Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1712

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
201210480/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 augustus 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210480/1/V4.

Datum uitspraak: 22 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 10 oktober 2012 in zaak nr. 11/41837 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 27 december 2011 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 oktober 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. In zijn grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 27 december 2011 niet deugdelijk is gemotiveerd, nu daaraan het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 28 juli 2011 ten grondslag is gelegd, waarin het BMA, gelet op de informatie van de behandelaars van de vreemdeling van 2 oktober 2008 en 4 februari 2011, ten onrechte heeft nagelaten zich gemotiveerd uit te laten over de vraag of, in aanmerking genomen de aard en het ontstaan van de psychische klachten van de vreemdeling, aanleiding bestaat voor gerede twijfel omtrent de effectiviteit van de behandeling van de vreemdeling in het land van herkomst. De staatssecretaris betoogt onder meer dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, voormelde brieven van de behandelaars van de vreemdeling vrij algemeen en summier zijn. Onder verwijzing naar de beslissing van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: het CTG) van 8 mei 2012 in zaak C2011/221 (www.overheid.nl) voert de staatssecretaris aan dat de omstandigheid dat de oorzaak van de medische klachten van de vreemdeling in Armenië zou liggen, niet betekent dat de behandeling van die klachten niet succesvol in dat land kan plaatsvinden.

2.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 5 februari 2013 in zaak nr. 201112291/1/V1) is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. De staatssecretaris moet zich, indien hij een BMA-advies, daaronder begrepen de eventueel nadien uitgebrachte nota's, aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan vergewissen dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

In dit verband geldt, zo volgt eveneens uit onder meer voormelde uitspraak van 5 februari 2013, dat uit de beslissingen van het CTG (onder meer die van 27 april 2010, C2009/105, en 15 maart 2011, C2010/126, beide: www.overheid.nl) voortvloeit dat het BMA bij het uitbrengen van een advies aan de staatssecretaris omtrent de medische situatie van een vreemdeling, indien en voor zover de door een behandelaar van de desbetreffende vreemdeling verstrekte informatie daartoe aanleiding geeft, dient te beoordelen of die informatie, mede gezien de hem reeds uit het dossier bekende gegevens over de medische situatie van die vreemdeling, aanleiding geeft tot gerede twijfel over de effectiviteit van de in het algemeen verkrijgbare medische behandeling of te leveren zorg in het land van herkomst dan wel het land waarnaar de betrokken vreemdeling wordt verwijderd, met name gelet op de aard van het trauma en de omstandigheden waaronder dat is veroorzaakt, althans gelet op die omstandigheden waaromtrent het BMA wel kan worden geacht zich uit te laten. Daarbij dient het BMA, voor zover nader onderzoek niet mogelijk is, in zijn advies dan wel nota in ieder geval melding te maken van die gerede twijfel.

2.2. In de door de staatssecretaris aangehaalde beslissing van 8 mei 2012 heeft het CTG overwogen dat in zijn algemeenheid niet kan worden aanvaard de stelling dat behandeling van psychische klachten in het land waar de oorzaak van die klachten ligt, of wordt vermoed te liggen, niet (succesvol) kan plaatsvinden. Daarnaast heeft volgens het CTG te gelden dat, indien het niet gaat om een objectiveerbaar onveilige behandelomgeving, maar om een algemeen en subjectief gevoel van onveiligheid bij de betrokkene met betrekking tot die behandelomgeving, dat gezien dient te worden als onderdeel van het totale complex van omstandigheden waarin betrokkene leeft en dat naast de noodzakelijke behandeling een bijdrage kan leveren aan de verbetering van de mentale toestand van betrokkene. De vraag of de op trauma gerichte behandeling of enige andere psychiatrische behandeling effectief zal zijn, zal naar het oordeel van het CTG dan (in welk land dan ook) afhangen van een diversiteit van factoren.

2.3. De behandelaars van de vreemdeling hebben meermalen schriftelijk informatie verstrekt over haar medische situatie. In hun brief van 2 oktober 2008 is vermeld dat de vreemdeling voor een levensbedreigende situatie uit Armenië is gevlucht. Haar ouders zijn door de politie vermoord en mede daardoor heeft zij een posttraumatisch stresssyndroom (hierna: PTSS) ontwikkeld, aldus de behandelaars. De klachten van dit psychiatrisch ziektebeeld bestaan volgens de behandelaars onder meer uit angsten, herinneringen en herbelevingen, die opgewekt worden door naar de traumatiserende context verwijzende omstandigheden. Het moeten afreizen naar de plek des onheils vergroot de kans op versterking van deze problematiek, omdat die plek bij uitstek verwijst naar de ondergane traumatisering. Als nevendiagnose stellen de behandelaars een depressief syndroom vast. Dit ziektebeeld is bij de vreemdeling gerelateerd aan haar grote angst voor terugkeer, gevoelens van ontbrekend levensperspectief en dreigend verlies van haar gezin. Depressieve symptomen hebben volgens de behandelaars meermalen geleid tot uitingen van suïcidaliteit. Het is reëel te verwachten dat PTSS en depressieve symptomen zullen verergeren wanneer zij naar Armenië moet afreizen. Suïcidaliteit, uitmondend in pogingen tot zelfmoord, zien de behandelaars in die situatie als een reëel te verwachten ontwikkeling. Nu de oorsprong van de klachten nauw samenhangt met het land Armenië, achten de behandelaars effectieve behandeling voor de psychiatrische problematiek van de vreemdeling aldaar irreëel. De opmerkingen van het BMA over de beschikbaarheid van psychiatrische voorzieningen 'in het algemeen', zijn volgens de behandelaars mogelijk van toepassing op patiënten met een algemene psychiatrische aandoening, bijvoorbeeld een psychose of verslaving. Voor de vreemdeling raden de behandelaars terugreizen naar het land van herkomst evenwel af.

