Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1641

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201300088/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2012:157, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2006 heeft de raad aan [appellante] € 20.000,00, vermeerderd met wettelijke rente, ter vergoeding van planschade toegekend.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/405

Uitspraak

201300088/1/A2.

Datum uitspraak: 23 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Pey, gemeente Echt-Susteren,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 november 2012 in zaak nr. 10/1471 in het geding tussen:

[appellante]

en

de raad van de gemeente Echt-Susteren.

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2006 heeft de raad aan [appellante] € 20.000,00, vermeerderd met wettelijke rente, ter vergoeding van planschade toegekend.

Bij besluit van 19 mei 2011 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aan [appellante], voor zover thans van belang, aanvullend een bedrag van € 10.375,00, vermeerderd met wettelijke rente, ter vergoeding van planschade toegekend.

Bij uitspraak van 16 november 2012 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 mei 2011 vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven en de raad veroordeeld tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 61,40 en betaling aan [appellante] van een schadevergoeding van € 1.500,00 wegens het overschrijden van de redelijke termijn. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2013, waar [appellante], vergezeld door T.A.P. Langhout, en de raad, vertegenwoordigd door M.P.M. Janssen en mr. E. Meijer, beiden werkzaam bij de gemeente Echt-Susteren, vergezeld door ir. I.J.E.A. Huntjens, werkzaam bij de Johan van Oldenbarnevelt Stichting (hierna: de JvO), zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 juli 2008 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) in werking getreden.

2. Ingevolge artikel 49, onder a, van de WRO, zoals die bepaling tot 1 september 2005 luidde, kent de gemeenteraad een belanghebbende op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover blijkt dat die belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

3. [appellante] is sinds 16 juni 1998 eigenaresse van de percelen met woning aan de [locatie] te Pey, gemeente Echt-Susteren (hierna: de percelen). Zij heeft op 14 februari 2003 verzocht om vergoeding van de waardevermindering van de percelen, omdat ten gevolge van het op 2 november 2001 in werking getreden bestemmingsplan "Kern Pey" (hierna: het bestemmingsplan) de gebruiksmogelijkheden daarvan zijn beperkt en de bouwmogelijkheden zijn komen te vervallen.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellante] als gevolg van het bestemmingsplan planschade heeft geleden. Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de omvang van de geleden planschade en de vraag of de deskundigenkosten die [appellante] in beroep heeft gemaakt voor vergoeding in aanmerking komen.

5. De raad heeft aan het besluit van 19 mei 2011 onder meer een advies van de JvO van 20 januari 2011 ten grondslag gelegd. Daarin zijn vier scenario’s uitgewerkt ter invulling van de maximale gebruiks- en bouwmogelijkheden van de percelen onder het oude planologische regime. Van de opbrengst van de percelen bij elk van deze scenario’s is de waarde van de percelen met bestaande opstallen op de peildatum afgetrokken. Volgens de JvO is het scenario waarbij een winkel-/bedrijfsruimte van 300 m2 met vier bovenwoningen zou zijn gerealiseerd voor [appellante] het meest gunstig. Uitgaande van dit scenario heeft de JvO de waardevermindering van de percelen als gevolg van de planologische wijziging bepaald op € 30.375,00. Daarbij is de waarde van elk van de bovenwoningen getaxeerd op maximaal € 190.000,00 en is bij de waardebepaling van de winkel-/bedrijfsruimte uitgegaan van een kapitalisatiefactor van 11.

6. Het advies van de JvO wijkt af van een eerder in de procedure door [appellante] overgelegd rapport van de door haar ingeschakelde deskundige Langhout en Wiarda Juristen en Rentmeesters (hierna: Langhout) van 22 november 2007. In dat rapport is, uitgaande van het scenario dat op de percelen een winkel/bedrijfsruimte van 300 m2 met vier bovenwoningen zou zijn gerealiseerd, de waardevermindering van de percelen begroot op € 201.375,00. Daarbij is de waarde van elk van de bovenwoningen getaxeerd op maximaal € 225.000,00 en is bij de waardebepaling van de winkel-/bedrijfsruimte uitgegaan van een kapitalisatiefactor van 12.

