Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1684

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201304299/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "De Vaert c.a." vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/427
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304299/1/R1.

Datum uitspraak: 23 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Venlo,

2. [appellant sub 2], wonend te Venlo,

en

de raad van de gemeente Venlo,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "De Vaert c.a." vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 oktober 2013, waar de raad, vertegenwoordigd door J.M.G. Vincken, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Projon B.V., vertegenwoordigd door L. de Loo en L. van der Zanden, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan maakt de woningbouwlocatie ‘De Vaert’ in de kern Boekend mogelijk. Ten behoeve van het bouwen buiten de rode contour zijn voorts twee compensatiepercelen in het plan aangewezen.

Het beroep van [appellant sub 2]

3. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 1] en kan zich niet verenigen met het plan voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Wonen-Uit te werken". Hij stelt dat het woningbouwproject ‘De Vaert’ is gebaseerd op een verondersteld plaatselijk tekort aan woningen, maar dat niet is gebleken uit welk rapport dit tekort voortkomt. In de Dynamische Woningbouwprogrammering (hierna: DWP) is de locatie als categorie 3-project benoemd, wat volgens hem betekent dat tot 2020 geen ruimte bestaat voor woningbouw op deze locatie. Voorts volgt uit de Woonvisie regio Venlo 2011-2015 dat Boekend een woondorp is waar alleen gebouwd mag worden voor de lokale behoefte en dat niet is gebleken van een tekort. Ook is ten onrechte geen rekening gehouden met het bouwplan op de Kockerseweg dat thans in ontwikkeling is, aldus [appellant sub 2].

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat volgens de DWP 34 woningen mogelijk zijn in Boekend. Het woningbouwproject ‘De Vaert’ is verplaatst naar categorie 2 van de DWP om te voorzien in de eigen woningbouwbehoefte, wat betekent dat hieraan thans kan worden meegewerkt.

3.2. De Afdeling overweegt dat zowel de bestemming "Wonen" als de bestemming "Wonen-Uit te werken" elk in maximaal zeventien woningen voorziet. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat in de eerste plaats is gekeken naar de regionale woningbehoefte en vervolgens naar de autonome woningbehoefte. Gebleken is dat het woningbouwproject ‘De Vaert’ voorziet in die behoefte, aldus de raad. Anders dan [appellant sub 2] betoogt is dit woningbouwproject volgens de Nota van zienswijzen niet op een tekort aan woningen gebaseerd, maar op de autonome woningbehoefte die voortkomt uit de woningbehoefteprognose van E’til. De kwantitatieve behoefte is vastgesteld in het kader van de DWP. Volgens de DWP zijn voor de periode 2011-2020 in Boekend 34 woningen mogelijk. Het betreft een gefaseerde ontwikkeling die afhankelijk is van de lokale woningbouwbehoefte. Met de enkele stelling dat zich thans geen tekort voordoet heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet in redelijkheid van de autonome behoefte gedurende de planperiode van tien jaar heeft kunnen uitgaan. Boekend had ten tijde van de aanvraag van het woningbouwproject ‘De Vaert’ geen concrete woningbouwlocatie en geen mogelijkheid om de autonome woningbehoefte in te vullen, zo volgt uit de Nota van zienswijzen. Het standpunt van de raad om in een woningbouwlocatie te willen voorzien is derhalve niet onredelijk te achten. De Afdeling betrekt hierbij tevens dat het woningbouwproject ‘De Vaert’ zich blijkens de Nota van zienswijzen op starters- en levensloopbestendige woningen richt, terwijl het woningbouwproject ‘Kockerseweg’ zich meer op de traditionele doorstromer richt met het realiseren van tweekappers. Niet aannemelijk is gemaakt dat beide projecten met elkaar concurreren en dat het woningbouwproject ‘Kockerseweg’ maakt dat het woningbouwproject ‘De Vaert’ niet binnen de planperiode uitvoerbaar is.

3.3. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1]

4. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 2] en komt op tegen het plandeel met de bestemming "Wonen-Uit te werken". Hij stelt een aanvraag om tegemoetkoming in de planschade te zullen indienen omdat de te realiseren woningbouw leidt tot een aantasting van zijn woongenot, in het bijzonder zijn privacy en uitzicht, tot verkeersoverlast en tot een waardevermindering van zijn woning.

