Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1623

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201209972/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2012:2852, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij twee besluiten van 30 september 2009, een besluit van 11 maart 2010, een besluit van 20 april 2010, een besluit van 20 juli 2010, een besluit van 26 augustus 2010, een besluit van 5 mei 2011 en een besluit van 8 september 2011 heeft het bestuur van het CPE aan [appellante] tarieven in rekening gebracht in verband met door het CPE bij [appellante] uitgevoerde controles.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209972/1/A3.

Datum uitspraak: 23 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 5 september 2012 in zaken nrs. 10/1051, 10/1131, 10/1132, 10/1133, 10/1802, 10/1804, 12/72 en 12/74 in het geding tussen:

[appellante]

en

het bestuur van de stichting Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten (hierna: het CPE), thans: het Centraal Orgaan Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel.

Procesverloop

Bij twee besluiten van 30 september 2009, een besluit van 11 maart 2010, een besluit van 20 april 2010, een besluit van 20 juli 2010, een besluit van 26 augustus 2010, een besluit van 5 mei 2011 en een besluit van 8 september 2011 heeft het bestuur van het CPE aan [appellante] tarieven in rekening gebracht in verband met door het CPE bij [appellante] uitgevoerde controles.

Bij een besluit van 10 mei 2010, een besluit van 20 mei 2010, twee besluiten van 27 mei 2010, een besluit van 1 oktober 2010, een besluit van 11 oktober 2010 en twee besluiten van 12 december 2011 heeft het bestuur van het CPE de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 september 2012 heeft de rechtbank de door [appellante] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het bestuur van het CPE heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 september 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het bestuur van het CPE, vertegenwoordigd door [bestuurslid], en mr. C.J.M. Meekers, juridisch adviseur, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1 van de Landbouwkwaliteitswet (hierna: de Lkw) wordt voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet verstaan onder:

(…)

landbouwkwaliteitsbesluit: een algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2;

controle-instelling: een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, bedoeld in artikel 8;

(…).

Ingevolge artikel 2, eerste lid, eerste volzin, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ter bevordering van de afzet regelen worden gesteld betreffende de kwaliteit van producten.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, kunnen in een landbouwkwaliteitsbesluit een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid worden belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens dat besluit gestelde regels.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, kan een controle-instelling tarieven vaststellen voor de kosten ter zake van het in artikel 8 bedoelde toezicht en de keuring. Ingevolge het vierde lid hebben de tarieven, bedoeld in het eerste en tweede lid, een rechtstreeks verband met de in die leden bedoelde activiteiten en belopen deze tarieven niet meer dan nodig is ter dekking van de gemaakte kosten die zijn toe te rekenen aan die onderscheiden activiteiten.

Ingevolge artikel 3 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 (hierna: het Lkb 2007) worden eieren slechts in de handel gebracht indien voldaan is aan artikel 116 en Bijlage XIV A, punten II, III en IV van verordening (EG) 1234/2007 en de artikelen 2, 4, 5 tot en met 23 en 29 van verordening (EG) 589/2008.

Ingevolge artikel 13, aanhef en onder a, is het CPE de instantie, bedoeld in artikel 15, tweede lid, van verordening (EG) 543/2008 en artikel 24, eerste lid, van verordening (EG) 589/2008 en belast met het toezicht op de naleving van bij of krachtens dit besluit gestelde regels ten aanzien van eieren en ten aanzien van vlees van pluimvee.

2. [appellante] zijn tarieven in rekening gebracht in verband met controles die het CPE in 2009, 2010 en 2011 bij haar bedrijf, een pakstation voor eieren, heeft verricht. De hoogte van de tarieven is gebaseerd op door het bestuur van het CPE ter uitvoering van artikel 11 van de Lkw vastgestelde tarievenbladen voor de jaren 2009, 2010 en 2011. In de tarievenbladen is bepaald dat een pakstation van categorie II, zoals dat van [appellante], € 923,00 per controle dient te betalen.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de frequentie en het patroon van de controles redelijk is geweest. Zij stelt in dit verband dat meer controles hebben plaatsgevonden dan vooraf aangekondigd in het haar door het CPE gezonden stroomschema. Voorts voert zij aan dat de controles hebben plaatsgevonden volgens een onregelmatig patroon.

3.1. Het bestuur van het CPE neemt periodiek een besluit controlefrequentie wenselijkheidsplanning, waarmee het het gewenste minimum aantal controles vaststelt. In zijn jaarplannen licht het bestuur de totstandkoming van het minimum aantal controles toe. Het stroomschema waarin volgens [appellante] een ander aantal controles is vermeld dan in de besluiten, is in dit verband niet doorslaggevend.

