Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1687

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201304239/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "De Laren" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/426
OGR-Updates.nl 2013-0283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304239/1/R6.

Datum uitspraak: 23 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te Almere,

2. de stichting Stichting Belangen park Uithof en anderen, gevestigd te Almere,

en

de raad van de gemeente Almere,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "De Laren" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] en de stichting en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2013, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door mr. A. Barada, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, en de stichting en anderen, vertegenwoordigd door mr. A.H. van der Wal, advocaat te Leeuwarden, en de raad, vertegenwoordigd door P.A.M.G. Wijnen, L. Baan en A.H.V. Eggenhuizen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de nieuwe wijk De Laren en maakt onder meer de bouw van ongeveer 450 woningen mogelijk.

Ontvankelijkheid

3. De raad betoogt dat [appellanten sub 1] geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2 van de Awb, omdat zij op een te grote afstand wonen van het plandeel met de bestemming "Woongebied". Volgens de raad is het beroep, voor zover gericht tegen dit plandeel, daarom niet-ontvankelijk.

De raad betoogt voorts dat de stichting geen belanghebbende is bij het bestreden besluit. De raad voert hiertoe aan dat de doelstelling van de stichting onduidelijk is, nu niet duidelijk is wat de geografische ligging van het park 'Uithof' is. Voorts is volgens de raad onduidelijk wat de feitelijke werkzaamheden van de stichting zijn. Verder betoogt de raad dat het beroep van de stichting en anderen tegen het plandeel met de bestemming "Woongebied", voor zover dit is ingesteld door [appellant sub 2A] niet-ontvankelijk is, aangezien hij op een te grote afstand van dit plandeel woont. Ten slotte betoogt de raad dat het beroep van de stichting en anderen tegen het plandeel met de bestemming "Cultuur en ontspanning", voor zover dit is ingesteld door [appellant sub 2B] niet-ontvankelijk is, aangezien hij op een te grote afstand van dit plandeel woont.

3.1. Het plandeel met de bestemming "Woongebied" is gelegen op een afstand van ongeveer 280 m van de woning van [appellanten sub 1] en op ongeveer 285 m van de woning van [appellant sub 2A]. Ingevolge artikel 10, lid 10.2, van de planregels voorziet het plan binnen deze bestemming in de bouw van een appartementengebouw met een maximale bouwhoogte van 20 m. Vast staat dat tussen de woningen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2A] en het voorziene appartementengebouw een groengebied met bomen en struiken is gelegen. Anders dan de raad stelt, valt op voorhand niet uit te sluiten dat een appartementengebouw van 20 m hierboven zal uitsteken en dat [appellanten sub 1] en [appellant sub 2A] vanuit hun woningen zicht zullen hebben op het voorziene appartementengebouw.

De conclusie is dat [appellanten sub 1] en [appellant sub 2A], anders dan de raad betoogt, belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb.

3.2. In de akte van oprichting van de stichting staat dat deze onder meer ten doel heeft het bevorderen van de leefbaarheid in algemene zin in het park 'Uithof' te Almere. In de akte staat voorts dat de stichting dit doel tracht te verwezenlijken door actieve deelname in overlegvormen met instellingen die werkzaam zijn in, of ten behoeve van het park en het organiseren van activiteiten die de sociale cohesie in het park versterken en de leefbaarheid in het park ten goede komen.

Anders dan de raad betoogt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de doelstelling van de stichting onvoldoende duidelijk is. Dat park 'Uithof' volgens de raad niet de officiële naam van het park is, laat onverlet dat hiermee uitsluitend het in het plan geregelde park aan de straat 'De Uithof' kan worden verstaan. Anders dan de raad voorts betoogt, staat in de statuten dat de stichting verschillende feitelijke werkzaamheden tot het bevorderen van haar doelstelling verricht. Gelet hierop bestaat, anders dan de raad verder betoogt, geen aanleiding voor het oordeel dat de stichting is opgericht louter met het doel om tegen het bestreden besluit te procederen.

De conclusie is dat de stichting door het bestreden besluit wordt getroffen in het belang dat zij in het bijzonder behartigt. De stichting kan derhalve als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt.

3.3. Het plandeel met de bestemming "Cultuur en ontspanning" is gelegen op een afstand van ongeveer 140 m van de woning van [appellant sub 2B]. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn deze gronden onder meer bestemd voor dagrecreatie. Ingevolge lid 3.2 zijn op deze gronden onder meer antennes en masten met een maximale bouwhoogte van 15 m voorzien. Vast staat dat tussen de woning van [appellant sub 2B] en het plandeel een groengebied met bomen en struiken is gelegen. Anders dan de raad stelt, valt op voorhand niet uit te sluiten dat antennes en masten van 15 m hierboven zullen uitsteken en dat [appellant sub 2B] vanuit zijn woning zicht hierop zal hebben. [appellant sub 2B] vreest voorts geluidsoverlast vanwege de op het plandeel voorziene dagrecreatie. Gelet op de afstand van de woning van [appellant sub 2B] en de omvang van het plandeel van ruim 8.000 m² valt evenmin op voorhand uit te sluiten dat [appellant sub 2B] geluidsoverlast zal ondervinden.

