Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1617

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201209401/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 februari 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209401/1/V1.

Datum uitspraak: 14 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 29 augustus 2012 in zaak nr. 12/6383 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 augustus 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de vermoedens van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer naar Armenië te wachten staat, niet plausibel vindt en dat hij hem derhalve ten onrechte een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) heeft geweigerd. Daartoe voert hij aan dat hij alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn beoordeling heeft betrokken en op goede gronden tot de door hem getrokken conclusie is gekomen. Voorts klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, in het kader van het beroep van de vreemdeling op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende invulling heeft gegeven aan de onderzoeksplicht die voortvloeit uit paragraaf C2/4.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000). Daartoe voert hij aan dat de vreemdeling na de door hem ondergane mishandelingen nog drie jaar in Armenië is gebleven, geen medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn medische problemen van die mishandelingen het gevolg zijn en niet aannemelijk heeft gemaakt dat er feiten en omstandigheden waren op grond waarvan hij niet in staat was om binnen de termijn van zes maanden het land te verlaten.

2.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan een vreemdeling die verdragsvluchteling is.

Ingevolge aanhef en onder b, onderdeel 2, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan een vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Ingevolge aanhef en onder c, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan een vreemdeling, van wie naar het oordeel van de staatssecretaris op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

2.2. Volgens paragraaf C2/4.2.2 van de Vc 2000, zoals ten tijde van belang luidend, zal de betrokken vreemdeling de aangevoerde gebeurtenissen, die tot een veronderstelde traumatische ervaring leiden, aannemelijk moeten maken. Tevens zal aannemelijk moeten zijn dat de gestelde gebeurtenissen aanleiding zijn geweest voor het vertrek van de betrokken vreemdeling uit het land van herkomst. Voor de aannemelijkheid van dit causale verband biedt de termijn waarbinnen de betrokkene het land heeft verlaten een belangrijk aanknopingspunt. In beginsel geldt hiervoor het uitgangspunt dat de betrokken vreemdeling binnen zes maanden na deze gebeurtenissen het land van herkomst dient te hebben verlaten. Hieraan ligt de veronderstelling ten grondslag dat bij een later vertrek de betrokken vreemdeling zich blijkbaar heeft kunnen handhaven in het land van herkomst en daarom van hem of haar gevergd kan worden terug te keren naar het land van herkomst. De termijn van zes maanden vormt hiermee een omslagpunt in de bewijslastverdeling: bij een vertrek na zes maanden zal een vergunning op grond van het traumatabeleid in beginsel worden geweigerd, tenzij de betrokken vreemdeling aannemelijk maakt dat er wel degelijk een verband is tussen de gebeurtenis en het vertrek. De betrokkene zal daarvoor feiten en omstandigheden aannemelijk dienen te maken waaruit blijkt dat de betrokkene het land van herkomst niet eerder heeft kunnen verlaten. Daarbij geldt dat naarmate de gebeurtenissen een ernstiger karakter hebben en het asielrelaas van de betrokkene aannemelijker is, een zwaardere onderzoeksplicht rust op de staatssecretaris met betrekking tot de vraag of er feiten en omstandigheden waren waardoor de betrokkene het land van herkomst niet binnen zes maanden na het plaatsvinden van de gestelde gebeurtenis kon verlaten, aldus deze paragraaf.

2.3. In het besluit van 2 februari 2012, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste voornemen van 28 november 2011, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw 2000. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de vreemdeling is verdacht van het plegen van een commuun delict, waardoor geen aanknopingspunt bestaat met het Vluchtelingenverdrag. Voorts heeft hij geloofwaardig geacht dat de vreemdeling in verband daarmee in militaire dienst, door legerofficieren, herhaalde malen ernstig is mishandeld, dat hij ten gevolge van die mishandelingen in het ziekenhuis is beland, dat hij officieel in staat van beschuldiging is gesteld en dat hij een dagvaarding heeft gekregen om voor de rechtbank te verschijnen. Hij heeft echter de vermoedens van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer naar Armenië te wachten staat ongeloofwaardig geacht, omdat de vreemdeling gedurende de hierop volgende drie jaar zonder problemen in het huis van zijn grootouders heeft verbleven terwijl hij eenvoudig was te traceren. Om die reden heeft hij eveneens ongeloofwaardig geacht dat de mishandelingen voor de vreemdeling een directe aanleiding waren om Armenië te verlaten. Uit de omstandigheid dat de vreemdeling is gedagvaard en dat naar gesteld zijn paspoort is ingenomen, volgt volgens de staatssecretaris evenmin dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten, nu hij gedurende de drie jaar dat hij bij zijn grootouders heeft verbleven, is afgekeurd voor militaire dienst en in het bezit is gesteld van een rijbewijs. Voorts heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat het verminderd initiatief van de vreemdeling ten gevolge van zijn hersenbeschadiging geen verschoonbare reden is voor het niet binnen zes maanden vertrekken uit Armenië, omdat zijn familie eerder dan na drie jaar voor hem had kunnen beslissen dat hij het land moest verlaten en hij wel in staat is gebleken zijn hele relaas te doen en oorzaken en gevolgen uiteen te zetten over hetgeen hem is overkomen, waardoor niet kan worden gesteld dat hij drie jaar lang niet het initiatief kon nemen om te vertrekken. De vreemdeling heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat de mishandelingen de directe aanleiding waren voor zijn vertrek, aldus de staatssecretaris.

2.4. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris met de hiervoor weergegeven motivering zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voormelde vermoedens niet plausibel zijn en de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000.

De rechtbank heeft evenmin onderkend dat de staatssecretaris met de hiervoor weergegeven motivering zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het hersenletsel van de vreemdeling en zijn verminderd initiatief, daargelaten of die het gevolg zijn van de geloofwaardig geachte mishandelingen, geen rechtvaardiging zijn voor een vertrek dat pas drie jaar na die mishandelingen plaatsvond en dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aard van zijn klachten hem belette Armenië eerder te verlaten, zodat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 2 februari 2012 alsnog ongegrond verklaren.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 29 augustus 2012 in zaak nr. 12/6383;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Oudeboon-van Rooij, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Oudeboon-van Rooij

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2013

488-785.