Voor de jaren 2009 en 2010 is volgens het besluit controlefrequentie wenselijkheidsplanning CPE 2009-2010 het minimum aantal controles vastgesteld op zes. Bij brief van 21 december 2009 is [appellante] erover geïnformeerd dat de controlefrequentie in 2010 zal worden verhoogd naar zeven, omdat de marktomstandigheden daartoe aanleiding gaven. Voor het jaar 2011 heeft het bestuur van het CPE een controlefrequentie van acht vastgesteld. Ter zitting is vastgesteld dat het CPE niet meer controles heeft uitgevoerd dan op deze manier aangekondigd. De controles zijn niet volgens een vast patroon uitgevoerd, omdat de controles gelet op artikel 24, vijfde lid, van verordening (EG) 589/2008 onaangekondigd moeten zijn. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank de frequentie en het patroon van de controles terecht niet onredelijk geacht. Het betoog van [appellante] faalt.

4. [appellante] kan zich voorts niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de hoogte van de bij haar in rekening gebrachte tarieven niet onredelijk is. Een tarief van € 923,00 per controle acht zij onevenredig hoog gezien de korte duur van de controle. [appellante] stelt dat niet inzichtelijk is hoe het tarief voor de controle tot stand is gekomen. Zij vreest dat in strijd met artikel 11, vierde lid, van de Lkw kosten aan haar worden doorbelast die geen rechtstreeks verband houden met het toezicht op en de controle van haar bedrijf. De rechtbank is er ten onrechte vanuit gegaan dat deze vrees niet gerechtvaardigd is, reeds omdat voor de jaarrekeningen over de jaren 2009, 2010 en 2011 steeds een accountantsverklaring is afgegeven, niet voor kan doen. Uit de jaarrekeningen is immers niet af te leiden of de kosten op een juiste wijze zijn toegerekend, aldus [appellante].

4.1. De hoogte van de tarieven is neergelegd in tarievenbladen, die het bestuur van het CPE jaarlijks in overeenstemming met artikel 11, eerste lid, van de Lkw vaststelt. De tarievenbladen zijn algemeen verbindende voorschriften, die de Afdeling in dit geschil inzake de besluiten waarmee aan deze tarievenbladen toepassing is gegeven, slechts exceptief kan toetsen. Bij deze toets gaat het erom of de in de tarievenbladen vervatte bepaling dat het tarief voor een controle van een pakstation van categorie II € 923,00 bedraagt, onverbindend moet worden verklaard omdat die in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift of een algemeen rechtsbeginsel. Daarnaast zal de Afdeling toetsen of het bestuur van het CPE gehouden was de bepaling buiten toepassing te laten, omdat toepassing daarvan in dit geval kennelijk onredelijk is. Bij deze toets dient de Afdeling terughoudendheid te betrachten.

4.2. [appellante] stelt zich terecht op het standpunt dat de omstandigheid dat voor de jaarrekeningen over de jaren 2009, 2010 en 2011 accountantsverklaringen zijn afgegeven, niet noodzakelijkerwijs met zich brengt dat in die jaren geen kosten zijn doorbelast die geen rechtstreeks verband houden met het toezicht en de controle, die door het CPE is uitgeoefend. Desondanks ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het tarief per controle van een pakstation van categorie II niet in strijd met artikel 11, vierde lid, van de Lkw is vastgesteld. Hierbij neemt zij in aanmerking dat de hoogte van het tarief, anders dan [appellante] kennelijk veronderstelt, niet alleen voortvloeit uit de kosten voor het toezicht en de controle bij haar eigen pakstation. Zoals het CPE heeft toegelicht, wordt het tarief per controle vastgesteld volgens een zogenoemd omslagstelsel, waarbij de kosten voor de toezichtactiviteiten bij de ondernemingen in dezelfde categorie tezamen bepalend zijn voor de hoogte. De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 23 november 2011 in zaak nr. 201101918/1/H3) dat artikel 11, vierde lid, van de Lkw zich hier niet tegen verzet.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de in de tarievenbladen vervatte bepaling dat het tarief voor een controle van een pakstation van categorie II € 923,00 bedraagt, in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift of een algemeen rechtsbeginsel.

4.3. [appellante] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het in rekening brengen van een tarief van € 923,00 per controle kennelijk onredelijk is.

4.4. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om de bepaling dat het tarief voor een controle van een pakstation van categorie II € 923,00 bedraagt, onverbindend te verklaren. Voorts heeft zij terecht aangenomen dat het bestuur van het CPE niet gehouden was om die bepaling buiten toepassing te laten. Het betoog van [appellante] faalt.

5. Het betoog van [appellante] dat het CPE geen commercieel bedrijf heeft mogen oprichten om de controles uit te voeren, heeft de rechtbank terecht buiten beschouwing gelaten. De vraag of het CPE dit bedrijf heeft mogen oprichten, doet in dit geschil over de door het bestuur van het CPE genomen besluiten tot het in rekening brengen van tarieven immers niet ter zake. Het betoog faalt derhalve.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Binnema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013

589.