De conclusie is dat [appellant sub 2B], anders dan de raad betoogt, belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb.

De beroepen

4. De beroepen richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Woongebied" en onder meer de aanduidingen "gestapeld", "maximum bebouwingspercentage terrein 20%" en "maximum bouwhoogte 20 m", gelegen in de zuidwestelijke hoek van het park 'Uithof', alsmede tegen het plandeel met de bestemming "Cultuur en ontspanning", gelegen in het midden van het park 'Uithof'.

Zorgvuldige voorbereiding

5. [appellanten sub 1] en de stichting en anderen betogen dat de raad het plan onzorgvuldig heeft voorbereid. Zij voeren hiertoe aan dat het plan niet is besproken in het Havenpanel. Verder voeren zij aan dat het participatietraject niet is verlopen zoals in de plantoelichting is omschreven. Ten slotte was het volgens de stichting en anderen voor omwonenden van het park 'Uithof' lange tijd onduidelijk dat dit park eveneens deel uitmaakt van het plangebied.

5.1. Het bieden van inspraak maakt geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het schenden van een inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. Het betoog van [appellanten sub 1] en de stichting en anderen dat het participatietraject niet zorgvuldig is verlopen en het plan niet is besproken in het Havenpanel kan derhalve, wat hier verder ook van zij, niet slagen.

Dat het omwonenden in het traject voorafgaand aan het ter inzage leggen van het ontwerpplan onduidelijk was dat het park 'Uithof' deel uitmaakt van het plangebied, kan evenmin slagen. Het park maakt deel uit van het ontwerpplan dat vanaf 11 juli 2012 voor de duur van zes weken ter inzage heeft gelegen. In de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpplan staat dat dit park deel van het ontwerpplan uitmaakt. Gelet hierop had de omvang van het plangebied de omwonenden van het park ten tijde van de ter inzage legging duidelijk moeten zijn en hebben zij voldoende gelegenheid gehad om hun bedenkingen hiertegen in een zienswijze naar voren te brengen.

Nut en noodzaak

6. [appellanten sub 1] betogen dat de raad ten onrechte heeft voorzien in een appartementengebouw. Zij voeren hiertoe aan dat de raad niet heeft onderkend dat geen behoefte bestaat aan huurwoningen in het middensegment.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de appartementen zijn bedoeld als huur- en koopwoningen in het middensegment. Volgens de raad volgt uit onderzoek dat hieraan behoefte bestaat, omdat het in de omgeving van het plangebied aan dergelijke appartementen ontbreekt.

6.2. In de plantoelichting staat dat voor het plangebied een bijdrage wordt geleverd aan de doelstellingen van de Woonvisie. Almere Haven heeft een eenzijdige woningvoorraad, waarbij het ontbreekt aan een middensegment. Veel sociale stijgers verlaten daardoor het stadsdeel. Dit heeft negatieve effecten op de bevolkingssamenstelling van het stadsdeel, op de sociale binding met het stadsdeel en het draagvlak voor voorzieningen. Door woningen te bouwen in De Laren krijgen Havenaren een kans om door te stromen naar een geschikte woning in het eigen stadsdeel en kunnen de negatieve effecten worden bestreden, aldus de plantoelichting.

6.3. [appellanten sub 1] hebben het standpunt van de raad dat het in de omgeving van het plangebied ontbreekt aan woningen in het middensegment en dat dit een negatief effect heeft op de bevolkingssamenstelling niet gemotiveerd betwist. De enkele stelling dat al veel huurwoningen voor de middeninkomensgroepen beschikbaar zijn, is hiertoe onvoldoende, nu [appellanten sub 1] deze stelling niet hebben onderbouwd. Anders dan [appellanten sub 1] betogen heeft de raad zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat behoefte bestaat aan de woningen in het voorziene appartementengebouw.

Flora en fauna

7. De stichting en anderen betogen dat de raad onvoldoende ecologisch onderzoek heeft laten verrichten. Zij voeren hiertoe aan dat het plangebied onderdeel is van het leefgebied van een aantal beschermde diersoorten, waaronder de jaarrond beschermde huismus en gierzwaluw, en dat hier foerageergebieden en migratieroutes van een aantal vleermuizen zijn gelegen, terwijl niet is onderzocht welke gevolgen de realisatie van het plan, waarbij 400 bomen zullen worden gekapt, op deze diersoorten zal hebben. Volgens de stichting en anderen kan derhalve niet worden uitgesloten dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) zal worden overtreden en daarvoor geen ontheffing kan worden verleend.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor de uitvoering van het plan ongeveer 40 tot 50 bomen moeten verdwijnen. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat in 2008 een ecologisch onderzoek is verricht, waarvan de uitkomsten in de plantoelichting zijn opgenomen. Uit dit onderzoek volgt volgens de raad dat de Ffw niet aan de uitvoering van het plan in de weg staat.

