Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1630

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201211024/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:22544, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2011 heeft het college een aanvraag van [appellante] om omgevingsvergunning voor het plaatsen van tien strandhuisjes bij strandpaviljoen [appellante] te Katwijk buiten behandeling gesteld.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.41a
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:15
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 3.7
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 3.9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/423
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/3207

Uitspraak

201211024/1/A1.

Datum uitspraak: 23 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Katwijk,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 oktober 2012 in zaak nr. 12/1259 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Katwijk.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2011 heeft het college een aanvraag van [appellante] om omgevingsvergunning voor het plaatsen van tien strandhuisjes bij strandpaviljoen [appellante] te Katwijk buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 31 januari 2012 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft daarbij het besluit van 29 september 2011 herroepen in die zin, dat de buitenbehandelingstelling haar grondslag vindt in de Wet milieubeheer (hierna: Wm).

Bij uitspraak van 24 oktober 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 mei 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door F.W.C. Lange, bijgestaan door E.J. de Valk, en het college, vertegenwoordigd door S.M.W. van der Weijden, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het bouwplan is, naar niet in geschil is, in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied".

2. De beoogde strandhuisjes kunnen, naar evenmin in geschil is, worden aangemerkt als op de grond staande bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf als bedoeld in artikel 3, aanhef en tweede lid, van bijlage II, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). Dit betekent dat het bouwplan is uitgezonderd van de vergunningplicht voor de activiteit "bouwen" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), maar niet van de vergunningplicht voor de activiteit "strijdigheid met het bestemmingsplan" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van die wet. Hieruit volgt dat voor de strandhuisjes omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 3º, van de Wabo moet worden aangevraagd. De Afdeling wijst in dit verband nog op haar uitspraak van 8 augustus 2012 in zaak nr. 201105349/1/A1.

Niet in geschil is dat het bestaande strandpaviljoen op het perceel tezamen met de beoogde strandhuisjes één inrichting vormt als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wm. Dit betekent dat ingevolge artikel 8:41a, eerste lid, van die wet tegelijkertijd met de aanvraag om omgevingsvergunning een melding op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) dient te worden gedaan.

3. Vast staat dat [appellante] deze melding niet heeft gedaan.

Bij brief van 1 augustus 2011 (hierna: de brief) heeft het college [appellante] verzocht om de ontbrekende gegevens aan te vullen en de melding alsnog voor uiterlijk 26 september 2011 te doen.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij de brief niet heeft ontvangen. Zij voert daartoe aan dat het college de brief aangetekend had moeten verzenden en een gemeentelijk ambtenaar haar bij e-mail van 10 oktober 2011 te kennen heeft gegeven dat de brief pas op 4 oktober is verzonden. Verder voert zij daartoe aan dat uit een uitzending van het televisieprogramma Kassa! blijkt dat de Nederlandse postbezorging onder de maat is en het niet in haar belang is om de ontvangst van de brief te ontkennen als zij die wel zou hebben ontvangen. Verder voert zij aan dat uit een door haar op 6 oktober 2011 verzonden e-mailbericht aan de gemeente blijkt dat zij de brief nooit heeft ontvangen, alsmede in het besluit van 29 september 2011 niet is vermeld of, en zo ja wanneer, de brief is verzonden.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 juni 2013 in zaak nr. 201210511/1/A1), dient in geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het betrokken stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met aannemelijkmaken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het document is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Indien het bestuursorgaan de verzending van het document aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het document niet op zijn adres is ontvangen. Voldoende is dat op grond van hetgeen hij aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

4.2. De brief is niet aangetekend verzonden. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college daartoe verplicht was. De brief behelst, blijkens een door het college overgelegd afschrift daarvan, de juiste adressering van [appellante] en de verzenddatum 2 augustus 2011. Verder heeft het college een uitdraai van het postregistratiesysteem van de gemeente overgelegd, waaruit blijkt dat de brief op 2 augustus 2011 aan [appellante] is verstuurd. Gelet hierop heeft het college aannemelijk gemaakt dat de brief op die datum aan [appellante] is verzonden.

In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel, dat redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat zij die brief heeft ontvangen. Dat een gemeenteambtenaar haar bij e-mail van 10 oktober 2011 te kennen heeft gegeven dat de brief op 4 oktober 2011 is verzonden, leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat dit een kennelijke verschrijving is, nu deze datum de verzenddatum is van het besluit van 29 september 2011. Dat volgens een televisieprogramma de postbezorging in Nederland te wensen overlaat, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. De stelling dat het niet in [appellante]’s belang is om de ontvangst van de brief te ontkennen leidt evenmin tot een ander oordeel. Het is in [appellante]’s belang dat redelijkerwijs wordt betwijfeld dat zij de brief heeft ontvangen. Dat in het besluit van 29 september 2011 niet is vermeld dat de brief is verzonden en uit een door [appellante] op 6 oktober 2011 verzonden e-mailbericht aan de gemeente blijkt dat zij de brief nooit heeft ontvangen, is evenmin toereikend voor het oordeel dat redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat [appellante] die brief heeft ontvangen.

