Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:17

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
201206182/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBASS:2012:784, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 november 2009 heeft het college alle verblijfsgebieden te Een aangewezen als wegen waarop maximaal 30 kilometer per uur mag worden gereden door plaatsing van verkeersborden A1 (zone 30) (hierna: het verkeersbesluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206182/1/A3.

Datum uitspraak: 26 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Een, gemeente Noordenveld,

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 10 mei 2012 in zaak nr. 11/304 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld.

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2009 heeft het college alle verblijfsgebieden te Een aangewezen als wegen waarop maximaal 30 kilometer per uur mag worden gereden door plaatsing van verkeersborden A1 (zone 30) (hierna: het verkeersbesluit).

Bij besluit van 29 maart 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 mei 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2013, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door ing. M. Smit, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge het tweede lid kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge het tweede lid, geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

Ingevolge artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: het Babw) moet de plaatsing of verwijdering van een bord A1, opgenomen in bijlage 1, behorende bij het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 (hierna: RVV 1990), geschieden krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 21 vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste lid en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

Nadere regels omtrent de plaatsing of verwijdering van verkeerstekens en onderborden zijn neergelegd in de Uitvoeringsvoorschriften Babw inzake verkeerstekens (hierna: de Uitvoeringsvoorschriften). Hoofdstuk II, paragraaf 4 van de Uitvoeringsvoorschriften bevat voorschriften voor de toepassing van bord A1, van het RVV 1990.

Ingevolge paragraaf 4, onder 1, dient de in te stellen maximumsnelheid in overeenstemming te zijn met het wegbeeld ter plaatse. Dit betekent dat waar nodig de omstandigheden op zodanige manier zijn aangepast dat de beoogde snelheid redelijkerwijs voortvloeit uit de aard en de inrichting van de betrokken weg en van zijn omgeving.

Ingevolge paragraaf 4, onder 4, mag Bord A1 op wegvakken slechts worden toegepast indien wordt voldaan aan de volgende eisen:

- iedere weg in het betrokken gebied heeft voornamelijk een verblijfsfunctie;

- om te voorkomen dat de verblijfsfunctie wordt aangetast door een relatief hoge intensiteit van het gemotoriseerde verkeer, is de weg met zijn omgeving waar nodig aangepast;

- met het oog op snelheidsbeperking en attentieverhoging is extra aandacht besteed aan potentieel gevaarlijke punten zoals:

a. plaatsen waar voetgangers, in het bijzonder schoolkinderen en bejaarden, plegen over te steken;

b. kruispunten met een hoofdroute voor fietsers en eventueel bromfietsers;

c. kruispunten waar de voorrang door middel van borden geregeld is;

- de overgangen naar een andere maximumsnelheid zijn door de constructie duidelijk herkenbaar;

- indien de overgang naar een hogere maximumsnelheid binnen 20 meter van een kruisende weg ligt, dan is de voorrang geregeld door middel van verkeerstekens of een in- en uitritconstructie, tenzij de kruisende weg geschikt is om in het betrokken gebied opgenomen te worden.

Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) heeft een weg een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de nader in die bepaling vermelde breedten aan weerszijden van de weg.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, geldt het eerste lid niet met betrekking tot wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, is de voor de woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB.

2. Het verkeersbesluit van het college strekt ertoe alle verblijfsgebieden te Een in te richten als 30 km-zone teneinde te komen tot een vermindering van het aantal verkeersongevallen en een verbetering van de positieve veiligheidsbeleving van de openbare ruimte en om alle gebruiksvormen in de openbare ruimte te stimuleren. Ter uitvoering van dit besluit heeft het college diverse maatregelen getroffen, zoals de aanleg van verkeersplateaus.