7.2. Voor zover de stichting en anderen betogen dat ten onrechte geen ecologisch onderzoek is verricht in het plangebied, kan dit niet slagen. In de plantoelichting staat dat het plangebied in 2008 is geïnventariseerd op beschermde soorten en dat de resultaten hiervan zijn vastgelegd in het rapport 'Almere Haven, Inventarisatie beschermde flora en fauna 2008', opgesteld door Van de Goes en Groot in opdracht van de gemeente Almere. Deze inventarisatie is niet verricht louter ten behoeve van dit plan en de resultaten over welke flora en fauna in het plangebied aanwezig zijn, staan in de plantoelichting beschreven. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het voormelde rapport geen op het plan betrekking hebbend stuk betreft dat redelijkerwijs nodig is voor een beoordeling daarvan, zodat ingevolge artikel 3:11 van de Awb niet de verplichting bestond dit met het ontwerpplan ter inzage te leggen.

7.3. In de plantoelichting staat dat in het plangebied de zwaar beschermde bever, bittervoorn, diverse vleermuissoorten en broedvogels, waaronder de huismus en gierzwaluw, voorkomen. In de plantoelichting staat voorts dat het plan ten aanzien van deze soorten geen ontwikkelingen mogelijk maakt die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen. Bij het graven van de nieuwe watergangen wordt een beperkt stuk bestaande oever verstoord, waarvoor eventueel aanwezige bittervoorns makkelijk kunnen vluchten. Als de werkzaamheden buiten de voortplantingsperiode van de bittervoorn worden uitgevoerd, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats, aldus de plantoelichting. Voorts staat in de plantoelichting dat op dit moment geen actieve beverburchten aanwezig zijn in het plangebied en dat door de aanleg van nieuwe watergangen het leefgebied van de bever zal toenemen zodat geen negatief effect optreedt. Verder staat in de plantoelichting dat de aanwezigheid van verblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis en de watervleermuis in bomen kan worden uitgesloten, vanwege het ontbreken van oudere dikke bomen met holtes. De aanwezigheid van gebouwbewonende soorten kan niet worden uitgesloten, maar omdat geen gebouwen zullen worden gesloopt, zal het plan ten aanzien van deze soorten niet leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen, aldus de plantoelichting. In de plantoelichting staat ten slotte dat bij het verwijderen van groen en de werkzaamheden aan watergangen rekening moet worden gehouden met het broedseizoen van vogels, om verstoring van broedgevallen te voorkomen. Op de gebouwen kunnen zich jaarrond beschermde nestlocaties van de huismus en de gierzwaluw bevinden. Het bestemmingsplan maakt niet direct ontwikkelingen mogelijk die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen. De locaties met bebouwing veranderen niet van functie, dus sloop is voor de realisatie van het bestemmingsplan niet noodzakelijk, aldus de plantoelichting.

7.4. Anders dan de stichting en anderen stellen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat voor de realisatie van het plan 400 bomen moeten worden gekapt. De raad heeft een kaart overgelegd waarop de bomen in het plangebied zijn weergegeven. Volgens deze kaart moeten voor de realisatie van het voorziene appartementengebouw en het speeleiland ongeveer 40 tot 50 bomen verdwijnen. De door de stichting en anderen overgelegde kaart bevat alle bomen die thans op de plandelen met de bestemmingen "Woongebied" en "Cultuur en ontspanning" aanwezig zijn. Voor zover de stichting en anderen stellen dat uit deze kaart volgt dat aanzienlijk meer bomen moeten worden gekapt dan het door de raad voorgestelde aantal kan dit niet slagen. De raad heeft toegelicht dat voor de bestemming "Woongebied" geldt dat slechts 20% van het bebouwingsvlak mag worden bebouwd, zodat een gering aantal van de binnen deze bestemming aanwezige bomen hoeft te worden gekapt. De raad heeft voorts toegelicht dat ook binnen de bestemming "Cultuur en ontspanning" niet alle aanwezige bomen hoeven te worden gekapt.

