afdeling leest: 6 maart 2012) vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 17 december 2012 heeft het college, in zoverre opnieuw beslissend op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 25 juli 2011, bepaald dat de intrekking eerst in werking treedt vier maanden nadat de Afdeling uitspraak op het hoger beroep heeft gedaan.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] een reactie op dat besluit gegeven.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Müller, advocaat te Alphen aan den Rijn, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Braeken, mr. K. Roos en A.A. Limonard, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

Ingevolge artikel 2 van de Woonschepenverordening van de gemeente Haarlem, zoals deze verordening luidde ten tijde hier van belang, worden de door of namens het college gegeven bevelen in verband met de uitvoering van de bepalingen van deze verordening stipt en onmiddellijk opgevolgd.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, moet een woonschip met het oog op de openbare orde en veiligheid voldoen aan de in deze bepaling vermelde eisen.

Ingevolge het tweede lid is het college bevoegd aanvullende eisen te stellen.

Ingevolge artikel 14, aanhef en onder d, kan het college een ligplaatsvergunning intrekken als blijkt dat niet wordt voldaan aan de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften.

2. Het college heeft de ligplaatsvergunning van [appellant] ingetrokken, omdat hij geen gehoor heeft gegeven aan bij brief van 10 mei 2011 namens het college door de havenmeester gegeven bevelen om zijn ongewenste gedrag te staken. Aan deze intrekking heeft het college de artikelen 2 en 14, aanhef en onder d, van de Woonschepenverordening ten grondslag gelegd.

3. De rechtbank heeft het besluit van 6 maart 2012 vernietigd, omdat het college niet heeft gemotiveerd waarom het in afwijking van het advies van de Commissie beroep- en bezwaarschriften het bezwaar ongegrond heeft verklaard, het college niet inzichtelijk heeft gemaakt welke in de brief van 10 mei 2011 neergelegde bevelen als bevelen in de zin van artikel 2 van de Woonschepenverordening moeten worden geduid, en het college bij het besluit tot intrekking ten onrechte geen redelijke termijn heeft opgenomen waarbinnen [appellant] de gelegenheid krijgt om het gebruik van de ligplaats te beëindigen en op zoek te gaan naar een alternatief.

De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het besluit van 6 maart 2012 evenwel in stand gelaten, aangezien het college deze gebreken in het verweerschrift heeft hersteld.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de bevelen, zoals gegeven in de brief van 10 mei 2011, niet als bevelen in de zin van artikel 2 van de Woonschepenverordening kunnen worden aangemerkt, nu deze bevelen geen verband houden met het doel van die verordening. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte het handhaven van de openbare orde als doel van de Woonschepenverordening aangemerkt.

4.1. De brief van 10 mei 2011 behelst de waarschuwing dat de ligplaatsvergunning zal worden ingetrokken, tenzij [appellant] de in het schrijven gegeven bevelen nakomt. Volgens die brief heeft [appellant] de afgelopen twaalf jaar meermalen met of op zijn schip de openbare orde verstoord en overlast en hinder veroorzaakt. De brief behelst in het bijzonder de volgende bevelen:

7. dat hij omwonenden niet meer beledigt, uitscheldt of op een andere wijze overlast veroorzaakt;

[…];

9. dat hij niet meer met oostenwind, een kachel op hinderlijke wijze zal aanzetten;

[…];

11. dat hij niet meer in, om of rond het openbaar water in de nabijheid van gevaarlijke stoffen dan wel restanten van die stoffen, handelingen verricht dan wel zich zodanig gedraagt dat gevaar, schade of hinder wordt veroorzaakt;

12. dat hij deze bevelen stipt en onmiddellijk opvolgt;

[…].

4.2. Volgens het college heeft [appellant] op 1 juli 2011 op intimiderende wijze een medewerker van de Havendienst benaderd en verordonneerd bepaalde handelingen te verrichten. Verder blijkt volgens het college uit verklaringen dat [appellant] na de brief van 10 mei 2011 een vrouw heeft uitgescholden en op 10 juli 2011 een pleziervaartuig ongeveer 45 minuten onbeheerd bij zijn woonschip heeft laten drijven met draaiende motor, waardoor stankoverlast is veroorzaakt. Ook is op 10 juli 2011 door de politie geconstateerd dat de houtkachel van [appellant] hinderlijke overlast veroorzaakte, aldus het college.

Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat [appellant] met deze gedragingen de bevelen neergelegd in de punten 7, 9 en 11 van de brief van 10 mei 2011 niet stipt heeft opgevolgd, zodat het mocht overgaan tot intrekking van de ligplaatsvergunning.

4.3. Bevelen kunnen alleen dan als bevelen in de zin van artikel 2 van de Woonschepenverordening worden aangemerkt, als deze zijn gegeven in verband met de uitvoering van de bepalingen van deze verordening.

