Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1714

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
201211461/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2012:6409, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 september 2011 heeft het college aan [belanghebbende A] omgevingsvergunning verleend voor het gedeeltelijk vergroten van de woning op het perceel [locatie] te 't Goy (hierna: het perceel) door middel van een aanbouw.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/403
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/3308
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211461/1/A1.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te 't Goy, gemeente Houten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 november 2012 in

zaak nr. 12/1200 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Houten.

Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2011 heeft het college aan [belanghebbende A] omgevingsvergunning verleend voor het gedeeltelijk vergroten van de woning op het perceel [locatie] te 't Goy (hierna: het perceel) door middel van een aanbouw.

Bij besluit van 15 februari 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder aanpassing van de motivering.

Bij uitspraak van 1 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbende A] en [belanghebbende B] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2013, waar [appellant], vergezeld van [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.R.E. Maris, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in een aanbouw aan de woning die staat op de hoek van de Tuurdijk en de Eng. De aanbouw is voorzien aan de zijde van de woning die is gericht naar de Tuurdijk.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Artikel 30-herziening Buitengebied" rust op het perceel de bestemming "Dorpsgebied" en de aanduiding "wonen".

Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften gelden voor de bebouwing ten dienste van wonen de volgende bepalingen:

[…]

4. de hoofdgebouwen en bijgebouwen mogen de rooilijn niet overschrijden;

[…]

7. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en/of aanbouwen mag niet meer bedragen dan 50 m2.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder o, wordt in deze voorschriften verstaan onder rooilijn: de lijn die, behoudens toegelaten afwijkingen, bij het bouwen aan de wegzijde niet mag worden overschreden.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte in afwijking van het bestemmingsplan omgevingsvergunning heeft verleend. Hij voert daartoe aan dat de afwijking van het bestemmingsplan onvoldoende is gemotiveerd, nu het college van de verkeerde situering van de rooilijn is uitgegaan. Voorts voert hij aan dat het college in strijd met de beleidsnotitie ruimtelijk beleid en bestemmingsplannen in woongebieden (hierna: de beleidsnotitie) de omgevingsvergunning heeft verleend, nu in de beleidsnotitie is vermeld dat het realiseren van een aan- of bijgebouw voor een voorgevel niet wordt toegestaan. In dat verband voert hij onder verwijzing naar de definities van "achtererfgebied" en "voorerfgebied" als bedoeld in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) aan dat de zijde van de woning gekeerd naar de Tuurdijk de voorgevel is. Voorts voert [appellant] aan dat het bouwplan leidt tot een ingrijpender aantasting van zijn uitzicht vanuit zijn keuken, nu het een "open" keuken betreft.

3.1. De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in verbinding met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort in dit geval tot de bevoegdheid van het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot het besluit om daarvoor omgevingsvergunning te verlenen heeft kunnen komen.

3.2. Uit de definitie van het begrip rooilijn in het bestemmingsplan noch uit andere bepalingen in het bestemmingsplan volgt dat ter plaatse van het perceel een rooilijn is gelegen. Evenmin is op de plankaart ter plaatse van het perceel een rooilijn weergegeven. Dit betekent dat ter plaatse van het perceel een rooilijn ingevolge het bestemmingsplan ontbreekt. Het bouwplan kan niet in strijd zijn met artikel 7, tweede lid, aanhef en onder c, onder 4, van de planvoorschriften. Het betoog van [appellant] wat betreft de overschrijding van de rooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan behoeft derhalve geen verdere bespreking.

De woning op het perceel is een kwartslag gedraaid ten opzichte van de woningen aan de Tuurdijk, waaronder de woning van [appellant]. Verder is de voordeur van de woning op het perceel gekeerd naar de Eng en heeft de zijde naar de Tuurdijk een grotendeels gesloten gevel. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat de voorgevel van de woning is gelegen aan de Eng in plaats van aan de Tuurdijk. De rechtbank heeft daarbij terecht niet de definities van de begrippen achtererfgebied en voorerfgebied uit bijlage II van het Bor bepalend geacht, nu deze uitsluitend van betekenis zijn voor de toepassing van die bijlage. In de beleidsnotitie is niet bij deze definities aangesloten. De aanbouw is derhalve niet in strijd met de beleidsnotitie voor de voorgevel voorzien.

De afstand van de gevel met glazen wand van de woning van [appellant] tot de aanbouw is ongeveer 10 m. Het college heeft, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, bij zijn besluitvorming rekening gehouden met de omstandigheid dat het uitzicht vanuit de keuken door de aanbouw vermindert. Dat het een zogenoemde open keuken betreft, maakt dat niet anders. Verder blijkt uit het besluit van 15 februari 2012 dat het bouwplan vanuit stedenbouwkundig oogpunt is bezien, zodat anders dan [appellant] stelt, de toelaatbaarheid van de afwijking zich niet heeft beperkt tot de vraag naar het uitzicht.

Gelet op voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. Th.C. van Sloten en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Soede

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

270-761.