Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1699

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
201207313/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207313/1/V1.

Datum uitspraak: 21 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 29 juni 2012 in zaak nr. 11/41487 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 juni 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

2.1. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.2. De vreemdeling heeft eerder, op 26 juni 2008, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die de staatssecretaris bij besluit van 16 januari 2009 heeft afgewezen. De rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, heeft het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard bij uitspraak van 26 juli 2010, die de Afdeling bij uitspraak van 29 oktober 2010 in zaak nr. 201008246/1/V3 heeft bevestigd. Het besluit van 16 januari 2009 is van gelijke strekking als dat van 23 december 2011, zodat op het tegen het laatstgenoemde besluit ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing.

3. De staatssecretaris klaagt in de grieven 1 en 2 dat de rechtbank het door de vreemdeling overgelegde rapport van de medische onderzoeksgroep van Amnesty International van 28 maart 2011 (hierna: het MOG-rapport) en het rapport van dr. C. Smith van 5 februari 2011 (hierna: het rapport Smith), (hierna samen: de rapporten), ten onrechte als nieuw gebleken feiten heeft aangemerkt die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank, gelet op het van toepassing zijnde beoordelingskader, ten onrechte nagelaten zich een oordeel te vormen over de vraag of de vreemdeling de rapporten in de eerste asielprocedure naar voren had kunnen brengen. De staatssecretaris betoogt dat zich geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden voordoen, omdat de rapporten op verzoek van de vreemdeling zijn opgesteld en hij die tijdens de eerste asielprocedure had kunnen laten opstellen en overleggen.

3.1. De rapporten zijn op verzoek van de vreemdeling opgesteld met als doel het verschaffen van een deskundigenoordeel over de mate waarin de medische bevindingen verband houden met zijn asielrelaas onderscheidenlijk het risico dat hij loopt bij gedwongen terugkeer naar zijn land van herkomst, Sri Lanka, op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Niet valt in te zien dat de vreemdeling de rapporten niet tijdens de eerdere asielprocedure had kunnen laten opstellen en overleggen, nu hij de in het MOG-rapport vermelde psychische klachten reeds in die procedure kenbaar heeft gemaakt en daartoe stukken van de Riagg Roermond en PsyQ heeft overgelegd en het rapport Smith berust op het asielrelaas dat in de eerdere procedure reeds ongeloofwaardig is geacht. De rechtbank heeft niet onderkend dat de rapporten gelet op het voorgaande niet kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten.

De grieven slagen.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.

5. De vreemdeling heeft aan zijn opvolgende aanvraag van 15 februari 2011 ten grondslag gelegd dat hij problemen verwacht van de zijde van het leger als hij naar Sri Lanka moet terugkeren, omdat hij tijdens zijn verblijf in Nederland aan protestbijeenkomsten heeft deelgenomen, herdenkingsdagen voor de doden van de Liberation Tigers of Tamil Eelam (hierna: de LTTE) heeft bijgewoond en zijn oom, die een vooraanstaande positie in de LTTE heeft bekleed, in Sri Lanka door het leger is vermoord. Ter staving van onderhavige aanvraag heeft de vreemdeling de volgende stukken overgelegd:

1. een arrestatiebevel van 21 januari 2011;

2. een politiebericht van 16 december 2010;

3. foto's waarop de vreemdeling te zien zou zijn tijdens protesten en een herdenkingsdag van de LTTE;

4. een brief van de broer van de vreemdeling van 4 maart 2012 over de algemene situatie in Sri Lanka en de situatie van zijn broer en hemzelf in Sri Lanka;

5. een foto waarop de vreemdeling te zien zou zijn met zijn oom;

6. het artikel 'Tamils heavily victimised at Colombo airport' uit de Sri Lanka Guardian van 5 januari 2011;

7. een brief van GGZ instelling Altrecht van 9 februari 2012, in aanvulling op het MOG-rapport;

8. een aanvullende notitie van dr. C. Smith van 15 februari 2011.

