Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1666

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201302046/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:433, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 december 2011 heeft het college [appellante] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een luifel op het bouwwerk op het perceel [locatie] te Huissen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302046/1/A1.

Datum uitspraak: 23 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Huissen, gemeente Lingewaard,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 22 januari 2013 in zaak nr. 12/4390 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard.

Procesverloop

Bij besluit van 27 december 2011 heeft het college [appellante] omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een luifel op het bouwwerk op het perceel [locatie] te Huissen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 juli 2012 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door J.W.A. Cornelissen, en het college, vertegenwoordigd door D. Brouwer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef, onder a en onder c, gelezen in verbinding met artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 1º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk en voor het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan verleend, omdat de luifel volgens het college de op de plankaart aangeduide bebouwingsgrens overschrijdt.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor het plaatsen van een luifel een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is vereist. Zij voert daartoe aan dat de luifel de bebouwingsgrenzen niet overschrijdt, zodat had kunnen worden volstaan met een omgevingsvergunning voor bouwen.

2.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge hetzelfde lid, aanhef en onder c, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, wordt de omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge het tweede lid wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 1º, kan de omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

Ingevolge het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Karstraat 13 1990" rust op het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden".

Ingevolge artikel 5, tweede lid, onder 4, van de planvoorschriften mogen op de in dit artikel bedoelde gronden tevens bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd welke ten dienste staan aan de bestemming, met dien verstande, dat:

a. de bebouwingshoogte in het door bebouwingsgrenzen omsloten gebied niet meer mag bedragen dan 15 m;

b. in het overige gebied uitsluitend mogen worden opgericht erfafscheidingen, tuinmeubilair, reclame, bouwwerken ten behoeve van verkeers- en parkeervoorzieningen met een maximum bebouwingshoogte van 3 m en verlichting met een maximum bebouwingshoogte van 8 m.

Ingevolge artikel 1, onder m, wordt onder bebouwingsgrens verstaan een als zodanig op de kaart aangegeven lijn.

2.2. Op de plankaart is een bebouwingsgrens aangegeven. Door het bouwen van de luifel wordt deze bebouwingsgrens overschreden. Aangezien de aanvraag aan het bestemmingsplan, waar de plankaart deel van uitmaakt, moet worden getoetst, moet worden geoordeeld dat het bouwen van de luifel in strijd is met het bestemmingsplan, zodat een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan is vereist. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. Dat feitelijk de bebouwingsgrens al bij het bouwen van eerdere bouwwerken is overschreden en dat daarvoor, naar gesteld, destijds bouwvergunning is verleend, doet daar niet aan af.

Het betoog faalt.

3. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan heeft verleend zonder daartoe strekkend verzoek.

3.1. Gelet op het bepaalde in artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo is de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, terecht mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor het gebruiken van gronden in afwijking van het bestemmingsplan, omdat het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan. Voor het oordeel dat de rechtbank dit niet heeft onderkend, bestaat dan ook geen grond.

Het betoog faalt.

4. [appellante] heeft eerst in hoger beroep betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat zij geen leges is verschuldigd met betrekking tot de omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan, omdat leges volgens haar moeten worden aangemerkt als vergoeding van door het college gemaakte kosten en het college bij het verlenen van die vergunning geen kosten heeft hoeven maken. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds in beroep kon worden aangevoerd en [appellante] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te worden gelaten. Overigens had deze grond indien eerder aangevoerd, niet in deze procedure aan de orde kunnen komen, omdat in deze procedure slechts de verleende omgevingsvergunning en niet de hoogte van de leges aan de orde is.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013

407-771.