Het betoog faalt.

5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het college [appellante] in de gelegenheid heeft gesteld de aanvraag aan te vullen, maar dat [appellante] de door het college gegeven termijn ongebruikt heeft laten verstrijken. Het college heeft hierop de aanvraag om omgevingsvergunning van [appellante] buiten behandeling gesteld.

6. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte heeft besloten om haar aanvraag om omgevingsvergunning buiten behandeling te stellen. Volgens [appellante] voorziet artikel 8:41a van de Wm niet in de mogelijkheid om de maximale beslistermijn als bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb te verlengen waardoor de gevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. Verder voert zij aan dat het college haar nooit op de verplichting heeft gewezen dat tegelijkertijd met de aanvraag om omgevingsvergunning een melding op grond van het Activiteitenbesluit dient te worden gedaan en dat zij op 28 juli 2011 een e-mail van de gemeente heeft ontvangen waarin haar weliswaar wordt gevraagd om aanvullende gegevens in te dienen, maar niet dat het daarbij gaat om een melding als hiervoor bedoeld. Ook voert zij aan dat zij alsnog in november 2011 een melding heeft gedaan, maar dat het college deze niet in behandeling heeft genomen.

6.1. Ingevolge artikel 8:41a, eerste lid, van de Wet milieubeheer, wordt, indien activiteiten ten aanzien waarvan ingevolge het bepaalde krachtens artikel 8.41 een melding moet worden gedaan, tevens zijn aan te merken als activiteiten die behoren tot een categorie waarvoor ingevolge artikel 2.1 of 2.2, eerste lid, van de Wabo een omgevingsvergunning is vereist, indien de melding nog niet gedaan is of de bij de melding te verstrekken gegevens niet volledig zijn, tegelijkertijd met de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning een melding van die activiteiten overeenkomstig het bepaalde krachtens artikel 8.41 gedaan.

Ingevolge het tweede lid besluit het bevoegd gezag, indien niet is voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen de door dat bestuursorgaan gestelde termijn alsnog te melden dan wel de ontbrekende gegevens te verstrekken.

6.2. Het college heeft in het besluit op bezwaar de aanvraag om omgevingsvergunning van [appellante] op grond van artikel 8:41a, tweede lid, van de Wet milieubeheer en artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld. Gelet hierop betoogt [appellante] tevergeefs dat het college haar aanvraag niet op grond van artikel 8:41a, tweede lid, van de Wet milieubeheer buiten behandeling heeft gesteld. [appellante] stelt zich tevergeefs op het standpunt dat de gevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. Ingevolge artikel 3.7, eerste lid, van de Wabo is artikel 3.9 niet van toepassing op de voorbereiding van de gevraagde omgevingsvergunning, nu de aanvraag betrekking heeft op het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, waarvoor uitsluitend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3° van de Wabo vergunning kan worden verleend.

De stelling van [appellante] dat het college haar nooit op de verplichting heeft gewezen dat tegelijkertijd met de aanvraag om omgevingsvergunning een melding op grond van het Activiteitenbesluit diende te worden gedaan, mist feitelijke grondslag. In de brief heeft het college [appellante] op die verplichting gewezen. Dat het college [appellante] een e-mail heeft gestuurd waarin wordt gevraagd om aanvullende gegevens in te dienen, zonder dat daarbij is vermeld dat het daarbij gaat om een melding als hiervoor bedoeld, maakt dat niet anders.

De klacht van [appellante] dat zij alsnog in november 2011 een melding als hiervoor bedoeld heeft gedaan maar dat het college deze niet in behandeling heeft genomen, slaagt evenmin. Het college heeft [appellante] in de brief tot uiterlijk 26 september 2011 de tijd gegeven de melding alsnog te doen. [appellante] heeft de melding eerst na het verstrijken van die termijn gedaan.

7. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college misbruik van zijn bevoegdheid heeft gemaakt door in de brief aan [appellante] te vragen de kosten van de te verrichten werkzaamheden op te geven.

7.1. Deze beroepsgrond heeft [appellante] niet in beroep naar voren gebracht. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellante] zulks uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de rechtszekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, kan deze grond niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013

543.