Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1692

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
201106650/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Vlinderstrik", voor zover betrekking hebbend op het grondgebied van de gemeente Rotterdam, vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106650/1/R4.

Datum uitspraak: 30 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1A] [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] en [appellante sub 1D], gevestigd te Rotterdam (hierna: [appellante sub 1]),

2. [appellante sub 2], gevestigd te Rotterdam,

3. de vereniging Vereniging tegen Milieubederf in en om het Nieuwe-Waterweggebied, gevestigd te Schiedam, en anderen (hierna: VTM en anderen),

4. [appellant sub 4] h.o.d.n. [melkveehouderij], gevestigd te Rotterdam (hierna: [melkveehouderij]),

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Carvostal B.V., gevestigd te Rotterdam,

6. de stichting Stichting Natuurbescherming Vlinderstrik, gevestigd te Rotterdam (hierna: SNV),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Vlinderstrik", voor zover betrekking hebbend op het grondgebied van de gemeente Rotterdam, vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellante sub 2], VTM en anderen, [melkveehouderij], Carvostal B.V. en SNV beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 1], [appellante sub 2], VTM en anderen en SNV hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 201106777/1/R4 ter zitting behandeld op 31 mei 2012, waar [appellante sub 1], bij monde van [appellant sub 1C] en [appellante sub 1D], [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigden] en R. Houtkamp, VTM en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, [melkveehouderij], vertegenwoordigd door mr. A.J. Bijl, Carvostal B.V., vertegenwoordigd door A.J. Kranenburg en A. de Vogel, SNV, vertegenwoordigd door J.H. Ochtman en J.F. Dijkshoorn, en de raad, vertegenwoordigd door mr. K.I. Siem, drs. E. de Bever, beiden werkzaam bij de gemeente, en M.J. Houwen, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, gehoord.

Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Bij tussenuitspraak van 27 december 2012, in zaak nr. 201106650/1/T1/R4 (www.raadvanstate.nl), heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in het besluit van 7 april 2011 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 4 april 2013 heeft de raad het besluit van 7 april 2011 gewijzigd.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellante sub 1], Carvostal en SNV een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop het gebrek is hersteld.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het besluit van 7 april 2011

1. Gelet op overweging 4.3 van de tussenuitspraak is het beroep van [melkveehouderij], voor zover dat is gericht tegen het besluit van 7 april 2011, niet-ontvankelijk.

2. De Afdeling heeft in overweging 13.4 van de tussenuitspraak als volgt overwogen ten aanzien van het betoog van [appellante sub 1] dat ten onrechte niet aan al haar als caravanstalling in gebruik zijnde bedrijfsgebouwen de aanduiding "caravanstalling" is toegekend. De raad heeft ter zitting erkend dat bij de vaststelling van het plan één van de bedrijfsgebouwen van [appellante sub 1] op het perceel [locatie 1], waarin reeds geruime tijd sprake is van caravanstalling, in afwijking van het uitgangspunt dat ten tijde van de opstelling van het ontwerpplan aanwezige caravanstalling als zodanig wordt bestemd, niet op de verbeelding is opgenomen. Voorts heeft de raad bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis vergaard omtrent het ten tijde van de opstelling van het ontwerpplan bestaande gebruik van het op de verbeelding opgenomen bedrijfsgebouw van [appellante sub 1] waaraan niet de aanduiding "caravanstalling" is toegekend.

Op grond hiervan heeft de Afdeling geoordeeld dat de raad het besluit van 7 april 2011, voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Tuinbouw" op het perceel [locatie 1], heeft genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Voorts heeft de Afdeling in overweging 14.1 overwogen dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat hij niet heeft beoogd een strook grond van ongeveer 18 meter direct achter de bedrijfsbebouwing van [appellante sub 1] te bestemmen als "Natuur - 3". Op grond hiervan heeft de Afdeling geoordeeld dat, nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid op grond van artikel 3:2 van de Awb is voorbereid.

Verder heeft de Afdeling in overweging 17.2 overwogen dat het college van gedeputeerde staten op verzoek van het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek ten behoeve van vervangende nieuwbouwinvesteringen op het perceel [locatie 2] een ontheffing als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Verordening Ruimte heeft verleend van de maximaal toegestane bouwhoogte voor bedrijfsgebouwen tot een hoogte van 9 meter. De Afdeling heeft voorts overwogen dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat hij heeft ingestemd met het verzoek om ontheffing. De Afdeling heeft op grond hiervan geoordeeld dat, nu de raad zich bij de vaststelling van het plan kennelijk niet voldoende heeft beraden over de wens van [appellante sub 2] om op het perceel [locatie 2] een bouwhoogte voor bedrijfsgebouwen van 9 meter toe te staan, hij het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid op grond van artikel 3:2 van de Awb heeft voorbereid.

3. Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen van [appellante sub 1] en [appellante sub 2], voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van 7 april 2011, gedeeltelijk gegrond. Dat besluit dient te worden vernietigd, voor zover dat ziet op de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch - Tuinbouw" en "Natuur - 3" ter plaatse van het perceel [locatie 1] te Rotterdam, alsmede het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Tuinbouw" ter plaatse van het perceel [locatie 2] te Rotterdam. Gelet op de overwegingen van de tussenuitspraak zijn de beroepen van [appellante sub 1] en [appellante sub 2], voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van 7 april 2011, voor het overige ongegrond en zijn de beroepen van VTM en anderen, Carvostal en SNV, voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van 7 april 2011, ongegrond.

4. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van de tussenuitspraak alsnog:

- met in achtneming van hetgeen onder 13.4 is overwogen onderzoek te doen naar het ten tijde van de opstelling van het ontwerpplan bestaande gebruik van het op de verbeelding opgenomen bedrijfsgebouw van [appellante sub 1] waaraan niet de aanduiding "caravanstalling" is toegekend, dan wel een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Tuinbouw" op het perceel [locatie 1] wat dit bedrijfsgebouw betreft, alsmede met in achtneming van hetgeen onder 13.4 is overwogen een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Tuinbouw" op het perceel [locatie 1] wat het niet op de verbeelding opgenomen bedrijfsgebouw van [appellante sub 1] betreft;

- met inachtneming van hetgeen onder 14.1 is overwogen een passende planregeling vast te stellen voor het plandeel met de bestemming "Natuur - 3" ter plaatse van de gronden achter de bedrijfsbebouwing van [appellante sub 1];

- met in achtneming van hetgeen onder 17.2 is overwogen een passende planregeling vast te stellen voor de op het perceel [locatie 2] toegestane maximale bouwhoogte.

Het besluit van 4 april 2013

5. Bij het besluit van 4 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Vlinderstrik", voor zover betrekking hebbend op het grondgebied van de gemeente Rotterdam, als volgt gewijzigd:

a. artikel 5, lid 5.1, onder c, van de planregels komt te luiden: ‘ter plekke van de op de plankaart aangegeven aanduiding "C" is het stallen van caravans in de kassen toegestaan, met dien verstande dat op het perceel [locatie 1] en het perceel [locatie 2] tevens het stallen van caravans in bedrijfsgebouwen (anders dan kassen) is toegestaan’;

b. de verbeelding voor zover die betrekking heeft op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] wordt gewijzigd overeenkomstig het voorstel;

c. de bestemming "Natuur - 3" wordt gewijzigd in de bestemming "Agrarisch", overeenkomstig het voorstel.

In samenhang hiermee is de verbeelding ten aanzien van het perceel [locatie 1] aldus aangepast dat het gebouw dat al op de verbeelding stond is voorzien van de aanduiding "C" en het andere gebouw op de verbeelding is opgenomen met de aanduiding "C" en de hoogteaanduiding "Hb=8". Voorts zijn voor het perceel [locatie 1] eigen, maar inhoudelijk ongewijzigde, hoogteaanduidingen opgenomen, omdat de raad thans voor het perceel [locatie 2], waarmee de regeling voor het perceel [locatie 1] in het besluit van 7 april 2011 was gecombineerd, een andere hoogteregeling heeft opgenomen. Verder heeft de strook grond met een breedte van 18 meter achter het perceel [locatie 1] de bestemming "Agrarisch" gekregen. Het aan deze strook toekennen van een lichte industriebestemming, zoals door [appellante sub 1] in haar beroep bepleit, acht de raad gelet op de transformatie van de aangrenzende gronden niet gewenst. Ten slotte is voor het perceel [locatie 2] de bouwhoogte voor bedrijfsgebouwen alsook die voor kassen vastgesteld op maximaal 9 meter door het perceel op de verbeelding te voorzien van de aanduidingen "Hb=9" en "Hk=9", en is voor de percelen [locatie 1] en [locatie 2] de stalling van caravans niet meer beperkt tot bestaande kassen, maar ook toegestaan in bedrijfsgebouwen.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb hebben de beroepen van rechtswege mede betrekking op het besluit van 4 april 2013 tot wijziging van het besluit van 7 april 2011.

6. Ten aanzien van het beroep van [melkveehouderij], voor zover dat is gericht tegen het besluit van 4 april 2013, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 3 oktober 2012, in zaken nrs. 201110156/1/R4 en 201102331/1/R4, dat een ontvankelijkheidsgebrek aan het oorspronkelijke beroep slechts doorwerkt voor zover het gebrek zich naar zijn aard ook tot het bezwaar of beroep van rechtswege uitstrekt. Dat is hier het geval, nu het ontvankelijkheidsgebrek uitsluitend is gerelateerd aan het inroepen van rechtsbescherming. Het van rechtswege ontstane beroep van [melkveehouderij] tegen het besluit van 4 april 2013 is derhalve eveneens niet-ontvankelijk.

