Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1707

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
201209815/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2012:965, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2011 heeft het college een op 22 februari 2011 door gastouderbureau Flexmoeders.nl ten behoeve van [appellant] ingediende aanvraag tot registratie van een voorziening voor gastouderopvang voor het adres [locatie] te Deventer, buiten behandeling gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201209815/1/A2.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Deventer,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 7 september 2012 in zaken nrs. 11/2484 en 12/498 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer.

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2011 heeft het college een op 22 februari 2011 door gastouderbureau Flexmoeders.nl ten behoeve van [appellant] ingediende aanvraag tot registratie van een voorziening voor gastouderopvang voor het adres [locatie] te Deventer, buiten behandeling gelaten.

Bij besluit van 10 november 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de aanvraag alsnog afgewezen.

Bij besluit van 20 september 2011 heeft het college een op 14 april 2011 door Flexmoeders.nl ten behoeve van [appellant] ingediende aanvraag tot registratie van een voorziening voor gastouderopvang voor het adres Vermeerstraat 30 te Deventer, toegewezen.

Bij besluit van 7 februari 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 16 april 2012 heeft het college, gevolggevend aan de opdracht van de rechtbank om duidelijkheid te verschaffen over het geheel aan feiten en de grondslag waarop het besluit van 10 november 2011 rustte, dat besluit ingetrokken, het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de aanvraag onder aanvulling van de motivering afgewezen.

Bij uitspraak van 7 september 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 10 november 2011 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en de beroepen gericht tegen het besluit van 16 april 2012 en tegen het besluit van 7 februari 2012 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2013, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.B. Steenbruggen, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1.45, tweede lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wko) dient de houder van een gastouderbureau een aanvraag in voor degene die door zijn tussenkomst voornemens is gastouderopvang te bieden. De aanvraag, bedoeld in de eerste volzin, wordt namens de gastouder gedaan bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging van de voorziening voor gastouderopvang.

Ingevolge het derde lid wordt een voorziening voor gastouderopvang niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling.

Ingevolge het vierde lid worden bij algemene maatregel van bestuur voorschriften gegeven over de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag en over de wijze van verstrekking van deze gegevens, waaronder voorschriften over de verstrekking van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaalfiscaalnummer.

Ingevolge artikel 1.46, eerste lid, geeft het college van burgemeester en wethouders uiterlijk tien weken na de aanvraag een beschikking af aan de houder van een gastouderbureau.

Ingevolge het tweede lid bepaalt het college van burgemeester en wethouders in de beschikking die volgt op de aanvraag nadat uit het onderzoek, bedoeld in artikel 1.62 en anderszins is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling, de datum van ingang van de exploitatie, waarbij deze datum niet voor de datum van bekendmaking van die beschikking ligt. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor inschrijving van de voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang, waarbij de datum van ingang van de exploitatie als startdatum van de registratie wordt opgenomen. Ingevolge het derde lid deelt het college van burgemeester en wethouders de houder van het gastouderbureau schriftelijk mee dat inschrijving van de voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang heeft plaatsgevonden.

Ingevolge het vierde lid deelt de houder van het gastouderbureau de gastouder schriftelijk mee dat inschrijving van de voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang heeft plaatsgevonden.

Ingevolge het vijfde lid doet het college van burgemeester en wethouders bij een inschrijving als bedoeld in het tweede lid opgave van de gegevens die ingevolge artikel 1.45, vierde lid, zijn verstrekt.

2. Op 22 februari 2011 is bij het college een aanvraag van gastouderbureau Flexmoeders.nl namens [appellant] binnengekomen om gastouderopvang te bieden op het adres van de vraagouder, te weten [locatie] te Deventer.

Deze aanvraag is door het college bij besluit van 4 april 2011 buiten behandeling gelaten, omdat uit de aanvraag en de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA) volgde dat [appellant] voornemens is gastouderopvang aan te bieden voor zijn eigen kinderen, die op zijn eigen adres staan ingeschreven.