7.5. De stichting en anderen stellen terecht dat in het plangebied beschermde diersoorten voorkomen. De raad heeft, zoals volgt uit 7.3, hiermee rekening gehouden bij het vaststellen van het plan. De raad heeft zich, zoals eveneens volgt uit 7.3, op het standpunt gesteld dat het plan geen ontwikkelingen mogelijk maakt die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de Ffw. Hetgeen de stichting en anderen hebben aangevoerd, biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte, onder verwijzing naar de in de plantoelichting beschreven ecologische inventarisatie, op dit standpunt heeft gesteld. Dat volgens de stichting en anderen geen onderzoek is verricht naar de in het plangebied aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen, waaronder de boombewonende dwergvleermuis, betekent niet dat het onderzoek onvolledig is. In de plantoelichting staat dat is onderkend dat de dwergvleermuis in bomen woont, maar dat vanwege het ontbreken van oudere dikke bomen met holtes de aanwezigheid van vleermuizen in bomen kan worden uitgesloten. De omstandigheid dat volgens de stichting en anderen geen onderzoek is verricht naar nestlocaties van gierzwaluwen, betekent evenmin dat het onderzoek onvolledig is, nu in de plantoelichting staat dat ook eventuele nestlocaties van deze soort zich op gebouwen zullen bevinden, die zullen worden gehandhaafd. De stichting en anderen hebben voorts de stelling dat de ijsvogel, groene specht en grote bonte specht zich in het plangebied bevinden en dat zich een vossenburcht bevindt op het plandeel met de bestemming "Woongebied" niet gemotiveerd. De raad heeft toegelicht dat de verwachting is dat de in het plangebied aanwezige diersoorten niet zijn veranderd ten opzichte van de ecologische inventarisatie. De raad heeft voorts ter zitting toegelicht dat voorafgaand aan de realisatie van het plan een nader ecologisch onderzoek zal worden verricht. Indien hieruit volgt dat andere diersoorten dan de geïnventariseerde in het park aanwezig zijn, zal volgens de raad worden bekeken of het noodzakelijk is om een ontheffing op grond van de Ffw aan te vragen. De stichting en anderen hebben de in de plantoelichting beschreven ecologische inventarisatie overigens niet betwist. De raad heeft zich gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Strijd met beleid

8. [appellanten sub 1] en de stichting en anderen betogen voorts dat de raad niet heeft onderkend dat de bouw van het voorziene appartementengebouw niet in overeenstemming is met het beleid opgenomen in de nota 'Almere Parkstad' (hierna: de parkennota). Zij voeren hiertoe aan dat het uitgangspunt van dit beleid is dat niet mag worden gebouwd in parken. Voorts voeren zij aan dat niet is voldaan aan de in het beleid opgenomen uitzonderingen op dit uitgangspunt.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in de parkennota als uitzondering op het uitgangspunt dat in de parken niet mag worden gebouwd is opgenomen de zogenoemde functieverschuiving. Volgens de raad is deze uitzondering in dit geval van toepassing. Het voorziene appartementengebouw draagt bij aan het beter functioneren van het park en zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, zodat geen sprake is van strijd met het beleid opgenomen in de parkennota.

8.1.1. De parkennota is in mei 2003 vastgesteld. In paragraaf 2.2 van die nota is vermeld dat, gezien het grote belang dat de parken hebben voor het groene aanzien van Almere, in beginsel niet wordt gebouwd in de parken. In de parkennota staat voorts dat op dit uitgangspunt enkele uitzonderingen gelden. Een van de uitzonderingen op dit uitgangspunt betreft de zogenoemde functieverschuiving. Volgens de parkennota is een verschuiving waar te nemen in de belangstelling voor volkstuinen en stadsweiden. Recent is daarom een onderzoek gestart naar de wensen en verwachtingen van gebruikers van deze terreinen. Door wijzigingen in de samenstelling van de bevolking kan op vrijkomende velden bijzondere woningbouw, eventueel in combinatie met bedrijvigheid, in een lage dichtheid worden gerealiseerd. Dit is het geval bij enkele volkstuinen in de Oostelijke Groene Wig. Op de sportvelden in de Westelijke Groene Wig kunnen op termijn woonvelden worden ontwikkeld. In alle uitzonderingsgevallen op het uitgangspunt dat in parken in beginsel niet wordt gebouwd geldt als vereisten dat de bebouwing moet bijdragen aan een beter functioneren van de parken alsmede aan een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit van het park en de omgeving.

8.1.2. Vast staat dat het park 'Uithof' is gelegen in de Westelijke Groene Wig. [appellanten sub 1] en de stichting en anderen stellen terecht dat in de parkennota als uitgangspunt is opgenomen dat in de parken niet wordt gebouwd. De stichting en anderen stellen voorts terecht dat ten aanzien van de Westelijke Groen Wig expliciet is vermeld dat als uitzonderingsgeval op dit uitgangspunt in het kader van functieverschuiving op de sportvelden woonvelden kunnen worden ontwikkeld. Het appartementengebouw is niet voorzien ter plaatse van de sportvelden. Anders dan de stichting en anderen betogen betekent de expliciete vermelding van de mogelijkheid om als uitzonderingsgeval op voormeld uitgangspunt door middel van functieverschuiving de sportvelden in de Westelijke Groene Wig te veranderen in woonvelden, niet dat hiermee andere functieverschuivingen in de Westelijke Groene Wig worden uitgesloten. In de parkennota staat verder dat omvorming van de Westelijke Groene Wig op een later tijdstip separate planvorming behoeft, hetgeen, zoals de raad terecht betoogt, erop duidt dat in dit gebied in het kader van functieverschuiving nog andere ontwikkelingen kunnen plaatsvinden.