7. In beroep heeft de rechtbank, op de voet van artikel 8:47, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de StAB) tot deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. De rechtbank heeft de StAB verzocht om advies over de taxatie in het planschaderapport van de JvO, over de wijze waarop deze is uitgevoerd en onderbouwd en over het verschil met de taxatie van Langhout.

In een verslag van 23 maart 2012 heeft de StAB de conclusie van de JvO en Langhout onderschreven dat het scenario, waarbij op de percelen een winkel-/bedrijfsruimte van 300 m2 met vier bovenwoningen was gerealiseerd, voor [appellante] het meest gunstig is. Volgens de StAB wordt het verschil in de uitkomsten van de taxaties van beide deskundigen veroorzaakt door een verschil in waardebepaling van elk van de bovenwoningen en door het hanteren van een andere kapitalisatiefactor. Ten aanzien van de waardebepaling van de bovenwoningen is in het verslag vermeld dat, hoewel de JvO in haar advies heeft vermeld dat het door Langhout begrote bedrag van € 225.000,00, gelet op de hoogte van de verkoopprijzen van appartementen in dat gedeelte van Echt-Susteren, niet realistisch wordt geacht en Langhout in zijn advies heeft toegelicht dat zijn waardebepaling is gebaseerd op de grootte van de bovenwoningen en het hoge afwerkingsniveau, beide deskundigen de door hen begrote waarden van de bovenwoningen niet hebben onderbouwd met referentietransacties. Volgens de StAB hebben beide deskundigen evenmin feiten naar voren gebracht die de juistheid van één van beide taxaties van de verkoopwaarde van de appartementen onweerlegbaar onderbouwen. Ook ten aanzien van de kapitalisatiefactor is in het verslag van de StAB vermeld dat beide deskundigen de door hen gehanteerde kapitalisatiefactor niet met referentietransacties hebben onderbouwd en geen feiten naar voren hebben gebracht die de juistheid van één van beide factoren onweerlegbaar onderbouwen. De door beide deskundigen geraadpleegde lokaal opererende makelaars/taxateurs komen evenmin tot een eensluidend oordeel, aldus de StAB. Vervolgens is in het verslag uiteengezet dat de door de StAB ingeschakelde taxateurs de waarde van elk van de bovenwoningen hebben begroot op maximaal € 190.000,00 en dat bij de waardebepaling van de winkel-/bedrijfsruimte dient te worden uitgegaan van een kapitalisatiefactor van 11,11. Als gevolg hiervan hebben de taxateurs van de StAB de waardevermindering van de percelen begroot op € 34.174,00.

8. De rechtbank heeft overwogen dat gelet op het advies van de StAB en gelijk aan hetgeen door de raad is betoogd, niet is gebleken van concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat het advies van de JvO onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins gebreken kleven, zodat de raad dat advies aan zijn besluit van 19 mei 2011 ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de door de JvO getaxeerde waarde van elk van de appartementen van maximaal € 190.000,00 door de StAB is onderschreven en dat de kapitalisatiefactor, waartoe de StAB heeft geconcludeerd, dichter bij de factor 11 uit het advies van de JvO ligt dan bij de factor 12 uit het advies van Langhout. De rechtbank heeft evenwel het besluit van 19 mei 2011 vernietigd, met instandlating van de rechtsgevolgen ervan, omdat de redelijke termijn ten tijde van de uitspraak met ruim een jaar was overschreden en deze overschrijding geheel aan de raad was toe te rekenen.

9. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het verslag van de StAB onvolledig is en niet kan worden gedragen door de overwegingen die eraan ten grondslag liggen. [appellante] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de door haar aangedragen referentietransacties voor een kapitalisatiefactor van 12 niet representatief zijn. Zij wijst in dit verband op een transactie uit 2012 ter zake van het pand Houtstraat 34-G te Pey, waarvan vlak voor de zitting van de rechtbank van de eigenaar toestemming is verkregen om de taxatie als referentie voor deze zaak te gebruiken, hetgeen ook ter zitting aan de rechtbank is meegedeeld. Voorts voert [appellante] aan dat de waardebepaling door de StAB van elk van de appartementen te laag is uitgevallen, nu de referentietransacties, waarop de StAB haar oordeel heeft gebaseerd, betrekking hebben op panden die in een mindere buurt van Echt-Susteren zijn gelegen. Deze transacties zijn dan ook niet representatief en volgens haar is onvoldoende rekening gehouden met de ligging van haar percelen.

9.1. Met dit betoog gaat [appellante] er aan voorbij dat niet het verslag van de StAB, maar het advies van de JvO aan het besluit van 19 mei 2011 ten grondslag ligt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 28 november 2012 in zaak nr. 201100552/1/A2), mag een bestuursorgaan een besluit inzake de vergoeding van planschade baseren op het advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige, tenzij dat onzorgvuldig tot stand is gekomen of daaraan anderszins ernstige gebreken kleven. In hetgeen [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het door de raad aan het besluit van 19 mei 2011 ten grondslag gelegde advies van de JvO onzorgvuldig tot stand is gekomen of daaraan anderszins ernstige gebreken kleven. Daartoe overweegt de Afdeling dat aan de door [appellante] genoemde referentietransacties uit 2012 reeds hierom niet de door haar gewenste betekenis kan worden toegekend, nu het in deze zaak gaat om een beoordeling van de waardevermindering van de percelen op de referentiedatum 2 november 2001. Voorts kan uit een in het advies van de StAB overgenomen overzicht "gemiddelde koopsom appartementen 2001 - 2011", zoals door de raad ter zitting aan de hand van de kadastrale gegevens van de percelen nader toegelicht, worden afgeleid dat er rondom de referentiedatum in geheel Echt slechts vier appartementen boven de € 125.000,00 zijn verkocht, waarvan twee rond de € 175.000,00, welke laatste appartementen - anders dan in deze zaak - in het centrum lagen. Nu [appellante] ook verder niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan het advies van de JvO ernstige gebreken kleven, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de raad het advies van de JvO aan het besluit van 19 mei 2011 ten grondslag heeft mogen leggen. Dat de door [appellante] ingeschakelde deskundige Langhout tot een andere conclusie komt dan de JvO, maakt dit niet anders, aangezien dat niet betekent dat reeds daarom het advies van de JvO onjuist of onzorgvuldig is.

Het betoog faalt.

10. [appellante] betoogt ten slotte dat de rechtbank de raad ten onrechte niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de kosten van de door haar in beroep ingeschakelde deskundige. Volgens [appellante] vloeit uit het Besluit proceskosten bestuursrecht voort dat de deskundigenkosten in de beroepsfase altijd voor vergoeding in aanmerking komen in het geval het beroep gegrond wordt verklaard. Nu de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard en de inschakeling van de deskundige noodzakelijk was voor de uitkomst van het geschil, komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking, aldus [appellante].

10.1. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de door [appellante] gemaakte deskundigenkosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. In het geval de gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit uitsluitend het gevolg zijn van de overschrijding van de redelijke termijn en het besluit op zichzelf rechtmatig is, komen in beginsel niet de deskundigenkosten, maar slechts de kosten die de belanghebbende heeft gemaakt voor beroepsmatige rechtsbijstand en het verschijnen ter zitting voor vergoeding in aanmerking. De gegrondverklaring en vernietiging zien immers niet op een onrechtmatigheid in het besluit.

Het betoog faalt.

11. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013

452-752.