Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1638

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201300208/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2012 heeft de burgemeester [appellant] een huisverbod opgelegd met betrekking tot de woning aan de [locatie] te Nieuwegein. Bij besluit van 7 november 2012 heeft de burgemeester dat verbod met achttien dagen verlengd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300208/1/A3.

Datum uitspraak: 23 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Nieuwegein,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 16 november 2012 in zaken nrs. 332582/FA RK 12-6783 en 332586/KG ZA 12-809 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Nieuwegein.

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2012 heeft de burgemeester [appellant] een huisverbod opgelegd met betrekking tot de woning aan de [locatie] te Nieuwegein. Bij besluit van 7 november 2012 heeft de burgemeester dat verbod met achttien dagen verlengd.

Bij mondelinge uitspraak van 16 november 2012 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] ingediende beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 10 oktober 2013.

Overwegingen

1. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (hierna: Wns), voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Uit het in artikel IV, eerste lid, van de Wns neergelegde overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) wordt in deze wet onder huisverbod verstaan: beschikking houdende een last tot het onmiddellijk verlaten van een bepaalde woning en een verbod tot het betreden van, zich ophouden bij of aanwezig zijn in die woning en een verbod om contact op te nemen met degenen die met de persoon tot wie de beschikking is gericht in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven. Ingevolge artikel 2, eerste lid, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Ingevolge artikel 6, derde lid, betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. De artikelen 2, vierde lid, en 6 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing.

2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 februari 2010 in zaak nr. 200902749/1/H3) volgt uit het stelsel van de Wth dat de rechter in de eerste plaats moet beoordelen of het huisverbod had mogen worden opgelegd en, ingeval het is verlengd, of het had mogen worden verlengd. Als het huisverbod nog geldt op de dag waarop de rechter zijn uitspraak doet, dient hij vervolgens in verband met artikel 6, derde lid, van de Wth te bezien of zich na de oplegging of de verlenging van het huisverbod feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waaruit blijkt dat de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan zich ten tijde van de beoordeling door de rechter niet langer voordoet, zodat het niet gerechtvaardigd is het huisverbod te laten voortduren.

3. [appellant] is in beroep niet opgekomen tegen het besluit van 30 oktober 2012 tot oplegging van het huisverbod. In hoger beroep is hij niet opgekomen tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat, nu de hulpverlening op 7 november 2012 nog niet was gestart in verband met de voorlopige hechtenis van [appellant], ten tijde van het verlengingsbesluit de dreiging van het gevaar, dan wel het ernstige vermoeden daarvan, zich had voortgezet en de burgemeester in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot verlenging van het huisverbod. In hoger beroep is uitsluitend aan de orde, of zich na de verlenging van het huisverbod feiten of omstandigheden, als hiervoor bedoeld, hebben voorgedaan op grond waarvan de voorzieningenrechter grond had moeten zien voor het oordeel dat het niet gerechtvaardigd was het huisverbod te laten voortduren.

4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de beantwoording van de vraag, of het gerechtvaardigd was om het huisverbod te laten voortduren. Dat de situatie onvoldoende stabiel was en onvoldoende zekerheid bestond over de veiligheid van de achterblijvers, betekent niet dat van hem nog een ernstige dreiging van geweld uitging richting de achterblijvers dan wel dat nog steeds een ernstig vermoeden daarvan bestond. De voorzieningenrechter heeft voorts ten onrechte niet onderkend dat de wisselende wensen van de achterblijvers over de toekomstige woonsituatie, geen rol spelen bij beantwoording van de vraag, of er een ernstige dreiging is dan wel een ernstig vermoeden daarvan. Nu ten tijde van de uitspraak van de voorzieningenrechter van hem geen ernstige dreiging van geweld jegens de achterblijvers meer uitging, had de voorzieningenrechter reden moeten zien om het huisverbod niet langer te laten voortduren, aldus [appellant].

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 januari 2013 in zaak nr. 201113352/1/A3), is bij de beoordeling of de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan daadwerkelijk niet langer bestaat, van belang of de uithuisgeplaatste inmiddels een reële aanvang met de hulpverlening heeft gemaakt en of de verwachting gerechtvaardigd is dat hij aan de hulpverlening blijft meewerken. Op 14 november 2012 heeft [appellant] een intakegesprek gehad bij hulpverleningsinstantie De Waag, waarbij naar voren is gekomen dat hij met zijn huidige partner in behandeling wil. Een vervolggesprek is gepland op 21 november 2012, waarvoor ook de huidige partner van [appellant] is uitgenodigd. De voorzieningenrechter heeft in deze omstandigheden terecht geen grond gezien voor het oordeel dat op de dag waarop hij uitspraak heeft gedaan, een reële aanvang was gemaakt met de hulpververlening en de gerechtvaardigde verwachting kon bestaan dat [appellant] zijn medewerking aan de hulpverlening zou blijven verlenen. Reeds gelet hierop heeft de voorzieningenrechter terecht geen reden gezien om het huisverbod niet langer te laten voortduren. Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Het verzoek van [appellant] om schadevergoeding dient te worden afgewezen, reeds omdat ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht toekenning van schadevergoeding slechts mogelijk is indien het beroep gegrond wordt verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013

434-798.