8.1.3. De raad heeft evenwel niet gemotiveerd waarom in dit geval het uitzonderingsgeval van functieverschuiving van toepassing is. Volgens de parkennota dient het in het kader van dit uitzonderingsgeval te gaan om een wijziging in de samenstelling van de bevolking of een verschuiving in de belangstelling voor volkstuinen en stadsweiden. Als gevolg hiervan kan volgens de parkennota aanleiding bestaan om als uitzondering op het uitgangspunt dat in parken niet wordt gebouwd te voorzien in bijzondere woningbouw in een lage dichtheid. De raad heeft niet gemotiveerd dat sprake is van een dergelijke wijziging in de samenstelling van de bevolking of een dergelijke verschuiving in de belangstelling voor het park 'Uithof'.

8.1.4. De term bijzondere woningbouw wordt voorts in de parkennota niet omschreven. In de nota is wel vermeld dat, zo in uitzonderingsgevallen wordt gebouwd in parken, als vereiste geldt dat de bebouwing moet bijdragen aan een beter functioneren van de parken alsmede aan een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit van het park en de omgeving. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 29 februari 2012 in zaak nr. 201100688/1/A1 dient de term bijzondere woningbouw in dat licht te worden verstaan. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan voor het park 'Uithof' voorziet in woningbouw in een lage dichtheid, nu ingevolge artikel 10, lid 10.2, aanhef en onder f, van de planregels slechts 20% van het bestemmingsvlak van ongeveer 4000 m² mag worden bebouwd. De raad heeft voorts toegelicht dat het appartementengebouw is voorzien op een geïsoleerde locatie aan de rand van het park en dat dit gebouw bijdraagt aan de levendigheid en de sociale veiligheid van het park. Voorts wordt dankzij het appartementengebouw de entree tot het park vanaf de Westerdreef beter zichtbaar, aldus de raad. De raad heeft zich gelet op voormelde omstandigheden in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorziene appartementengebouw bijdraagt aan een beter functioneren van het park alsmede aan een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit van het park.

8.1.5. Gelet op hetgeen is overwogen in 8.1.4 heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan voldoet aan de vereisten waaraan volgens de parkennota dient te worden voldaan bij de toepassing van een uitzonderingsgeval op het uitgangspunt dat in parken niet wordt gebouwd. Gelet op hetgeen is overwogen in 8.1.3 heeft de raad evenwel onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval het uitzonderingsgeval van functieverschuiving van toepassing is. Het bestreden besluit is in zoverre derhalve genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

8.2. De stichting en anderen betogen voorts dat de raad niet heeft onderkend dat de bouw van het binnen de bestemming "Cultuur en ontspanning" voorziene speeleiland eveneens niet in overeenstemming is met het beleid opgenomen in de parkennota. De stichting en anderen voeren hiertoe aan dat de aanleg van een extra watergang voor het eiland, alsmede het voorziene speeleiland zelf, niet vallen onder een van de uitzonderingsgevallen opgenomen in de parkennota.

8.2.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Cultuur en ontspanning" aangewezen gronden bestemd voor:

a. dagrecreatie met inbegrip van waterrecreatie;

b. (bouw)speeltuin;

c. kinderboerderij;

d. ondergeschikte horeca ten dienste van de bestemming en tot ten hoogste categorie 1a van de bij deze regels behorende Staat van Horeca-activiteiten.

8.2.2. In de parkennota staat verder dat op het uitgangspunt dat in parken niet wordt gebouwd voorts als uitzonderingsgeval geldt het oprichten van bebouwing voor horeca, ontspanning en cultuur. Volgens de parkennota kan een horecagelegenheid leven in de brouwerij brengen. De parkennota noemt een aantal parken waar horecagelegenheden kunnen worden opgericht.

8.2.3. Het uitgangspunt in de parkennota dat in parken niet wordt gebouwd, ziet niet op de aanleg van een extra watergang. Voorts bevat de parkennota geen limitatieve opsomming van de parken waar als uitzonderingsgeval op het uitgangspunt dat in parken niet wordt gebouwd ontspanningsmogelijkheden kunnen worden opgericht. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het voorziene speeleiland past binnen dit uitzonderingsgeval. De stichting en anderen hebben het standpunt van de raad dat het speeleiland bijdraagt aan een beter functioneren van het park alsmede aan een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit van het park niet betwist. Hetgeen de stichting en anderen hebben aangevoerd, biedt derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het voorziene speeleiland en de voorziene watergang in strijd zijn met het beleid opgenomen in de parkennota.

8.3. [appellanten sub 1] betogen verder dat de voorziene kap van bomen in strijd is met de uitgangspunten in de 'Almere Principles'. Zij voeren hiertoe aan dat de kap van bomen zich niet verdraagt met de in de 'Almere Principles' opgenomen visie dat Almere in 2030 de meest duurzame stad van Nederland is.