7. [appellante sub 1] voert in haar zienswijze aan dat voor haar perceel ten onrechte een bouwhoogte van 7 meter voor bedrijfsgebouwen en 6 meter voor kassen wordt toegestaan, terwijl voor het perceel van [appellante sub 2] een bouwhoogte van 9 meter wordt toegestaan. Hiertoe stelt zij dat beide ondernemingen dezelfde activiteiten ontplooien en in dezelfde maatschappelijke behoefte voorzien. Verder voert zij aan dat caravans en campers steeds hoger worden en dat zij daarom de mogelijkheid onderzoekt de bestaande kas te slopen en een nieuw bedrijfsgebouw op te richten. Volgens haar wordt - aangezien de percelen van haar en [appellante sub 2] één blok vormen - mogelijk één gebouw tezamen met [appellante sub 2] opgericht, waarbij dan een gelijke bouwhoogte noodzakelijk is.

7.1. Bij het besluit van 4 april 2013 zijn voor delen van het perceel [locatie 1] eigen, maar niet van de aanduidingen die ter plaatse op grond van het besluit van 7 april 2011 reeds golden afwijkende, hoogteaanduidingen "Hb=7" en "Hk=6" opgenomen. In haar oorspronkelijke beroep heeft [appellante sub 1] de hoogteaanduidingen niet bestreden. Met haar zienswijze heeft [appellante sub 1] haar beroepsgronden dan ook uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat hetgeen [appellante sub 1] in dit opzicht aanvoert, buiten inhoudelijke bespreking blijft.

8. [appellante sub 2] heeft naar aanleiding van het besluit van 4 april 2013 geen zienswijze naar voren gebracht. De Afdeling leidt hieruit af dat [appellante sub 2] geen bezwaren heeft tegen het besluit van 4 april 2013. Het van rechtswege ontstane beroep is ongegrond.

9. SNV voert aan dat bij het besluit van 4 april 2013 ten onrechte de bestemming van de strook grond van 18 meter breed en 110 meter lang achter het perceel [locatie 1] wordt gewijzigd van "Natuur 3" in "Agrarisch". Hiermee gaat een stuk natuurontwikkeling verloren, zonder dat daar enige compensatie tegenover staat, aldus SNV. Dit klemt volgens SNV temeer, omdat - zoals zij ook in haar oorspronkelijke beroep heeft betoogd en volgens haar door de Afdeling in de tussenuitspraak is miskend - met de bestemmingsplannen Vlinderstrik van de gemeenten Rotterdam en Lansingerland toch al niet werd voldaan aan de beslissingen van wezenlijk belang (hierna: BWB) 23 en 25 van de planologische kernbeslissing "Project Mainportontwikkeling Rotterdam" uit 2006 (hierna: de PKB-PMR), nu geen 140 hectare, maar 124,4 hectare werd getransformeerd naar een natuur- en recreatiebestemming. Het afsnoepen van nog eens 0,2 hectare, waardoor het tekort aan natuur- en recreatiegebied oploopt van 15,6 hectare naar 15,8 hectare is, hoewel het verwaarloosbaar klein lijkt in het licht van dit totale tekort onaanvaardbaar, aldus SNV.

9.1. In overweging 9.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de raad zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de oppervlakte waarbinnen een openbaar toegankelijk natuur- en recreatiegebied binnen het plan mogelijk wordt gemaakt voldoet aan de uitgangspunten die zijn geformuleerd in de BWB 23 en 25 van de PKB-PMR.

Voor zover SNV zich keert tegen overwegingen van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

9.2. Evenmin ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat door het besluit van 4 april 2013 binnen de Schiebroekse- en de Zuidpolder een nog groter tekort aan natuur- en recreatiegebied zou ontstaan.

BWB 23 behelst dat in de Schiebroekse- en de Zuidpolder een openbaar toegankelijk natuur- en recreatiegebied met een oppervlakte van circa 100 hectare zal worden gerealiseerd.

BWB 25 behelst dat de Schiebroekse- en de Zuidpolder zullen worden ingericht als recreatief uitloopgebied en als ecologische verbindingszone tussen de Groenblauwe Slinger en het Rottemerengebied. Volgens de toelichting op BWB 25 is in deze polders vestiging van recreatieve voorzieningen, waaronder volkstuinen en sportvelden in die mate toegestaan, dat 100 hectare openbaar groen gerealiseerd kan worden. De volkstuinen en sportvelden (omvang circa 40 hectare) maken geen onderdeel uit van de 100 hectare, die in het kader van PMR in de Schiebroekse en Zuidpolder ruimtelijk gereserveerd worden als onderdeel van de 750 hectare die in de noordflank van Rotterdam op een drietal locaties wordt gesitueerd.