Gelet op de bewoordingen van de bevelen neergelegd in de punten 7, 9 en 11 alsmede de gedragingen van [appellant] die volgens het college hebben geleid tot het niet opvolgen daarvan, blijkt dat die bevelen zien op het voorkomen van overlastgevend en hinderlijk gedrag door [appellant] op of in de nabijheid van zijn woonschip. Voor zover deze bevelen daarmee zien op het handhaven van de openbare orde in die omgeving, voert [appellant] terecht aan dat de bepalingen van de Woonschepenverordening niet zien op het handhaven van de openbare orde in die ruime zin. Artikel 7, eerste lid, van de Woonschepenverordening noemt eisen waaraan een woonschip met het oog op de openbare orde en veiligheid moet voldoen. Die bepaling heeft derhalve betrekking op het woonschip en niet op het gedrag van de bewoner daarvan. Voor zover het college ingevolge het tweede lid van die bepaling bevoegd is om aanvullende eisen te stellen, dient de uitoefening van die bevoegdheid binnen de grenzen van het eerste lid te blijven. Artikel 7, tweede lid, van de Woonschepenverordening biedt derhalve geen bevoegdheid aan het college om aanvullende eisen aan het gedrag van een bewoner van een woonschip te stellen. Ook geen van de andere bepalingen van de Woonschepenverordening biedt zodanige bevoegdheid.

4.4. Nu de bevelen neergelegd in de punten 7, 9 en 11 van de brief van 10 mei 2011 niet kunnen worden aangemerkt als bevelen in de zin van artikel 2 van de Woonschepenverordening, was het college reeds daarom niet bevoegd de ligplaatsvergunning in te trekken wegens het niet opvolgen daarvan. De rechtbank heeft dat ten onrechte niet onderkend en ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 6 maart 2012 in stand gelaten.

Het betoog slaagt.

5. Gelet hierop behoeft hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd in verband met de intrekking van de ligplaatsvergunning geen bespreking.

6. [appellant] betoogt verder dat, gelet op de bijzondere omstandigheden van deze zaak, de rechtbank een te lage proceskostenveroordeling heeft uitgesproken.

6.1. De rechtbank heeft de vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874,00 voor het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting. Dit is in overeenstemming met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), gelezen in verbinding met de daarbij behorende bijlage, zoals deze destijds luidde.

De rechtbank heeft terecht geen grond gezien gevolg te geven aan het ter zitting door [appellant] gedane verzoek om van artikel 2, eerste lid, van het Bpb af te wijken en de vergoeding met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb vast te stellen ten bedrage van de werkelijk gemaakte kosten voor rechtsbijstand. Ingevolge die bepaling kan in bijzondere omstandigheden van het eerste lid worden afgeweken. De rechtbank heeft met juistheid de omstandigheid dat het besluit van 6 maart 2012 is vernietigd op zichzelf niet als zodanig aangemerkt. [appellant] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij door de handelwijze van het college redelijkerwijs uitzonderlijk hoge kosten heeft moeten maken voor rechtsbijstand, waardoor toepassing van het forfaitaire vergoedingsstelsel onrechtvaardig is.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van 6 maart 2012 in stand zijn gelaten. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, voor het overige te worden bevestigd.

8. Bij het besluit van 17 december 2012 heeft het college, naar aanleiding van overweging 2.3 van de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de intrekking van de ligplaatsvergunning. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan de bezwaren van [appellant] is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van [appellant], gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dat besluit in te houden.

Bij dat besluit is het besluit tot intrekking van de ligplaatsvergunning gehandhaafd, met dien verstande dat deze intrekking eerst vier maanden nadat de Afdeling uitspraak op het hoger beroep heeft gedaan in werking treedt. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.4. is overwogen, was het college evenwel niet bevoegd de ligplaatsvergunning in te trekken op de door het college vermelde gronden.

Het beroep tegen het besluit van 17 december 2012 is gegrond. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

9. De Afdeling ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Het besluit van 25 juli 2011 zal worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.

10. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De Afdeling ziet geen aanleiding gevolg te geven aan het verzoek van [appellant] om met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb, in afwijking van het forfaitaire vergoedingsstelsel, de vergoeding vast te stellen ten bedrage van de werkelijk gemaakte kosten voor rechtsbijstand, nu [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich in zijn geval bijzondere omstandigheden voordoen die daartoe nopen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 november 2012 in zaak nr. 12/1768, voor zover zij daarbij de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem van 6 maart 2012, kenmerk MS/JZ/2011/254795, in stand heeft gelaten;

III. bevestigt die uitspraak voor het overige, voor zover aangevallen;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem van 17 december 2012, kenmerk 2012/485954, gegrond;

V. vernietigt dat besluit;

VI. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem van 25 juli 2011, kenmerk 2011/119282;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlem tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Haarlem aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

434/611