Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1709

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
201210268/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 mei 2011 heeft de Belastingdienst het aan [appellante] over 2010 toegekende voorschot kindgebonden budget gewijzigd vastgesteld op € 662,00 en € 660,00 aan ten onrechte uitbetaalde voorschotten van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210268/1/A2.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen, nevenzittingsplaats Arnhem, van 18 september 2012 in zaak nr. 12/1781 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2011 heeft de Belastingdienst het aan [appellante] over 2010 toegekende voorschot kindgebonden budget gewijzigd vastgesteld op € 662,00 en € 660,00 aan ten onrechte uitbetaalde voorschotten van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 3 augustus 2011 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 september 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H. Kropff, advocaat Zutphen, en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de Belastingdienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet op het kindgebonden budget (hierna: de Wkb) heeft de ouder aanspraak op een kindgebonden budget voor een kind voor wie aan die ouder op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: de AKW) kinderbijslag wordt betaald of zou worden betaald, indien de artikelen 7, tweede lid, en 7a van die wet niet van toepassing zouden zijn, met dien verstande dat de aanspraak op een kindgebonden budget bestaat met ingang van de kalendermaand na de maand waarin het kind is geboren dan wel tot het huishouden is gaan behoren tot en met de kalendermaand waarin het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt.

2. De Belastingdienst heeft aan het besluit van 20 mei 2011, dat is gehandhaafd bij besluit van 3 augustus 2011, ten grondslag gelegd dat uit informatie van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) is gebleken dat aan [appellante] vanaf 1 juli 2010 geen kinderbijslag wordt betaald en zij aldus niet voldoet aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wkb.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst zich heeft gebaseerd op de onjuiste informatie van de SVB dat zij vanaf 1 juli 2010 geen recht op kinderbijslag heeft, aangezien zij wegens haar bijdrage in het levensonderhoud van de kinderen dat recht ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van AKW wel degelijk heeft. Voorts zijn de rechtbank en de Belastingdienst eraan voorbijgegaan dat de SVB haar over de periode van 1 juli 2010 tot 1 april 2011 kinderbijslag aan haar heeft betaald en terugvordering daarvan niet mogelijk is. Volgens [appellante] heeft zij ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wkb dan ook aanspraak op een kindgebonden budget tot 1 april 2011.

3.1. De SVB heeft bij besluit van 29 april 2011 vastgesteld dat [appellante] vanaf het derde kwartaal 2010 geen kinderbijslag krijgt voor haar twee kinderen, omdat die sinds 2 juni 2010 bij de andere ouder wonen en die ouder kinderbijslag heeft aangevraagd en met voorrang recht op de kinderbijslag heeft. De SVB heeft de over het derde kwartaal 2010 tot en met het eerste kwartaal 2011 aan [appellante] uitbetaalde kinderbijslag niet van haar teruggevorderd, omdat zij geen onjuiste inlichtingen over de woonsituatie van haar kinderen heeft gegeven. Het betoog van [appellante] dat dit besluit van de SVB onjuist is, wordt buiten bespreking gelaten, omdat het geschil over de kinderbijslag buiten de omvang dit geding valt. Tegen dat besluit stond beroep open bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Nu [appellante] vanaf 1 juli 2010 geen recht op kinderbijslag heeft die tot uitbetaling leidt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst terecht het standpunt heeft ingenomen dat [appellante] ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wkb vanaf 1 juli 2010 geen aanspraak op een kindgebonden budget heeft. Dat de SVB niet tot terugvordering van de betaalde kinderbijslag over de periode in geding is overgegaan, leidt niet tot een ander oordeel, omdat uit het besluit van de SVB van 29 april 2011 volgt dat die betaling ten onrechte heeft plaatsgevonden.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

609.