3. De bezwaren van [appellant] zijn gericht tegen de inrichting van de 30 km-zone en het ter uitvoering daarvan aangelegde verkeersplateau ter hoogte van de woning aan de Hoofdstraat.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het verkeersbesluit uitsluitend ziet op het instellen van een 30 km-zone en geen ondersteunende maatregelen als de aanleg van verkeersplateaus omvat, zodat de op de ondersteunende maatregelen betrekking hebbende bezwaren niet kunnen worden beoordeeld. Daartoe voert [appellant] aan dat het verkeersbesluit niet zonder ondersteunende maatregelen kan worden uitgevoerd, zodat de effecten van die maatregelen door de rechtbank hadden moeten worden meegenomen bij haar beoordeling.

4.1. Voor de aanleg van verkeersplateaus is gelet op artikel 15, tweede lid, van de Wvw 1994 slechts een verkeersbesluit vereist indien een verkeersplateau leidt tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken. Dat gevolg doet zich hier niet voor. De aanleg van de plateaus is derhalve een feitelijke handeling en de vermelding van die aanleg in het verkeersbesluit is slechts een mededeling. Deze mededeling is niet een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de bezwaren van [appellant] die betrekking hebben op de ondersteunende maatregelen en de gevolgen daarvan, zoals de gestelde geluidhinder, niet in rechte kunnen worden beoordeeld.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het verkeersbesluit strijdig is met de Uitvoeringsvoorschriften, nu de Hoofdstraat geen verblijfsfunctie maar een verkeersfunctie heeft. Daartoe wijst [appellant] op het grote aantal landbouwvoertuigen dat van de weg gebruik maakt, op het niet aansluiten van de straat op bestaande 30 km-zones en op het ontbreken van een alternatieve route. Dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, de verblijfsfunctie van de weg inmiddels voortvloeit uit de inrichting van de weg is volgens [appellant] een cirkelredenering, omdat het verkeersbesluit niet kan worden gerechtvaardigd op grond van een verblijfsfunctie die op het moment van het nemen van dat besluit nog niet bestond.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 oktober 2012 in zaak nr. 201105657/1/A3) komt aan het college bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de begrippen ‘veiligheid op de weg’ en ‘bruikbaarheid van de weg’. Voorts is het aan het college om de verschillende belangen die betrokken moeten worden bij het nemen van een dergelijk besluit tegen elkaar af te wegen om te beoordelen wanneer de in artikel 2 van de Wvw 1994 vermelde belangen het nemen van welke verkeersmaatregel vergen. De rechter dient zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit terughoudend op te stellen en te toetsen of de uitleg die het bestuur aan voormelde begrippen heeft gegeven, de grenzen van redelijke wetsuitleg te buiten gaat, of het besluit niet anderszins in strijd is met wettelijke voorschriften en of de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is dat het college niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

Hoewel [appellant] terecht betoogt dat de rechtbank de ten tijde van het verkeersbesluit nog aan te leggen verkeersplateaus niet mocht betrekken bij de beoordeling van de functie van de weg, noopt dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu de rechtbank ook zonder daaraan betekenis toe te kennen tot haar oordeel kon komen.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de Hoofdstraat weliswaar een belangrijke verkeersfunctie heeft, maar heeft de verblijfsfunctie belangrijker geacht. Het heeft in dat kader gesteld dat aan de Hoofdstraat wordt gewoond, er aaneengesloten bebouwing aanwezig is en fietsers gebruik maken van de rijbaan. Voorts zijn er volgens het college in- en uitritten, kunnen voetgangers overal oversteken en is de weg verhard met bestrating. De rechtbank heeft overwogen dat het op grond van het door het college omschreven gebruik van de Hoofdstraat aannemelijk is dat deze voornamelijk een verblijfsfunctie heeft.

