Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:163

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
201211639/1/T1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 23 juni 2011 heeft het college verzoeken van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3] om vergoeding van waardevermindering van hun appartementen als gevolg van de uitvoering van het kustversterkingsplan "Versterking zwakke schakel Noordwijk" afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2013/64
AB 2013/299 met annotatie van H.K. Gilissen
M en R 2014/5 met annotatie van F.A.G. Groothuijse
JOM 2014/36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211639/1/T1/A2.

Datum uitspraak: 3 juli 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1]

2. [appellant sub 2]

3. [appellante sub 3], allen wonend te Noordwijk,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 7 november 2012 in zaken nrs. 12/1886, 12/1898 en 12/1945 in het geding tussen:

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3]

en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 23 juni 2011 heeft het college verzoeken van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3] om vergoeding van waardevermindering van hun appartementen als gevolg van de uitvoering van het kustversterkingsplan "Versterking zwakke schakel Noordwijk" afgewezen.

Bij besluiten van 19 januari 2012 heeft het college de door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 november 2012 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2013, waar [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en [appellante sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door A.J.M. Zonneveld en ir. M.J. de Vries, beiden werkzaam bij het hoogheemraadschap, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Het college heeft ter uitvoering van het kustversterkingsplan in september 2007 tot april/mei 2008 werkzaamheden in Noordwijk uitgevoerd. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3] zijn eigenaren van appartementen, gelegen op de eerste verdieping van het appartementencomplex "La Coquille" aan de Noordzeestraat te Noordwijk. Ter hoogte van de appartementen is een duin verbreed en opgehoogd naar 9 meter boven NAP en een voetpad richting het strand verlegd. Zij stellen dat hun appartementen in waarde zijn verminderd, omdat het uitzicht op het strand en de branding is weggenomen door de verbreding en ophoging van het duin. Volgens een bij de aanvragen gevoegd taxatierapport van Y.M. Segaar bedraagt de waardevermindering van de appartementen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3] respectievelijk € 100.000,00, € 105.000,00 en € 100.000,00.

3. Ingevolge artikel 27 van de Keur Rijnland 2006 wordt de belanghebbende die schade lijdt of zal lijden, als gevolg van de toepassing van bepalingen van deze keur, welke schade redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van de belanghebbende behoort te blijven, een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding verstrekt, indien de vergoeding niet anderszins is verzekerd. In de toelichting op dit artikel is vermeld dat een verzoek om schadevergoeding wordt behandeld met toepassing van de Verordening Schadevergoeding Rijnland 2005 (hierna: de verordening).

4. Het college heeft de verzoeken om vergoeding van schade afgewezen onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie nadeelcompensatie Hoogheemraadschap van Rijnland. Volgens het advies valt de waardevermindering van de appartementen binnen het normale maatschappelijke risico als bedoeld in artikel 3 van de verordening. Bij besluiten van 19 januari 2012 heeft het college conform het advies van de bezwaarschriftencommissie Rijnland de afwijzingen gehandhaafd.

5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de kustversterkingswerkzaamheden, gelet op het ter plaatse geldende bestemmingsplan, als een normale maatschappelijke ontwikkeling kunnen worden beschouwd. Het college heeft zich volgens de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de daardoor veroorzaakte waardevermindering van de appartementen behoort tot het normale maatschappelijke risico.

6. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat zij bij de aanschaf van hun appartementen in 1995 geen rekening hebben kunnen houden met een kustversterking zoals die in Noordwijk in 2007-2008 heeft plaatsgevonden en dat de daardoor veroorzaakte waardevermindering van hun appartementen niet binnen het normaal maatschappelijke risico valt.

7. Indien uit een advies van een door een bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, mag dat bestuursorgaan volgens vaste jurisprudentie bij het nemen van een besluit op een aanvraag om nadeelcompensatie van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

7.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2013 in zaak 201203750/1/A2 volgt dat de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van een goede en veilige kustverdediging als een normale maatschappelijke ontwikkeling in het algemeen belang moet worden beschouwd. De realisering van een kustversterkingswerk, het aanleggen van een dijk in de duinen, past binnen het bestemmingsplan, waarin de gronden mede bestemd zijn voor de kustverdediging. Het gebruik maken van de mogelijkheden die ter plaatse geldende bestemmingsplannen bieden tot aanpassing of verbetering van waterkering ten behoeve van een goede en veilige kustverdediging dienen ook in dat opzicht als een normale maatschappelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Dat geldt ook als er geen concreet zicht bestond op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop kustverdedigingswerkzaamheden zich zouden concretiseren. Dat [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3] ten tijde van de aankoop van hun appartementen niet konden voorzien dat een dijk in het duin zou worden aangelegd, staat derhalve niet in de weg aan het oordeel dat de uitvoering van de kustversterkingswerkzaamheden als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden beschouwd.

De vraag of de gevolgen van een overheidshandeling al dan niet buiten het normale maatschappelijke risico vallen, moet echter worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de schade. Van een boven het normaal maatschappelijk risico uitstijgend nadeel kan sprake zijn als een maatregel weliswaar als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt, maar een individueel belang ten gevolge van een zodanig maatregel zodanig zwaar wordt getroffen dat het uit die maatregel voortvloeiende nadeel redelijkerwijs niet ten laste van de betrokkenen dient te blijven. In dit verband is van belang dat uit het door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3] bij de aanvragen gevoegd taxatierapport blijkt dat de relatieve omvang van de waardevermindering van de appartementen respectievelijk 17,4%, 17,8% en 18,3% bedraagt. Het college heeft in navolging van het advies van de schadecommissie de omvang van de waardevermindering ten onrechte niet betrokken bij de vraag of de door de kustversterkingswerkzaamheden veroorzaakte schade binnen het normaal maatschappelijk risico valt. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat de door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3] gestelde schade in de vorm van waardevermindering van de appartementen niet voor vergoeding in aanmerking komt.

8. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding om het college op de voet van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, zoals dat luidde ten tijde van belang, op te dragen het gebrek in het besluit op bezwaar van 19 januari 2012 te herstellen of een nieuw besluit te nemen. Het college dient met inachtneming van hetgeen onder 7.1 is overwogen te onderzoeken en te motiveren in hoeverre de door de kustversterkingswerkzaamheden veroorzaakte waardevermindering van de appartementen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3] buiten het normaal maatschappelijk risico valt en voor vergoeding in aanmerking komt.

8.1. Gezien de tijd die met dergelijke besluitvorming gemoeid kan zijn, wordt daartoe een termijn gesteld van 21 weken na verzending van deze uitspraak.

9. Hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3] verder hebben aangevoerd over het gelijkheidsbeginsel, treft geen doel. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het niet om gelijke gevallen gaat.

10. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van Dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland op om binnen 21 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van rechtsoverweging 7.1 het geconstateerde gebrek in het besluit van 19 januari 2012 te herstellen of een nieuw besluit te nemen en de Afdeling de uitkomst mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Planken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2013

299.