5.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 8 oktober 2007 in zaak nr. 200704465/1 en 29 maart 2010 in zaak nr. 200907436/1/V3), doen zich geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden voor, indien de authenticiteit van de stukken waarmee een vreemdeling de door hem gestelde nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden wil aantonen niet is vastgesteld. Het ligt op de weg van de vreemdeling de authenticiteit van de aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag gelegde stukken aan te tonen. De staatssecretaris kan de vreemdeling daarbij tegemoet komen door zelf de authenticiteit van de stukken te laten beoordelen. Dit doet echter niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling.

De staatssecretaris heeft de authenticiteit van het hiervoor onder 1 en 2 vermelde arrestatiebevel en politiebericht door Bureau Documenten laten beoordelen. Uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten blijkt dat het arrestatiebevel mogelijk echt is, maar waarschijnlijk niet is opgemaakt en afgegeven door de daartoe bevoegde instantie dan wel autoriteit, omdat onregelmatigheden zijn aangetroffen in de opmaak en afgifte van het document. Uit de verklaring van onderzoek blijkt voorts dat het Bureau Documenten geen uitspraak kan doen over de echtheid van het politiebericht en dat dit waarschijnlijk evenmin is opgemaakt en afgegeven door de daartoe bevoegde instantie of autoriteit, omdat het nummer, de opmaak en afgifte daarvan overeenkomen met die van het arrestatiebevel. Nu de authenticiteit van het arrestatiebevel en het politiebericht niet is komen vast te staan en de vreemdeling die niet heeft aangetoond, kunnen deze stukken reeds hierom niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 10 mei 2012 in zaak nr. 201106236/1/V1, dient een document en de daarin vervatte informatie afkomstig te zijn uit een objectieve bron, teneinde te kunnen worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

De onder 3 vermelde foto's rechtvaardigen geen hernieuwde rechterlijke toetsing, omdat daaruit niet kan worden afgeleid waar en wanneer deze zijn genomen, zodat de foto's niet kunnen worden aanvaard als objectieve bron en evenmin kan worden vastgesteld of de vreemdeling deze eerder had kunnen overleggen. De onder 4 vermelde brief kan niet worden aangemerkt als afkomstig uit objectieve bron, zodat ook die brief en de daarin vervatte informatie niet kan worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

5.3. De onder 5 vermelde foto, waarmee de vreemdeling wil aantonen dat het leger in Sri Lanka achter zijn familieband met zijn oom is gekomen, is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, omdat de vreemdeling tijdens het gehoor van de opvolgende aanvraag van 29 augustus 2011 heeft verklaard dat deze familieband al bij de autoriteiten van Sri Lanka bekend was toen hij nog in zijn land van herkomst verbleef, zodat niet valt in te zien dat hij dit niet tijdens de eerdere asielprocedure naar voren heeft kunnen brengen.

5.4. Het onder 6 vermelde artikel rechtvaardigt geen hernieuwde rechterlijke toetsing, omdat daaruit niet kan worden afgeleid dat de situatie in Sri Lanka ten opzichte van de situatie ten tijde van het besluit van 16 januari 2009 zodanig is verslechterd dat een persoon reeds wegens het zijn van Tamil bij terugkeer in de negatieve belangstelling van het Sri Lankaanse leger staat.

5.5. De onder 7 en 8 vermelde brief en aanvullende notitie zijn mede gelet op het onder 3.1 overwogene geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, omdat de vreemdeling geen in rechte te honoreren verklaring heeft gegeven waarom hij die stukken niet eerder heeft kunnen laten opstellen en overleggen.

5.6. Nu in hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen, zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts hetgeen is aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat het hier gaat om een geval als omschreven in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45, is er voor toetsing van het besluit van 23 december 2011 geen plaats.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 29 juni 2012 in zaak nr. 11/41487;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Vink

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2013

154-701