Hetgeen [appellant] daartegen thans aanvoert leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft het verkeersbesluit genomen omwille van de verkeersveiligheid en ter stimulering van alle gebruiksvormen van de openbare ruimte. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het college onderkend dat de Hoofdstraat ook een verkeersfunctie heeft, maar heeft het gelet op het gebruik en de bebouwing van die straat de verblijfsfunctie belangrijker geacht. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte het college in dat standpunt is gevolgd. Daarbij is mede van belang dat indien de verkeersfunctie belangrijker wordt geacht het alternatief een 50 km-zone is. Voorts is, gelet op de hiervoor weergegeven passage uit de Uitvoeringsvoorschriften van belang dat, zoals het college heeft beklemtoond, in de omliggende straten die de Hoofdstraat kruisen ook een 30 km-zone geldt.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte geen grond heeft gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot het verkeersbesluit heeft kunnen komen. Hij voert daartoe aan dat het college geen rekening heeft gehouden met een te verwachten toename van de geluidhinder, terwijl in het Gemeentelijk Verkeer en Vervoers Plan (hierna: GVVP) is opgenomen dat wordt gestreefd naar een minimale geluidhinder als een van de positieve effecten van een verblijfsgebied. Voorts voert hij aan dat door het instellen van een 30 km-zone hem de bescherming van de Wgh komt te ontvallen. Ingevolge die wet is op wegen in een 50 km-zone een maximale geluidsbelasting van 48 dB toegestaan. De Wgh is echter niet van toepassing op wegen in een 30 km-zone. Volgens [appellant] is de huidige geluidsbelasting hoger dan 48 dB en heeft het college ten onrechte, zich baserend op het rapport van Stroop Raadgevende ingenieurs B.V, betoogd dat sprake is van een geluidsafname. Dat rapport is volgens hem niet representatief, nu daaraan een meting met maar één voertuig ten grondslag ligt.

6.1. Het verkeersbesluit wijst de Hoofdstraat aan als een weg waarop maximaal 30 kilometer per uur mag worden gereden. Gelet op artikel 74, tweede lid, van de Wgh is het eerste lid van die bepaling niet van toepassing op wegen waar maximaal 30 kilometer per uur mag worden gereden. Uit de memorie van toelichting bij de Wgh volgt dat de wetgever daarvoor heeft gekozen, omdat op grond van het geringe aantal motorvoertuigen dat van zulke wegen gebruik maakt of zal maken, reeds van tevoren kan worden vastgesteld dat geluidhinder nauwelijks zal optreden. Uit artikel 74, tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 82, eerste lid, van de Wgh heeft het college derhalve mogen afleiden dat bij wegen in een 30 km-zone de geluidbelasting van de gevels van de woningen op de Hoofdstraat de waarde van 48 dB niet overschrijdt. De Afdeling gaat er daarbij overigens van uit dat de maximaal toegestane snelheid op de Hoofdstraat zal worden gehandhaafd, al dan niet naar aanleiding van een verzoek daartoe, zoals [appellant] ook reeds heeft gedaan. De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat het college in het wegvallen van de bescherming op grond van de Wgh geen reden hoefde te zien om de Hoofdstraat niet als 30 km-zone aan te merken. Gelet hierop bestaat evenmin grond voor het oordeel dat het college het verkeersbesluit niet in overeenstemming heeft mogen achten met het GVVP.

Voor zover de bezwaren van [appellant] zien op de gestelde toename van geluidhinder als gevolg van de aanleg van het verkeersplateau kunnen deze bezwaren, gelet op hetgeen reeds onder 4.1 is overwogen, niet worden beoordeeld.

De rechtbank heeft gelet op het vorenoverwogene en de ruimte die het college toekomt bij het nemen van een verkeersbesluit met juistheid overwogen dat het college in redelijkheid bij afweging van alle betrokken belangen het verkeersbesluit heeft kunnen handhaven.

Het betoog faalt.

7. Hetgeen [appellant] verder heeft aangevoerd omtrent de gevolgen voor het milieu, de aantasting van het karakter en de functie van zijn woning en de voorkoming van gezondheidsschade, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Deze bezwaren zien ten dele op de gevolgen van de aanleg van het verkeersplateau en zijn voor het overige niet met stukken gestaafd.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2013

434-721.