8.3.1. Zoals onder 7.4 is vermeld heeft de raad een kaart overgelegd waaruit volgt dat voor de realisatie van het voorziene appartementengebouw en het speeleiland ongeveer 40 tot 50 bomen moeten verdwijnen. De raad heeft voorts toegelicht dat de bomen die worden gekapt zullen worden herplant. Anders dan [appellanten sub 1] betogen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de kap van de bomen in strijd is met de uitgangspunten in de nota 'Almere Principles'. Deze nota is bedoeld als richtlijn voor de ontwikkeling van Almere als duurzame stad. Deze nota bevat geen beoordelingskader voor de toelaatbaarheid van het kappen van bomen.

Woon- en leefklimaat

9. [appellanten sub 1] betogen dat het voorziene appartementengebouw zal leiden tot een aantasting van het park en van hun leefomgeving. Zij voeren hiertoe aan dat als gevolg van het voorziene appartementengebouw een toename aan verkeer ter plaatse van hun woningen is te verwachten, dat voor de bouw hiervan veel bomen moeten worden gekapt en dat de waarde van hun woningen zal dalen.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het appartementengebouw is voorzien aan de buurtontsluitingsweg aan de rand van het park en dat dit gebouw het karakter van het groengebied niet zal aantasten. Het appartementengebouw zal volgens de raad niet worden ontsloten via de weg waaraan de woning van [appellanten sub 1] is gelegen, zodat bij hun woningen geen toename van verkeer valt te verwachten.

9.1.1. Het voorziene appartementengebouw is gelegen in de zuid-westelijke hoek van het park 'Uithof'. Voorts staat vast dat het appartementengebouw ligt aan de buurtontsluitingsweg Westbrug/Uithof. [appellanten sub 1] wonen aan de oostkant van het park. Anders dan [appellanten sub 1] betogen, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorziene appartementengebouw niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat. De raad heeft hierbij van belang kunnen achten dat het appartementengebouw op ruime afstand van de woning van [appellanten sub 1] is gelegen, dat hiervoor slechts een relatief klein deel van het park verdwijnt en dat de bomen die worden verwijderd zullen worden herplant. De raad heeft zich verder in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verkeersbewegingen van en naar het voorziene appartementengebouw via de buurtontsluitingsweg zullen gaan en dat ter plaatse van de woning van [appellanten sub 1] geen verkeerstoename is te verwachten. Anders dan [appellanten sub 1] verder betogen heeft de raad zich ten slotte in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verwachte daling van de waarde van hun woning als gevolg van de in het plan voorziene ontwikkelingen niet zodanig zal zijn dat hij hieraan doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

9.2. [appellanten sub 1] en de stichting en anderen betogen voorts dat het voorziene speeleiland zal leiden tot een aantasting van het park en van hun leefomgeving. [appellanten sub 1] voeren hiertoe aan dat voor de aanleg hiervan veel bomen moeten worden gekapt en dat overlast zal ontstaan vanwege de bezoekers van het speeleiland. Voorts is volgens [appellanten sub 1] een speeleiland in het water niet wenselijk vanuit een oogpunt van veiligheid. De stichting en anderen betogen dat niet aan de richtafstand uit de brochure 'Bedrijven en milieuzonering, editie 2009' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) wordt voldaan, nu hierin voor recreatiecentra een afstand van 300 m tot woningen is opgenomen.

9.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het voorziene speeleiland niet zal leiden tot overlast voor omwonenden. Het plandeel met de bestemming "Cultuur en ontspanning" ligt op een afstand van ongeveer 50 m van het dichtstbijzijnde woningbouwperceel. Volgens de raad voorziet het plan niet in de oprichting van een recreatiecentrum, zodat de richtafstand van 300 m niet van toepassing is. De VNG-brochure bevat geen richtafstand voor dagrecreatie met inbegrip van waterrecreatie en voor een (bouw)speeltuin. De raad is van mening dat deze activiteiten vergelijkbaar zijn met een school voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs, in die zin dat in beide gevallen sprake is van stemgeluid van kinderen. Hiervoor geldt volgens de raad een richtafstand van 30 m. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat in de VNG-brochure voor een kampeerterrein en voor een jachthaven een richtafstand van 50 m is opgenomen, terwijl de in het plan voorziene dagrecreatie een geringere geluidsbelasting zal hebben.

9.2.2. Vast staat dat het plandeel met de bestemming "Cultuur en ontspanning" een omvang heeft van ruim 8.000 m². Vast staat voorts dat de kortste afstand tussen het speeleiland en de in de omgeving gelegen woningen ongeveer 50 m bedraagt. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn deze gronden bestemd als dagrecreatie, als meest geluidsbelastende activiteit.