4.1. De raad voert aan dat nog onduidelijk is op welke plaatsen in het uit te werken gebied de woningen zullen worden gerealiseerd en waar de ontsluitingsweg zal komen te liggen. De uitwerkingsregels geven hiervoor randvoorwaarden. Bij de uitwerking zal met de belangen van [appellant sub 1] rekening worden gehouden, aldus de raad.

4.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de voor "Wonen-Uit te werken" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen;

b. aan huis gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in combinatie met de woonfunctie;

c. tuinen, erven en onbebouwde erven;

d. waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen;

e. verkeersvoorzieningen;

f. parkeervoorzieningen;

g. groenvoorzieningen, waaronder bermen en beplanting;

h. straatmeubilair;

i. voorzieningen van algemeen nut;

met de daarbij behorende:

j. hoofd- en bijgebouwen, aan- en uitbouwen;

k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge lid 6.3 werkt het college van burgemeester en wethouders, overeenkomstig artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening, de in lid 6.1 omschreven bestemming uit met inachtneming van de volgende algemene regels:

a. de uitwerking van de bestemming "Wonen-Uit te werken" kan in zijn geheel dan wel in delen plaatsvinden;

b. […]

c. bij vaststelling van een uitwerkingsplan dient te zijn aangetoond dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit geschikt is voor de woonfunctie en dat geen beschermde natuurwaarden worden verstoord;

d. bij vaststelling van een uitwerkingsplan dient inzicht te bestaan in de gewenste verkaveling en het functionele programma, waaronder woningbouw, groen, wegen, parkeervoorzieningen, et cetera;

e. er dient sprake te zijn van een goede landschappelijke, ruimtelijke en stedenbouwkundige inpassing, waarbij onder meer dient te worden voorzien in een logische aansluiting op de gerealiseerde eerste fase van het woongebied;

f. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Wat betreft het bouwen is in lid 6.3.2 het volgende bepaald:

a. er mogen alleen grondgebonden woningen worden gebouwd;

b. het maximumaantal wooneenheden bedraagt zeventien;

c. de maximale bouwhoogte bedraagt 9 m;

d. de parkeernorm bedraagt twee parkeerplaatsen per woning, waarvan ten minste één parkeerplaats op eigen terrein dient te worden gerealiseerd en de resterende parkeerbehoefte in de openbare ruimte binnen het uitwerkingsgebied wordt gerealiseerd.

4.3. De Afdeling overweegt dat met de uitwerkingsplicht wordt beoogd een thans agrarisch gebied om te vormen naar een woongebied. Niet in geschil is dat [appellant sub 1], die woont op een perceel direct grenzend aan de gronden van het uit te werken plandeel, hiervan gevolgen zal ondervinden. Zijn vrije uitzicht in zuidelijke richting zal immers worden vervangen door een uitzicht op woonbebouwing. [appellant sub 1] heeft zich in zijn beroep beperkt tot bezwaren vanwege zijn persoonlijke situatie. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een zodanige uitwerking van dit plandeel mogelijk is dat voldoende rekening met de belangen van [appellant sub 1] wordt gehouden en dit niet leidt tot onevenredige gevolgen voor zijn woonsituatie. Daarbij acht de Afdeling van belang dat geen recht op een blijvend vrij uitzicht bestaat, dat het perceel van [appellant sub 1] zijn relatief vrije ligging zal behouden en dat alleen grondgebonden woningen in het uit te werken gebied mogelijk gemaakt kunnen worden. Voor zover het betreft de nadere invulling van dit gebied, onder andere de ligging van de bouwvlakken en de wijze van ontsluiting, kunnen belanghebbenden in het kader van de vaststelling van het uitwerkingsplan rechtsmiddelen aanwenden.

Voor zover [appellant sub 1] verwijst naar het indienen van een aanvraag om tegemoetkoming in de planschade overweegt de Afdeling dat dit in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet aan de orde kan komen.

4.4. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Proceskosten

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Bechinka

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013

371-667.