Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1658

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201301898/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 augustus 2011 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de naamloze vennootschap Afvalsturing Friesland N.V. (hierna: Omrin) ten aanzien van de Reststoffen Energie Centrale (hierna: de REC) aan de Lange Lijnbaan 14 te Harlingen, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2013/6068 met annotatie van H.P. Nijhoff
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/3209
JOM 2014/414
JAF 2013/377 met annotatie van Van der Meijden
OGR-Updates.nl 2013-0298
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301898/1/A4.

Datum uitspraak: 23 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 januari 2013 in zaak nr. 12/175 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân.

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2011 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de naamloze vennootschap Afvalsturing Friesland N.V. (hierna: Omrin) ten aanzien van de Reststoffen Energie Centrale (hierna: de REC) aan de Lange Lijnbaan 14 te Harlingen, afgewezen.

Bij besluit van 13 december 2011 heeft het college alsnog aan Omrin een last onder dwangsom opgelegd. Bij besluit van 31 januari 2012 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 10 augustus 2011 gemaakte bezwaar onder verwijzing naar het besluit van 13 december 2011 gegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. Hofman Edwards, en het college, vertegenwoordigd door R.A. Dirksma en H. Stapert, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Omrin, vertegenwoordigd door S. Bosch, als partij gehoord.

Overwegingen

1. [appellant] heeft het college bij bericht van 26 juli 2011 verzocht om handhavend op te treden jegens Omrin vanwege overtreding van voorschrift 1.7, tweede lid, aanhef en onder a, van de bijlage bij het Besluit verbranden afvalstoffen (hierna: het Bva). In dit voorschrift is, kort weergegeven en voor zover hier van belang, bepaald dat een verbrandingsinstallatie per kalenderjaar maximaal 60 uur in werking mag zijn terwijl er sprake is van een overschrijding van de emissie-eisen (hierna: de 60-uren-norm).

2. De REC is in 2011 in werking gesteld en in de periode vanaf 29 maart 2011 tot en met 28 april 2011 ingeregeld. Niet in geschil is dat tijdens deze inregelperiode de 60-uren-norm is overtreden. In verband met die overtreding heeft het college Omrin bij het besluit van 13 december 2011 een last onder dwangsom opgelegd, strekkende tot voorkoming van herhaling van deze overtreding in toekomstige jaren. De aan de last verbonden dwangsom is gesteld op € 10.000,00 per storing bij overschrijding van de 60-uren-norm, met een maximum van € 150.000,00.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid kon kiezen voor het opleggen van een last onder dwangsom in plaats van - zoals [appellant] wenst - het stilleggen van de REC door middel van het opleggen van een last onder bestuursdwang. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de REC na de inregelperiode in 2011 normaal of goed functioneerde en dat zich daarna nauwelijks storingen hebben voorgedaan, zodat een overtreding van de 60-uren-norm in 2012 niet opnieuw zal plaatsvinden. De rechtbank heeft daarbij verder betrokken dat stillegging van de REC grote nadelige gevolgen voor Omrin met zich brengt.

4. In het geding in hoger beroep staat de uitspraak van de rechtbank ter beoordeling. [appellant] betwist het vorenstaande oordeel van de rechtbank. Hij voert daartoe echter ook gronden aan die geen betrekking hebben op dit oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, zoals gronden over de aan Omrin verleende vergunning, de hoogte van een aan Omrin door de politierechter opgelegde boete en over andersoortige overtredingen die Omrin zou begaan. Die gronden blijven in het navolgende onbesproken.

Volgens [appellant] heeft de rechtbank miskend dat ingevolge artikel 5:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet voor een last onder dwangsom mag worden gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen zich daartegen verzet. Verder zouden de emissie-eisen in 2012 nog zijn overschreden en zou uit statistieken en de praktijk - zo begrijpt de Afdeling het betoog van [appellant] - blijken dat er in 2012 meer dan 60 storingsuren zijn geweest. Er wordt, zo betoogt [appellant], alleen handhavend opgetreden om de overtreder in het gareel te krijgen en niet om hem te bestraffen. Hij wijst erop dat artikel 19 van Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (PB 2000 L 332; hierna: de richtlijn) bepaalt dat de lidstaten sancties moeten vaststellen die van toepassing zijn op inbreuken op de nationale bepalingen ter uitvoering van deze richtlijnen, die doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend moeten zijn.

5. De Afdeling merkt op dat zowel een last onder bestuursdwang als een last onder dwangsom herstelsancties zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Herstelsancties strekken ingevolge artikel 5.2, eerste lid, onder b, van deze wet tot het voorkomen van herhaling van een overtreding. Ook indien de door [appellant] gewenste stillegging van de REC door het opleggen van een last onder bestuursdwang zou plaatsvinden, zou deze uitsluitend mogen strekken tot het voorkomen van een nieuwe overtreding van de 60-uren-norm door Omrin en niet tot het bestraffen van Omrin.

Er is verder geen grond voor het oordeel dat in dit geval het betrokken voorschrift - de 60-uren-norm - zich verzet tegen het opleggen van een last onder dwangsom strekkende tot het voorkomen van herhaling van overtreding van deze norm in de komende kalenderjaren.

[appellant] heeft verder gesteld dat ook na de inregelperiode in 2011 grote overschrijdingen van emissie-eisen hebben plaatsgevonden en plaatsvinden, maar heeft deze stelling niet met een objectieve, concrete onderbouwing gestaafd. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft mogen oordelen dat het college, gelet op de geringe kans dat in kalenderjaren na 2011 nieuwe overtredingen van de 60-uren-norm plaatsvinden en gezien de belangen van Omrin, in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor het opleggen van een last onder dwangsom in plaats van het stilleggen van de REC door middel van een last onder bestuursdwang. Om deze reden bestaat evenmin grond voor het oordeel dat, zoals [appellant] in hoger beroep heeft bepleit, het college had moeten overgaan tot intrekking van de aan Omrin verleende vergunning.

Voor zover [appellant] tot slot heeft gewezen op artikel 19 van de richtlijn, overweegt de Afdeling dat in het midden kan blijven of [appellant] een rechtstreeks beroep op deze bepaling zou kunnen doen. Ook als aan artikel 19 van de richtlijn zou kunnen worden getoetst, zou dit [appellant] niet baten. Er is geen grond voor het oordeel dat de ter voorkoming van herhaling van de overtreding opgelegde last onder dwangsom in dit geval niet voldoende doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend als bedoeld in dat artikel is.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013

262-727.