Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1625

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201210313/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2012:5529, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2011 heeft de staatssecretaris een verzoek van [wederpartij] om openbaarmaking van het handhavingsconvenant dat de Belastingdienst op 30 november 2007 heeft gesloten met 21 bij het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (hierna: CIO) aangesloten kerkgenootschappen (hierna: het handhavingsconvenant), en indien van toepassing, eventueel latere wijzigingen of aanvullingen daarop, toegewezen wat betreft het algemene deel en voor het overige afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210313/1/A3.

Datum uitspraak: 23 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Financiën,

appellant,

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2012 en 21 september 2012 in zaak nr. 12/71 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2011 heeft de staatssecretaris een verzoek van [wederpartij] om openbaarmaking van het handhavingsconvenant dat de Belastingdienst op 30 november 2007 heeft gesloten met 21 bij het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (hierna: CIO) aangesloten kerkgenootschappen (hierna: het handhavingsconvenant), en indien van toepassing, eventueel latere wijzigingen of aanvullingen daarop, toegewezen wat betreft het algemene deel en voor het overige afgewezen.

Bij besluit van 22 december 2011 heeft de staatssecretaris het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en het besluit van 19 september 2011 herroepen ten aanzien van bijlage 1 bij het handhavingsconvenant, doch voor het overige dat besluit gehandhaafd.

Bij tussenuitspraak van 19 juli 2012 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om het door haar vastgestelde motiveringsgebrek in het besluit van 22 december 2011 te herstellen.

Bij uitspraak van 21 september 2012 heeft de rechtbank het door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 22 december 2011 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

[wederpartij] heeft toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 september 2013, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. W.J.G. van Duijn en drs. R.L.J. Laurey, werkzaam bij het Ministerie, en [wederpartij] zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) kan in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de rechtbank worden ingesteld, indien het betreft:

a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of

b. een voor bezwaar vatbare beschikking.

Ingevolge artikel 67, eerste lid, is het een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

2. De staatssecretaris heeft het algemene deel van het handhavingsconvenant en bijlage 1 openbaar gemaakt, maar openbaarmaking van bijlage 2 geweigerd. Aan deze weigering heeft de staatssecretaris primair de geheimhoudingsplicht van artikel 67, eerste lid, van de Awr ten grondslag gelegd. Omdat voor toepassing van de Wob volgens hem dan geen ruimte meer is, heeft hij het verzoek om informatie krachtens de Wob afgewezen. Subsidiair heeft de staatssecretaris het verzoek om informatie geweigerd krachtens artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, d en g, van de Wob.

3. De rechtbank heeft vastgesteld dat bijlage 2 uit twee onderdelen bestaat, te weten een brief van de staatssecretaris aan het CIO van 22 augustus 2007 en de bijlage daarbij, inclusief addenda. Ten aanzien van de brief heeft de rechtbank geoordeeld dat de staatssecretaris ten onrechte artikel 67, eerste lid, van de Awr aan de weigering tot openbaarmaking van de brief ten grondslag heeft gelegd. Hiertoe heeft zij overwogen dat de brief geen wetsuitleg in een concreet geval inhoudt en dat de brief geen gegevens bevat die betrekking hebben op de uitvoering van de belastingwet of fiscale gevolgen kunnen hebben. De weigering tot openbaarmaking van de brief krachtens artikel 10, tweede lid, aanhef onder b, d, en g, van de Wob is onvoldoende concreet per weigeringsgrond onderbouwd. Ten aanzien van de bijlage bij de brief van 22 augustus 2007 en de addenda heeft de rechtbank geoordeeld dat het standpunt van de staatssecretaris dat deze documenten onder de werking van artikel 67 van de Awr vallen, niet onjuist is.

4. De staatssecretaris kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris ten onrechte artikel 67, eerste lid, van de Awr aan de weigering tot openbaarmaking van de brief van 22 augustus 2007 ten grondslag heeft gelegd. Volgens hem heeft de rechtbank met dit oordeel miskend dat in artikel 67, eerste lid, van de Awr een zeer verstrekkende geheimhoudingsplicht is vervat. De geheimhoudingsplicht heeft betrekking op de wetenschap van al hetgeen iemand in zijn ambt of betrekking, bij de uitvoering van de desbetreffende (belasting)wet of in verband daarmee, in het algemeen nopens de zaken of werkzaamheden van een ander is gebleken, aldus de staatssecretaris.

4.1. De vraag die aan de orde is, is of de brief van 22 augustus 2007 valt onder de reikwijdte van de in artikel 67, eerste lid, van de Awr vervatte geheimhoudingsplicht. Daartoe dient beoordeeld te worden of de brief betrekking heeft op hetgeen uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt medegedeeld. De rechtbank heeft een onjuiste maatstaf aangelegd, door tevens te toetsen of de brief wetsuitleg bevat of gegevens die fiscale gevolgen kunnen hebben.

De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb van de brief van 22 augustus 2007 kennis genomen. De Afdeling stelt vast dat de brief betrekking heeft op hetgeen uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt medegedeeld. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris ten onrechte artikel 67, eerste lid, van de Awr aan de weigering tot openbaarmaking van de brief ten grondslag heeft gelegd.

4.2. Tegen deze weigering stond ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Awr geen beroep open bij de bestuursrechter die ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb in het algemeen bevoegd is ter zake van besluiten. De bestuursrechter had zich in zoverre dan ook onbevoegd moeten verklaren om van het door [wederpartij] ingestelde beroep kennis te nemen. Nu gelet op artikel 26, eerste lid, van de Awr evenmin beroep tegen dit deel van het besluit bij de belastingrechter openstaat, stelt de Afdeling met het oog op artikel 8:71 van de Awb vast dat [wederpartij] in zoverre uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan instellen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2010 in zaak nr. 200906092/1/H3.

4.3. Zoals de Afdeling eerder, onder meer in de uitspraak van 14 april 2010, heeft overwogen, is in artikel 67 van de Awr, zoals deze bepaling sinds 1 januari 2008 luidt, een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter vervat die prevaleert boven de Wob. Nu de brief van 22 augustus 2007 onder het toepassingsbereik van artikel 67, eerste lid, van de Awr valt, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat voor toepassing van de Wob geen ruimte meer is en heeft hij het verzoek van [wederpartij] om informatie krachtens de Wob terecht afgewezen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

5. Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. De overige beroepsgronden van de staatssecretaris behoeven geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de rechtbank alsnog onbevoegd verklaren kennis te nemen van het door [wederpartij] ingestelde beroep tegen het besluit van 22 december 2011, voor zover daarbij het verzoek om informatie is afgewezen krachtens artikel 67, eerste lid, van de Awr. Daarnaast zal de Afdeling het beroep tegen dat besluit, voor zover daarbij het verzoek om informatie is afgewezen krachtens de Wob, ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2012 en 21 september 2012 in zaak nr. 12/71;

III. verklaart de rechtbank onbevoegd om van het bij haar ingestelde beroep kennis te nemen, voor zover dat beroep is gericht tegen het deel van het besluit van 22 december 2011 waarbij het verzoek om informatie is afgewezen krachtens artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep, voor zover de rechtbank bevoegd was om daarvan kennis te nemen, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Binnema

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013

589.