2.4. Het BMA heeft verscheidene adviezen en nota's over de medische situatie van de vreemdeling uitgebracht. Bij advies van 28 juli 2011 heeft het BMA te kennen gegeven dat bij de vreemdeling, bij het uitblijven van psychiatrische behandeling en medicatie, op korte termijn een medische noodsituatie zal ontstaan. Voor de klachten van de vreemdeling is volgens het BMA in Armenië in medisch-technische zin voldoende behandeling beschikbaar. Het BMA noemt twee centra in Armenië waar behandeling voor de vreemdeling beschikbaar is. Voorts heeft het BMA toegelicht dat de vreemdeling kan reizen, mits enige medische voorzieningen worden getroffen. Zo dient onder meer fysieke overdracht aan de behandelaars op de plaats van bestemming plaats te vinden, teneinde een vervolgbehandeling te kunnen effectueren.

Wat betreft de noodzaak van een veilige behandelomgeving heeft het BMA in een e-mail van 4 mei 2011 verwezen naar het door het BMA gehanteerde protocol.

2.5. Dat het BMA zich niet concreet heeft uitgelaten over de noodzaak van een door de vreemdeling als veilig ervaren behandelomgeving, leidt in dit geval niet tot het oordeel dat de staatssecretaris het besluit van 27 december 2011 niet op de advisering van het BMA heeft mogen baseren. De informatie van de behandelaars, als hiervóór in 2.3. weergegeven, is, mede in aanmerking genomen voormelde beslissing van het CTG van 8 mei 2012, onvoldoende om te concluderen dat de staatssecretaris gehouden was het BMA nader onderzoek naar de noodzaak van een als veilig ervaren behandelomgeving te laten verrichten. Zo hebben de behandelaars onvoldoende geconcretiseerd waarom behandeling in geheel Armenië niet mogelijk zou zijn en op welke wijze de gebeurtenissen die zich in het verleden zouden hebben voorgedaan in de weg staan aan een effectieve voortzetting van de behandeling aldaar.

De grieven slagen.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 27 december 2011 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op het vorenoverwogene, nog moet worden beslist.

4. De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat het BMA in zijn nota van 17 november 2011 niet adequaat heeft gereageerd op de informatie van de behandelaar in de brief van 8 september 2011 over de afhankelijkheid van de vreemdeling van haar sociaal-psychiatrisch verpleegkundige en van haar partner. Bovendien heeft het BMA noch de staatssecretaris volgens de vreemdeling ontkend dat zij afhankelijk is van een 'steunsysteem', zodat had moeten worden beoordeeld of een dergelijk steunsysteem in Armenië aanwezig is.

4.1. De behandelend psychiater van de vreemdeling heeft bij brief van 8 september 2011 te kennen gegeven dat de vreemdeling voor haar dagelijks functioneren in hoge mate afhankelijk is van ondersteuning van haar sociaal-psychiatrisch verpleegkundige en van haar partner. In reactie hierop heeft het BMA bij nota van 17 november 2011 te kennen gegeven dat de vreemdeling afhankelijk is van een steunsysteem, maar niet van mantelzorg in de zin van de Vreemdelingencirculaire 2000. Voorts heeft het BMA in deze nota vermeld dat binnen de psychiatrische zorg in Armenië zowel ambulante als klinische zorg aanwezig is en dat het BMA-advies van 28 juli 2011 gehandhaafd kan blijven.

4.2. Nu het BMA zich, mede op basis van informatie van de behandelend psychiater, concreet heeft uitgelaten over de noodzaak van een steunsysteem, waarbij het BMA uitdrukkelijk heeft geconcludeerd dat het hiervóór onder 2.4. weergegeven advies van 28 juli 2011 gehandhaafd kan blijven, kan het standpunt van de staatssecretaris dat bij de vreemdeling ingeval van terugkeer naar Armenië, gelet op de aldaar aanwezige behandelmogelijkheden, geen medische noodsituatie zal optreden, de toets in rechte doorstaan.

De beroepsgrond faalt.

5. Het beroep tegen het besluit van 27 december 2011 wordt ongegrond verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 10 oktober 2012 in zaak nr. 11/41837;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Janssen, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Janssen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2013

660