Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1662

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201302341/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302341/1/V4.

Datum uitspraak: 14 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 5 maart 2013 in zaken nrs. 12/39600 en 12/39599 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 maart 2013 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. De staatssecretaris klaagt in zijn grief, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, dat de voorzieningenrechter de door de vreemdeling overgelegde geboorteakte ten onrechte als nieuw gebleken feit heeft aangemerkt. In dat verband heeft de voorzieningenrechter, volgens de staatssecretaris, niet onderkend dat de vreemdeling dit document ten tijde van het eerdere besluit had kunnen overleggen.

2.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

2.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.3. De vreemdeling heeft eerder, op 20 mei 2009, op 4 juli 2009, op 5 november 2010 en op 7 september 2012 aanvragen om het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, die bij besluiten van onderscheidenlijk 29 mei 2009, 21 juli 2009, 15 november 2010 en 17 september 2012 zijn afgewezen. Het besluit van 19 december 2012 is van gelijke strekking als voormelde besluiten, zodat op het tegen dat besluit ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is.

2.4. De vreemdeling heeft aan zijn aanvraag van 11 december 2012 een op 28 september 2012 door de Somalische ambassade te Brussel afgegeven geboorteakte ten grondslag gelegd. Net als in zaak nr. 201203373/1/V2, die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2013, heeft ook de vreemdeling in de thans voorliggende zaak geen in rechte te honoreren verklaring gegeven waarom hij zich niet eerder tot de Somalische autoriteiten heeft gewend ter verkrijging van een geboorteakte. De geboorteakte is - anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen - dan ook reeds daarom geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, als hiervoor bedoeld.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling het volgende.

4. De vreemdeling heeft naast de hiervoor besproken geboorteakte aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat de algemene situatie in Somalië onveilig is.

4.1. Aangezien de vreemdeling, gelet op hetgeen onder 2.4. is overwogen, ook in deze procedure zijn Somalische nationaliteit niet heeft aangetoond, is de algemene situatie in Somalië voor hem geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

5. Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen, zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts hetgeen is aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat het hier gaat om een geval als omschreven in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, (JV 1998/45), is er voor toetsing van het besluit van 19 december 2012 geen plaats.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 5 maart 2013 in zaak nr. 12/39599;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Engelhart, ambtenaar van staat.

w.g. Verheij w.g. Engelhart

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2013

643