9.2.3. Anders dan de stichting en anderen betogen, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de in het park voorziene dagrecreatie niet gelijk kan worden gesteld aan een recreatiecentrum of een vaste kermis, zodat de in de VNG-brochure voor deze activiteiten opgenomen richtafstand van 300 m niet van toepassing is. De raad stelt voorts terecht dat de VNG-brochure geen richtafstanden voor dagrecreatie geeft. De raad heeft zich evenwel ten onrechte op het standpunt gesteld dat de in het plan voorziene dagrecreatie wat betreft geluidsoverlast vergelijkbaar is met een schoolplein, waarvoor volgens de VNG-brochure een richtafstand van 30 m geldt. Weliswaar stelt de raad terecht dat zowel bij dagrecreatie als bij scholen sprake is van stemgeluid van spelende kinderen, maar gezien de omvang van het plandeel met de bestemming "Cultuur en ontspanning" van ruim 8.000 m² moet het er voor worden gehouden dat de geluidsoverlast van de voorziene dagrecreatie aanzienlijk groter zal zijn dan de geluidsoverlast bij scholen. Gelet op de omvang van het plandeel zal de geluidsoverlast ook groter zijn dan die van de door de raad genoemde kampeerterreinen en jachthavens, waarvoor volgens de VNG-brochure een richtafstand van 50 m geldt. De raad heeft derhalve ten onrechte aangesloten bij de richtafstand van 30 tot 50 m die de VNG-brochure voor scholen, kampeerterreinen en jachthavens geeft.

9.2.4. De raad heeft ook niet op een andere wijze gemotiveerd waarom in dit geval geen sprake zal zijn van onevenredige geluidsoverlast ter plaatse van de omliggende woningen vanwege de voorziene dagrecreatie. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij louter heeft gekeken naar de afstand tussen het plandeel en de woningen en dat hij geen onderzoek heeft laten verrichten naar de te verwachten geluidsintensiteit en niet heeft gekeken naar eventuele geluidsreducerende maatregelen. De raad heeft zich gelet hierop onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de voorziene dagrecreatie ter plaatse van de bestemming "Cultuur en ontspanning" niet zal leiden tot onevenredige geluidsoverlast bij omwonenden van het park. Het bestreden besluit is in zoverre derhalve genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

9.2.5. [appellanten sub 1] betogen verder terecht dat het voorziene speeleiland en de voorziene extra watergang ten koste gaan van de thans in het park aanwezige bomen en groenvoorzieningen. Zoals volgt uit 7.4, zullen voor het plan ongeveer 40 tot 50 bomen moeten verdwijnen. De raad heeft zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hieraan geen doorslaggevend gewicht dient te worden toekend. Voorts heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder d, van de planregels slechts lichte en ondergeschikte horeca op het voorziene speeleiland is toegestaan, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat omwonenden hiervan veel overlast zullen ondervinden. De raad heeft voorts toegelicht dat het speeleiland zodanig zal worden ingericht dat geen onveilige situaties zullen ontstaan.

Planregels

10. De stichting en anderen betogen dat het plan ten onrechte binnen de bestemming "Woongebied" zorgwoningen en zelfstandige bedrijfsruimten mogelijk maakt. De stichting en anderen betogen voorts dat de planregels niet duidelijk maken hoeveel bedrijfsruimten zijn toegestaan. Verder betogen de stichting en anderen dat de planregels met betrekking tot dakterrassen en kappen verwijzen naar onjuiste bepalingen. De stichting en anderen betogen ten slotte dat binnen de bestemming "Cultuur en ontspanning" ten onrechte geen maximaal toegestane oppervlakte aan gebouwen is opgenomen.

10.1. Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels zijn de voor "Woongebied" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van aan huis verbonden beroepen en bedrijfsmatige activiteiten aan huis;

b. woonzorgvoorzieningen;

c. maximaal 9 zelfstandige bedrijfsruimten.

Ingevolge lid 10.2 mogen op de in lid 10.1 bedoelde gronden ten behoeve van de bestemmingsomschrijving bouwwerken worden gebouwd. Ten aanzien van gebouwen (hoofdgebouwen en erfbebouwing) geldt dat:

a. aaneengebouwde-, twee-aaneengebouwde- en vrijstaande woningen en woonzorgvoorzieningen zijn toegestaan;

b. de bedrijfsruimten vrijstaand worden gebouwd;

c. in afwijking van het in lid 10.2 onder a. bepaalde ook gestapelde woningen en woonzorgvoorzieningen zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "gestapeld";

d. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' de voorgeschreven maximale bouwhoogte in acht dient te worden genomen;

e. er een maximaal bebouwingspercentage van 60% per bouwperceel in acht dient te worden genomen voor de niet gestapelde woningen;

f. ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwingspercentage" het maximaal voorgeschreven bebouwingspercentage van het bestemmingsvlak voor gestapelde woningen, in acht dient te worden genomen;

(…)

k. de bouwhoogte van aan het hoofdgebouw gebouwde erfbebouwing is maximaal 0,30 meter boven de vloer van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, kelders en onderbouwen niet daaronder begrepen, een en ander tot een maximale hoogte van 4 meter;

l. in afwijking van de in lid 10.2 onder m. bepaalde maximale bouwhoogte, zijn dakterrassen toegestaan op aan het hoofdgebouw gebouwde erfbebouwing, met dien verstande dat deze terrassen aan weerszijden (voor zover deze zijde(n) zich op minder dan twee meter van de grenslijn van het erf (de zijdelingse perceelsgrens) bevindt (bevinden)) worden afgeschermd met ondoorzichtig materiaal met een hoogte van minimaal 1.50 en maximaal 1.80 meter (dit geldt niet als de eigenaar van het naburige erf toestemming heeft gegeven om een doorzichtige of géén afscherming te plaatsen);

m. in afwijking van de in 10.2 onder m. bepaalde maximale bouwhoogte, zijn kappen toegestaan op aan het hoofdgebouw gebouwde erfbebouwing tot de maximale bouwhoogte van het hoofdgebouw.

