Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1676

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201303409/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:898, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 december 2011 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 7
Rijkswet op het Nederlanderschap 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/418
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303409/1/V6.

Datum uitspraak: 23 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 maart 2013 in zaak nr. 12/1212 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2011 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 30 mei 2012 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 oktober 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. S. Essakkili, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.R.M. de Kock, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, wordt het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de artikelen 7 en 8 niettemin afgewezen, indien de verzoeker die een andere nationaliteit bezit, niet het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit te verliezen dan wel niet bereid is het mogelijke te zullen doen om, na de totstandkoming van de naturalisatie, die nationaliteit te verliezen, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd.

Volgens paragraaf 3.8 van de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN, vermeld in de Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding), kan het in de praktijk voorkomen dat zich zeer bijzondere gevallen voordoen waar bijzondere en objectief waardeerbare redenen aanwezig zijn op grond waarvan redelijkerwijs geen afstand van de oorspronkelijke nationaliteit kan worden gevraagd. In dit verband kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de lichamelijke of geestelijke gezondheid van een verzoeker door het doen van afstand in ernstige mate schade zal lijden. Deze ernstige schade aan lichamelijke dan wel geestelijke gezondheid zal verzoeker moeten aantonen aan de hand van een gemotiveerde medische verklaring van de behandelend arts en een gemotiveerde verklaring van een onafhankelijk, niet behandelend, medisch specialist.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bijzondere en objectief waardeerbare redenen, als bedoeld in paragraaf 3.8 van de Handleiding, zich in zijn geval niet voordoen. Hiertoe voert [appellant] aan dat de rechtbank onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat hij geen toegang meer heeft tot de medische voorzieningen in Israël, indien hij afstand doet van zijn Israëlische nationaliteit. Aangezien hij in verband met bezoek aan zijn moeder geregeld en soms voor langere periodes in Israël verblijft, is het, gelet op zijn medische situatie, van groot belang dat die toegang blijft behouden, aldus [appellant].

3.1. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 30 mei 2012 op het standpunt gesteld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor zijn medische zorg afhankelijk is van uitsluitend zijn behandelaars in Israël en evenmin dat die zorg niet door behandelaars in Nederland verleend zal kunnen worden.

3.2. [appellant] heeft met de door hem overgelegde verklaringen van zijn Nederlandse en Israëlische behandelaars niet aangetoond dat een volledige behandeling van zijn medische problematiek, blijkens het advies van het Bureau Medische Advisering van 17 december 2010 bestaande uit nierziekte, suikerziekte en een te hoge bloeddruk, niet in Nederland zal kunnen plaatsvinden. Dat de behandelaars in Israël reeds jarenlang zijn betrokken bij de behandeling van [appellant], betekent niet dat een overdracht van dat gedeelte van de behandeling, diens medische dossier daarbij inbegrepen, aan Nederlandse behandelaars onmogelijk moet worden geacht. Nu [appellant] niet heeft gesteld dat hij gedurende zijn verblijf in Israël niet voor acute en spoedeisende hulp tot de medische voorzieningen in dat land zal worden toegelaten en evenmin heeft bestreden dat de Nederlandse ziektekostenverzekeraar de in verband daarmee gemaakte kosten zal vergoeden, heeft [appellant] derhalve niet aangetoond dat hij door afstand te doen van zijn Israëlische nationaliteit ernstige lichamelijke dan wel geestelijke schade zal lijden. De rechtbank is dan ook terecht tot de bestreden overweging gekomen.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt, dat zijn broer niet zal kunnen optreden als donor bij een in Nederland uit te voeren niertransplantatie. Volgens [appellant] is wel degelijk van belang dat zijn broer hiervoor niet is verzekerd en financieel nadeel zal lijden, waardoor het voor hem niet mogelijk is om de meest veilige behandeling te krijgen.

4.1. De enkele niet met gegevens of bescheiden gestaafde stelling van [appellant] dat zijn broer de door hem in verband met het optreden als donor gemaakte kosten niet vergoed zal kunnen krijgen, betekent niet dat daarmee reeds aannemelijk is dat een toekomstige niertransplantatie hier te lande niet mogelijk zal zijn.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij bij een dialysebehandeling, die in afwachting van een niertransplantatie zal moeten plaatsvinden, zijn in Israël woonachtige familie niet kan bezoeken en hij hun steun hier te lande zal missen. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij met de verklaring van zijn behandelaar van 1 februari 2013 niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn geestelijke gezondheid in ernstige mate schade zal lijden indien hij afstand doet van zijn Israëlische nationaliteit.

5.1. In voormelde verklaring heeft de behandelaar vermeld dat [appellant] bij een niertransplantatie de nabijheid van zijn familie zeer zeker nodig zal hebben en dat bij het ontbreken hiervan psychische klachten, zoals een depressie, kunnen ontstaan.

5.2. Reeds omdat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn familieleden hem niet in Nederland kunnen bezoeken, falen de betogen.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. de Heer, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. De Heer

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013

636.