Anders dan SNV kennelijk meent, volgt uit BWB 25, gelezen in het licht van de bijbehorende toelichting, niet dat naast de 100 hectare aan natuur- en recreatiegebied die op grond van BWB 23 moet worden gerealiseerd, tevens 40 hectare aan recreatiegebied moet worden gerealiseerd, maar slechts dat laatstgenoemd gebied voor zover daarvan sprake is niet in mindering mag worden gebracht op de 100 hectare die op grond van BWB 23 moet worden gerealiseerd. Voorts zijn voor het antwoord op de vraag of wordt voorzien in een voldoende oppervlakte aan natuur- en recreatiegebied de verbeelding en de planregels van het onderhavige bestemmingsplan bepalend, en niet de kaart behorende bij de nota "Visie en durf" van mei 2000, waarnaar SNV verwijst. SNV heeft niet aannemelijk gemaakt dat, na de toekenning van de bestemming "Agrarisch" aan bedoelde strook, in de Schiebroekse- en de Zuidpolder niet wordt voorzien in ten minste 100 hectare natuur- en recreatiegebied (exclusief volkstuinen en sportvelden). Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen SNV heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad aan bedoelde strook niet in redelijkheid de bestemming "Agrarisch" heeft kunnen geven. Het betoog faalt.

10. Carvostal voert in haar zienswijze aan dat sprake is van rechtsongelijkheid, nu haar niet de mogelijkheid wordt geboden een stallingsruimte voor caravans toe te voegen op een binnenterreintje op haar perceel [locatie 3], terwijl de bedrijven aan de [locatie 1] en [locatie 2] medewerking krijgen om verder uit te breiden, ook en vooral in de hoogte.

10.1. In overweging 13.3 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling, naar aanleiding van onder meer het verzoek van Carvostal om een bestemmingsomschrijving op grond waarvan caravanstalling ook buiten de reeds bestaande caravanstalling mogelijk is, overwogen dat de raad, om ongewenste invloed op het voorziene natuur- en recreatiegebied te voorkomen en verstening van het buitengebied tegen te gaan, er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om stallings- of opslagactiviteiten anders dan bestaande caravanstalling in de zin van artikel 1 van de planregels niet toe te staan.

Carvostal keert zich in zoverre tegen overwegingen van de tussenuitspraak. Behoudens zeer uitzonderlijke gevallen kan de Afdeling niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan. Het betoog faalt.

11. VTM en anderen hebben naar aanleiding van het besluit van 4 april 2013 geen zienswijze naar voren gebracht. De Afdeling leidt hieruit af dat VTM en anderen geen bezwaren hebben tegen het besluit van 4 april 2013. Het van rechtswege ontstane beroep is ongegrond.

12. De beroepen van [appellante sub 1], [appellante sub 2], VTM en anderen, Carvostal en SNV, voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van 4 april 2013, zijn ongegrond.

Proceskosten

13. Ten aanzien van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Ten aanzien van VTM en anderen, [melkveehouderij], Carvostal en SNV bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 4] h.o.d.n. [melkveehouderij], voor zover dat is gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Rotterdam van 7 april 2011, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van de [appellante sub 1A] [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] en [appellante sub 1D] en [appellante sub 2], voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Rotterdam van 7 april 2011, gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Rotterdam van 7 april 2011, kenmerk 11/2070, voor zover dat ziet op de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch - Tuinbouw" en "Natuur - 3" ter plaatse van het perceel [locatie 1] te Rotterdam, alsmede het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Tuinbouw" ter plaatse van het perceel [locatie 2] te Rotterdam;

IV. verklaart de beroepen van de [appellante sub 1A] [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] en [appellante sub 1D] en [appellante sub 2], voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Rotterdam van 7 april 2011, voor het overige, en de beroepen van de vereniging Vereniging tegen Milieubederf in en om het Nieuwe-Waterweggebied en anderen, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Carvostal B.V. en de stichting Stichting Natuurbescherming Vlinderstrik, voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Rotterdam van 7 april 2011, geheel ongegrond;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 4] h.o.d.n. [melkveehouderij], voor zover dat is gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Rotterdam van 4 april 2013, niet-ontvankelijk;

VI. verklaart de beroepen van de [appellante sub 1A] [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] en [appellante sub 1D], [appellante sub 2], de vereniging Vereniging tegen Milieubederf in en om het Nieuwe-Waterweggebied en anderen, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Carvostal B.V. en de stichting Stichting Natuurbescherming Vlinderstrik, voor zover deze zijn gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Rotterdam van 4 april 2013, ongegrond;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Rotterdam aan de [appellante sub 1A] [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] en [appellante sub 1D] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) en aan [appellante sub 2] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013

271.