Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1678

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201303657/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:2692, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 januari 2012 heeft het college [appellant] met ingang van 15 februari 2012 een gewijzigde standplaats toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/400 met annotatie van L.J.A. Damen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303657/1/A3.

Datum uitspraak: 23 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appelalnt], wonend te Enschede,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 29 maart 2013 in zaak nr. 12/743 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2012 heeft het college [appellant] met ingang van 15 februari 2012 een gewijzigde standplaats toegewezen.

Bij besluit van 2 april 2012 heeft het college [appellant] met ingang van 1 april 2012 opnieuw een gewijzigde standplaats toegewezen.

Bij besluit van 22 juni 2012 heeft het college de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

Bij tussenuitspraak van 7 november 2012 heeft de rechtbank naar aanleiding van het door [appellant] daartegen ingestelde beroep het college in de gelegenheid gesteld opnieuw te beslissen op de bezwaren, met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 14 december 2012 heeft het college, naar aanleiding van de tussenuitspraak, de door [appellant] gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 22 juni 2012 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het beroep gericht tegen het besluit van 14 december 2012 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2013, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door S. Wenink, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Marktverordening gemeente Enschede 2006 bepaalt het college ten aanzien van de markt:

a. het aantal standplaatsen;

b. de afmetingen van de standplaatsen;

c. de opstelling en indeling van de markt;

d. welke standplaatsen worden toegewezen als vaste plaats en als standwerkersplaats;

e. welke gedeelten van het marktterrein zijn bestemd voor het verhandelen van bepaalde artikelen;

f. welke gedeelten van de markt eventueel worden bestemd voor het plaatsen van verkoopwagens;

g. welke gedeelten van de markt eventueel worden bestemd voor bijzondere activiteiten gerelateerd aan de markt. Ingevolge artikel 6, tweede lid, is het verboden een andere standplaats in te nemen dan de plaats, welke door het college is toegewezen. Ingevolge artikel 12, eerste lid, worden de standplaatsen op een markt als regel als vaste plaatsen toegewezen. Ingevolge artikel 13 geschiedt de toewijzing van vaste plaatsen en van dagplaatsen door het college.

2. Sinds 1 januari 2008 beschikt [appellant] over een vergunning voor het innemen van een standplaats op de zaterdagmarkt op het Van Heekplein in Enschede. Niet in geschil is dat wegens bestratingswerkzaamheden van het marktterrein aan [appellant] per april 2011 een andere standplaats is toegewezen die buiten het marktterrein is gelegen. In het besluit van 16 januari 2012 is vermeld dat de gemeente in diezelfde periode heeft besloten om [appellant] op de hem per april 2011 toegewezen plek te laten staan, vooruitlopend op de instelling van een streekmarkt/biologische markt rondom deze tijdelijke standplaats. Volgens het besluit zou [appellant], samen met andere ondernemers in dezelfde branche, onderdeel gaan uitmaken van die markt en hem dezelfde standplaats worden toegewezen als de tijdelijke standplaats, zodat het niet zinvol was om hem in afwachting daarvan terug te plaatsen naar zijn oude standplaats. In het besluit van 16 januari 2012 is vermeld dat de gemeente nadien heeft besloten om de instelling van een streekmarkt/biologische markt onderdeel te laten zijn van een nog op te stellen visie op de ambulante handel, die in het voorjaar van 2012 zal worden gepresenteerd. Gelet hierop heeft het college besloten om [appellant] terug te plaatsen naar zijn oude standplaats. Nadien heeft het college bij besluit van 2 april 2012 aan [appellant] een andere standplaats binnen het marktterrein toegewezen.

2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen het besluit van 14 december 2012 ongegrond heeft verklaard. Daartoe voert hij aan dat de hem per april 2011 toegewezen standplaats definitief aan hem is vergeven, gelet op een hierover door de marktmeester aan hem gedane mededeling, zodat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de standplaats voorwaardelijk aan hem was toegezegd. Voorts is de rechtbank ten onrechte eraan voorbij gegaan dat de standplaats, die volgens het college tijdelijk zou zijn, inmiddels is ingenomen door een ander.

2.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de aan [appellant] gedane toezegging dat hij op de hem per april 2011 toegewezen standplaats mocht blijven staan, voorwaardelijk was. Daartoe heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat deze standplaats geen onderdeel uitmaakt van het marktterrein en [appellant] niet heeft weersproken dat de toezegging samenhing met het op dat moment nog bestaande voornemen van de gemeente om op die plek een streekmarkt/biologische markt in te stellen, waarvan [appellant] onderdeel zou gaan uitmaken. Ook in hoger beroep heeft [appellant] geen feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan moet worden aangenomen dat hem onvoorwaardelijk is toegezegd dat hij op de hem per april 2011 toegewezen standplaats mocht blijven staan. Nu de gemeente nadien heeft besloten om de streekmarkt/biologische markt alsnog binnen het marktterrein te realiseren, is de voorwaarde niet vervuld en heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college op de aan [appellant] gedane toezegging mocht terugkomen. Aan de door [appellant] gestelde omstandigheid dat de betrokken standplaats inmiddels is ingenomen door een ander, heeft de rechtbank terecht niet de door hem gewenste betekenis toegekend. Naar ter zitting is vastgesteld, wordt de plaats niet gebruikt voor markthandel. Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013

434-798.