Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1616

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201208168/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 oktober 2011 heeft het college de melding op grond van de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant (hierna: de stikstofverordening) voor kennisgeving aangenomen.

Wetsverwijzingen
Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/388
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208168/1/R2.

Datum uitspraak: 23 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2011 heeft het college de melding op grond van de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant (hierna: de stikstofverordening) voor kennisgeving aangenomen.

Bij besluit van 3 juli 2012, kenmerk C2056093/3042152, verzonden op 10 juli 2012, heeft het college het door [appellant] en anderen hiertegen gemaakte bezwaar, met verbetering van de motivering, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2013, waar [appellant] en anderen, in de persoon van [gemachtigde], en bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, vertegenwoordigd door mr. M. Uittenbosch, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] en anderen betogen dat hun bezwaren ten onrechte ongegrond zijn verklaard. Hiertoe voeren zij aan dat de referentie-emissie op bedrijfsniveau voor het bedrijf aan de [locatie] te Someren ten onrechte is gebaseerd op de verleende Hinderwetvergunning uit 1977 die wordt gelijkgesteld aan een melding krachtens het Besluit melkrundveehouderijen uit 1991. Hiervoor biedt de stikstofverordening volgens hen in artikel 22 geen grond. Gelet hierop had de referentie-emissie op nul moeten worden gesteld. Bovendien is het college volgens [appellant] en anderen ten onrechte eraan voorbijgegaan dat op het perceel sinds 1997 al geen koeien meer worden gehouden. Het feit dat de melding voor een rundvee- en varkenshouderij voor kennisgeving is aangenomen, zal derhalve leiden tot een toename van de stikstofdepositie terwijl de stikstofverordening juist is bedoeld om de stikstofbelasting terug te dringen. Voorts heeft het college ten onrechte niet beslist op het verzoek om proceskostenvergoeding in bezwaar, aldus [appellant] en anderen.

2. Uit het bestreden besluit blijkt dat het gecorrigeerd emissieplafond in de uitgangssituatie 575,2 kg NH3/jr bedraagt. Dit is gebaseerd op de Hinderwetvergunning van 27 september 1977. In de aangevraagde situatie zal de emissie 330,44 kg NH3/jr bedragen. Voorts is in het besluit vermeld dat gelet hierop op grond van de stikstofverordening geen saldering nodig is en dat de melding voor het wijzigen van een varkenshouderij voor kennisgeving wordt aangenomen.

3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van het overgangsrecht bij het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer uit 1991 de Hinderwetvergunning in zijn geheel is opgegaan in een (fictieve) melding krachtens dat Besluit. Zo’n melding heeft geen geldigheidstermijn en blijft dus geldig. Gelet hierop en op het systeem van artikel 22 van de stikstofverordening, kan in dit artikel volgens het college worden gelezen dat een referentie-emissie ook kan worden vastgesteld overeenkomstig de vergunde bedrijfssituatie op grond van het Besluit melkrundveehouderij milieubeheer. Niet van belang is of ter plaatse ook feitelijk vee wordt gehouden, aldus het college. Tot slot brengt het college naar voren dat de stikstofverordening tot doel heeft de totale ammoniakemissie van alle Brabantse bedrijven te verminderen. Dit betekent niet dat ieder individueel bedrijf een afname moet realiseren.

4. Ingevolge artikel 2 van de stikstofverordening, zoals deze luidde ten tijde van belang, draagt de initiatiefnemer, onderscheidenlijk drijver van de betrokken inrichting ervoor zorg dat bij het realiseren van een nieuwe stal voldaan is aan de vereisten opgenomen in Bijlage 1 bij deze verordening.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, meldt de initiatiefnemer, onderscheidenlijk de drijver van de betrokken inrichting, het voornemen tot het realiseren van een of meer nieuwe stallen bij het college van gedeputeerde staten.

Ingevolge het tweede lid, wordt, indien door het realiseren van de nieuwe stallen een saldering als bedoeld in de artikelen 23 tot en met 29 noodzakelijk is, een daartoe strekkend verzoek gelijktijdig met de melding ingediend.

Ingevolge artikel 9 besluit het college van gedeputeerde staten naar aanleiding van de melding:

a. indien nieuwe stallen voldoen aan de vereisten als opgenomen in Bijlage 1 bij deze regeling en geen overschrijding van het gecorrigeerd emissieplafond optreedt, de melding voor kennisgeving aan te nemen;

b. indien voldaan is aan vereisten als opgenomen in Bijlage 1 bij deze regeling en het gecorrigeerd emissieplafond overschreden wordt bij een bedrijf vallend onder categorie A of B als bedoeld in artikel 17, over de mogelijkheid van saldering overeenkomstig de artikelen 23 tot en met 29.

Ingevolge artikel 18 draagt de initiatiefnemer, onderscheidenlijk de drijver van de inrichting die valt onder categorie A zorg dat:

a. de N-depositie niet toeneemt boven de waarde, die correspondeert met een emissie overeenkomend met het gecorrigeerd emissieplafond, of

b. een toename van de N-depositie boven het onder a. bedoelde niveau aangemeld wordt voor saldering als aangegeven in de artikelen 23 tot en met 29.

Ingevolge artikel 22 wordt ten behoeve van saldering, bedoeld in artikel 23, een referentie-emissie op bedrijfsniveau vastgesteld, die

a. indien een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 is verleend, overeenkomt met de emissie behorend bij de bedrijfssituatie die aan deze vergunning ten grondslag ligt, nadat deze is gecorrigeerd voor de vereisten van de AMvB Huisvesting;

b. indien een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 ontbreekt, overeenkomt met de emissie volgens de bedrijfssituatie die ten grondslag ligt aan de op 7 december 2004 geldende vergunning krachtens de Wet milieubeheer, of melding krachtens het Besluit landbouw milieubeheer, nadat deze is gecorrigeerd voor de vereisten van de AMvB Huisvesting.

5. Over het betoog van [appellant] en anderen over de wijze waarop artikel 22 van de stikstofverordening is toegepast, overweegt de Afdeling dat in dat artikel niet is vermeld dat een eventuele (fictieve) melding op grond van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer mag worden gebruikt voor het vaststellen van de referentie-emissie op bedrijfsniveau. De door het college gegeven uitleg van de tekst van artikel 22 voldoet niet aan de eisen die daaraan uit een oogpunt van rechtszekerheid dienen te worden gesteld.

Gelet op het vorenstaande mocht de vaststelling van het gecorrigeerd emissieplafond in de uitgangssituatie dan ook niet worden gebaseerd op de bedrijfssituatie krachtens de (fictieve) melding op grond van Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 22 van de stikstofverordening te worden vernietigd.

6. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte niet is beslist op hun verzoek om de kosten te vergoeden die zij in verband met de behandeling van het bezwaar hebben gemaakt, overweegt de Afdeling het volgende.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge het derde lid wordt het verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar.

6.1. [appellant] en anderen hebben in hun bezwaarschrift verzocht om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar hebben moeten maken. Het college heeft in het bestreden besluit niet op het door [appellant] en anderen gedane verzoek beslist. Gelet hierop is het bestreden besluit tevens genomen in strijd met artikel 7:15, derde lid, van de Awb, zodat het bestreden besluit in zoverre ook op die grond moet worden vernietigd. Het beroep is ook op dit punt gegrond.

Bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar dient derhalve tevens te worden beslist op het door [appellant] en anderen gedane verzoek om vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 3 juli 2012, kenmerk C2056093/3042152;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 989,68 (zegge: negenhonderd negenentachtig euro en achtenzestig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Westland, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Westland

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013

545.