10.2. De raad heeft toegelicht dat het plan een flexibel en globaal karakter heeft op basis waarvan het gebied 'De Laren' kan worden ontwikkeld. De bestemming "Woongebied" geldt voor alle in het plan opgenomen woonvelden. Dit heeft als gevolg dat ook op het plandeel met de bestemming "Woongebied" in het park 'Uithof' zelfstandige bedrijfsruimten kunnen worden opgericht. Ingevolge artikel 10, lid 10.2, aanhef en onder b, van de planregels moeten bedrijfsruimten vrijstaand worden gebouwd en ingevolge dat lid, aanhef en onder f, mag slechts 20% van het bestemmingsvlak van ongeveer 4000 m² worden bebouwd. De raad heeft zich gelet hierop terecht op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat naast een appartementengebouw zelfstandige, vrijstaande bedrijfsruimte wordt opgericht, maar dat deze uitsluitend in de plaats van het voorziene appartementengebouw kan worden opgericht. De stichting en anderen hebben niet gemotiveerd waarom dergelijke vrijstaande bedrijfsruimten ter plaatse niet passend zouden zijn. Voor zover de stichting en anderen betogen dat bedrijfsruimten vanwege het beleid in de parkennota ter plaatse niet zijn toegestaan, kan dit niet slagen, nu, zoals volgt uit 8.1.1, deze nota bedrijvigheid in parken niet zonder meer uitsluit als uitzonderingsgeval op de hoofdregel dat in parken niet wordt gebouwd. De stichting en anderen hebben voorts niet gemotiveerd waarom woonzorgvoorzieningen ter plaatse niet passend zouden zijn. Het betoog dat het plan ten onrechte in zorgwoningen en zelfstandige bedrijfsruimten voorziet, kan derhalve niet slagen. Anders dan de stichting en anderen voorts betogen, is in artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder c, vastgelegd dat maximaal 9 zelfstandige bedrijfsruimten zijn toegestaan.

10.3. De stichting en anderen stellen terecht dat in artikel 10, lid 10.2, aanhef en onder l en m, van de planregels ten onrechte een verwijzing staat naar lid 10.2, onder m, van de planregels. De raad heeft zich evenwel terecht op het standpunt gesteld dat gelet op de context en de opbouw van artikel 10, lid 10.2, duidelijk is dat dit een kennelijke verschrijving betreft en dat deze onderdelen verwijzen naar artikel 10, lid 10.2, aanhef en onder k, van de planregels.

10.4. De raad heeft er ten slotte in redelijkheid voor kunnen kiezen om binnen de bestemming "Cultuur en ontspanning" geen maximale oppervlakte voor gebouwen op te nemen. Volgens de raad zal hier met name speciale bebouwing worden opgericht die door kinderen wordt gebouwd en over het algemeen tijdelijk van aard is. De raad heeft voorts toegelicht dat de definitieve inrichting van het speeleiland nog niet vast staat en dat hierover met de gebruikers en omwonenden in overleg zal worden getreden.

Bestuurlijke lus

11. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. De raad dient:

a. met inachtneming van hetgeen is overwogen in 8.1.1 tot en met 8.1.5 alsnog toereikend te motiveren dat in dit geval het in de parkennota opgenomen uitzonderingsgeval van functieverschuiving op het uitgangspunt dat in parken niet wordt gebouwd van toepassing is, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling;

b. met inachtneming van hetgeen is overwogen in 9.2.3 en 9.2.4 alsnog toereikend te motiveren dat de voorziene dagrecreatie ter plaatse van de bestemming "Cultuur en ontspanning" niet zal leiden tot onevenredige geluidsoverlast bij omwonenden van het park, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

12. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Almere op om binnen zestien weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- het bestreden besluit te herstellen door het alsnog met inachtneming van hetgeen onder 11 is overwogen toereikend te motiveren, in die zin dat deugdelijk wordt gemotiveerd:

a. dat het in de parkennota opgenomen uitzonderingsgeval van functieverschuiving op het uitgangspunt dat in parken niet wordt gebouwd van toepassing is;

b. dat de voorziene dagrecreatie ter plaatse van de bestemming "Cultuur en ontspanning" niet zal leiden tot onevenredige geluidsoverlast bij omwonenden van het park;

- dan wel het bestreden besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. Bij wijziging van het besluit dient de raad het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

- de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Schaaf

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013

523.