Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1657

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201301892/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:111, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 augustus 2011 heeft de staatssecretaris aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Fishion B.V. te Helmond € 345.045,00 aan subsidie verleend voor het project ‘Fish on Demand’ (hierna: het project).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301892/1/A2.

Datum uitspraak: 23 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Ospel, gemeente Nederweert,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 januari 2013 in zaak nr. 12/488 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (thans: de staatssecretaris van Economische Zaken).

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2011 heeft de staatssecretaris aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Fishion B.V. te Helmond € 345.045,00 aan subsidie verleend voor het project ‘Fish on Demand’ (hierna: het project).

Bij besluit van 1 maart 2012 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Fishion B.V. heeft een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 oktober 2013, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. P.J. Kooiman, werkzaam bij de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Kaderwet LNV subsidies kan de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (hierna: de minister) subsidies verstrekken met betrekking tot activiteiten die in het beleid inzake de visserij passen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling de activiteiten, waarvoor subsidie kan worden verstrekt, nader worden bepaald, alsmede andere criteria voor die verstrekking worden vastgesteld.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, aanhef en onder d, van de krachtens die bepaling vastgestelde Regeling LNV-subsidies (hierna: de Regeling) kan op aanvraag door de minister subsidie worden verstrekt voor de uitvoering van activiteiten in Nederland die aan het landbouwonderwijs en onderzoek op het terrein van de landbouw, de bosbouw, de natuur, het landschap, de visserij en de openluchtrecreatie bijdragen.

Ingevolge artikel 1:4, eerste lid, rangschikt de minister aanvragen tot subsidieverlening die in een zelfde aanvraagperiode zijn ingediend, waarbij een aanvraag hoger wordt gerangschikt, naarmate de activiteit, waarop deze betrekking heeft, naar het oordeel van de minister een grotere bijdrage aan de doelstelling van de subsidie levert.

Ingevolge het tweede lid, komt de volgens de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, hoogst gerangschikte aanvraag het eerst voor subsidie in aanmerking.

Ingevolge het derde lid kan de minister één of meer beoordelingscommissies instellen die tot taak hebben aanvragen overeenkomstig het tweede lid te beoordelen en hierover advies uit te brengen aan de minister.

Ingevolge artikel 4:22, eerste lid, kan de minister subsidie verstrekken voor de uitvoering van een project ter bevordering van samenwerkingsvormen in de visserij of ter versterking van praktijknetwerken die samenwerking of innovatie ondersteunen en dat met name gericht is op:

a. beter beheer van visbestanden;

b. duurzame vismethoden;

c. ketensamenwerking;

d. samenwerking tussen onderzoekers en vissers of visserijondernemingen;

e. uitwisseling van kennis;

f. internationale samenwerking;

g. ontwikkeling van de aquacultuursector.

2. De staatssecretaris heeft de subsidieverlening gebaseerd op een advies van de beoordelingscommissie. Deze commissie heeft het project een score van tien punten gegeven, waarmee het op een gedeelde derde plek in de rangschikking is gekomen en voor subsidieverlening in aanmerking kwam.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat uit de subsidieaanvraag blijkt dat de subsidiegelden in strijd met de regels omtrent subsidieverlening voor de promotie van de merknaam Claresse zullen worden gebruikt.

3.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de staatssecretaris niet op voorhand aanleiding heeft hoeven vinden om aan te nemen dat de subsidie voor promotieactiviteiten wordt aangewend, nu het project volgens de aanvraag tot doel heeft om, door de behoefte van klanten en consumenten inzichtelijk te maken, de marktvraag en het afzetvolume voor de kweekvissoort claresse in het bijzonder en voor kweekvis in het algemeen te verhogen en bij de subsidieverlening als verplichting is opgenomen dat de subsidie niet voor promotieactiviteiten wordt aangewend. Daarbij heeft de rechtbank terecht mede van belang geacht dat de staatssecretaris te kennen heeft gegeven dat de subsidieverlening zal worden gewijzigd of de subsidie lager zal worden vastgesteld, indien blijkt dat Fishion B.V. de subsidiegelden voor promotie van de merknaam Claresse heeft aangewend.

Het betoog faalt.

4. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat Fishion B.V. niet aan de subsidieverplichtingen heeft voldaan, aangezien het project nog niet is begonnen en de twee andere hoofdaanvragers van de subsidie failliet zijn gegaan, faalt evenzeer, nu de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat deze omstandigheden, wat daar verder van zij, zich na het besluit van 1 maart 2012 hebben voorgedaan en daarom niet bij de beoordeling daarvan kunnen worden betrokken.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013

362-752.