Bij het besluit van 10 november 2011 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de algemene bezwaarschriftencommissie van 17 oktober 2011, de aanvraag op dezelfde grondslag afgewezen.

Bij het besluit van 16 april 2012 heeft het college, door de rechtbank in de gelegenheid gesteld gebreken in het besluit van 10 november 2011 te herstellen, dat besluit ingetrokken en de aanvraag afgewezen, omdat [appellant] voornemens is gastouderopvang aan te bieden voor zijn eigen kinderen, die op het adres van de vraagouder, de ex-vrouw van [appellant], te weten de [locatie] te Deventer, staan ingeschreven.

Op 14 april 2011 is bij het college een nieuwe aanvraag van Flexmoeders.nl namens [appellant] binnengekomen om gastouderopvang te bieden op het adres van een vraagouder, te weten […] te Deventer.

Deze aanvraag is door het college bij besluit van 20 september 2011 toegewezen.

3. Het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep gericht tegen de besluiten van het college van 7 februari 2012 en 16 april 2012 ongegrond is verklaard.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beroep tegen het besluit van 16 april 2012 ongegrond is. Volgens [appellant] heeft de rechtbank, door te overwegen dat in de aanvraag geen steun kan worden gevonden dat deze naast zijn eigen kinderen ook betrekking had op kinderen van andere vraagouders, deze aanvraag te beperkt uitgelegd. In gesprekken met de diversie instanties is duidelijk gemaakt dat de aanvraag ook zag op andere kinderen dan vermeld, aldus [appellant].

4.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het gastouderbureau namens [appellant] een aanvraag heeft ingediend tot registratie van een voorziening voor gastouderopvang aan de [locatie] te Deventer. Uit de aanvraag noch anderszins kan worden afgeleid dat de aanvraag betrekking had op kinderen van andere vraagouders. Dat [appellant] in gesprekken met instanties zou hebben vermeld dat de aanvraag ook betrekking had op andere kinderen, wat daar verder van zij, kan aan het voorgaande zonder nadere onderbouwing niet afdoen.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college naar aanleiding van de aanvraag van 14 april 2011 ten onrechte een nieuwe verklaring omtrent het gedrag heeft verzocht, waardoor de redelijke termijn waarbinnen de aanvraag is behandeld, is overschreden.

5.1. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1.46, eerste en tweede lid, van de Wko, geeft het college uiterlijk tien weken na de aanvraag, en nadat uit het onderzoek, bedoeld in artikel 1.62, en anderszins is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling, een beschikking af, waarbij de datum van ingang van de exploitatie niet voor de datum van bekendmaking van die beschikking ligt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen heeft het college binnen de in artikel 1.46, eerste lid gestelde termijn van tien weken per brief van 17 juni 2011 aan het gastouderbureau een mededeling gedaan als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, van de Awb, en kenbaar gemaakt dat [appellant] tot dan toe geen medewerking had verleend aan een inspectie. Voorts heeft het college het gastouderbureau meegedeeld dat de beschikking binnen twee weken nadat er alsnog een inspectie heeft plaatsgevonden zou worden genomen. Van strijd met artikel 4:13, tweede lid, van de Awb is dan ook, anders dan [appellant] betoogt, geen sprake. De inspectie heeft vervolgens op 27 juni 2011 plaatsgevonden, waarbij is geconstateerd dat [appellant] niet over een recente verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) beschikte. Deze VOG is op 12 september 2011 alsnog door het gastouderbureau aan het college toegezonden, waarna het college op 20 september 2011 op de aanvraag heeft beslist. Termijnoverschrijding of strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, zoals door [appellant] gesteld, doet zich gelet op het voorgaande niet voor. Het betoog van [appellant] dat hij ten tijde van de inspectie al over een VOG beschikte en dat ten onrechte nogmaals om een VOG is verzocht, maakt het voorgaande niet anders, nu een VOG ingevolge het bepaalde in artikel 1.50, vierde lid, van de Wko niet ouder mag zijn dan twee maanden op het moment dat zij wordt overgelegd. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van de inspectie over een dergelijke recente VOG beschikte.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

47-756.