Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1615

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201208647/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juli 2012 heeft de minister (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/412
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208647/1/V4.

Datum uitspraak: 15 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 28 augustus 2012 in zaken nrs. 12/24004 en 12/24001 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2012 heeft de minister (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 augustus 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Er zijn desgevraagd nog nadere inlichtingen ontvangen van de staatssecretaris en een reactie hierop van de vreemdeling. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. De vreemdeling heeft op 18 juli 2012 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Uit onderzoek in het Eurodac-systeem is gebleken dat hij eerder een asielaanvraag in Bulgarije heeft ingediend. Niet in geschil is dat Bulgarije op grond van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2003 L 050; hierna: de Verordening) verantwoordelijk is voor de behandeling van de in Nederland ingediende asielaanvraag.

3. De vreemdeling heeft zich in hoger beroep, onder verwijzing naar diverse stukken en zijn relaas, samengevat en voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de staatssecretaris ten opzichte van Bulgarije niet kon uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat de asielprocedure in Bulgarije niet voldoet aan het Unierecht en overdracht aan dat land strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Daarbij wijst de vreemdeling op de slechte behandeling van vreemdelingen in Bulgarije, de gebrekkige opvang, slechte detentieomstandigheden, het risico op refoulement en het ontbreken van effectieve rechtsmiddelen. Voorts heeft de voorzieningenrechter, volgens de vreemdeling, ten onrechte overwogen dat hij zich voor bescherming tot de hogere Bulgaarse autoriteiten kan wenden.

De staatssecretaris had volgens de vreemdeling de behandeling van het asielverzoek dan ook op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening aan zich moeten trekken.

Voorts stelt de vreemdeling zich op het standpunt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat van de door hem ingebrachte rapporten niet op voorhand kan worden gezegd dat ze niet relevant zijn voor de beoordeling van de vraag of de in het arrest van 21 januari 2011 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland, zaak nr. 30696/09 (www.echr.coe.int; hierna: het arrest in de zaak M.S.S.) genoemde aspecten aan overdracht in de weg zouden moeten staan. In het besluit van 26 juli 2012 ontbreekt, volgens de vreemdeling, een op deze rapporten toegespitste standpuntbepaling over de volgens het arrest in de zaak M.S.S. relevante aspecten. Deze rapporten zijn derhalve niet beoordeeld op de in dat arrest omschreven wijze, aldus de vreemdeling. De voorzieningenrechter heeft, volgens de vreemdeling, miskend dat de staatssecretaris op grond van deze jurisprudentie gehouden was nader onderzoek te doen naar de asielprocedure in Bulgarije.

3.1. Bij uitspraak van 14 juli 2011 in zaak nr. 201009278/1/V3, heeft de Afdeling, samengevat weergegeven, overwogen dat uit het arrest in de zaak M.S.S. voortvloeit dat ook in een situatie waarin een vreemdeling zijn stelling dat overdracht strijdig is met artikel 3 van het EVRM, louter onderbouwt met een beroep op algemene documentatie die informatie bevat over één of meer van de blijkens het arrest relevante aspecten, een zorgvuldige beoordeling daarvan geboden is.

3.2. In de onderhavige zaak heeft de vreemdeling zich, evenals in de zaak die heeft geleid tot voormelde uitspraak van 14 juli 2011, reeds in de besluitvormingsfase en in beroep bij de rechtbank op documenten beroepen waarvan niet op voorhand kan worden gezegd dat ze niet relevant zijn voor de beoordeling van de vraag of de in het arrest in de zaak M.S.S. genoemde aspecten aan overdracht in de weg staan. Nu in het besluit een op deze documenten toegespitste standpuntbepaling over de volgens het arrest in de zaak M.S.S. relevante aspecten ontbreekt, zijn deze niet beoordeeld op de in het arrest in de zaak M.S.S. omschreven wijze. De voorzieningenrechter kon de staatssecretaris dan ook niet zonder meer volgen in zijn standpunt dat in zijn algemeenheid ten opzichte van Bulgarije mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is reeds daarom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gezien het hiervoor overwogene, het beroep tegen het besluit van 26 juli 2012 alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vernietigen.

5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 24 mei 2011 in zaak nr. 201011401/1/V1 dienen, ingeval een besluit wordt vernietigd, de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te worden onderzocht, waarbij onder meer aan de orde is of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het desbetreffende besluit in stand te laten. Voor het in stand laten van de rechtsgevolgen is niet vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is.

In een geval als dit, waarin een besluit is vernietigd omdat het ondeugdelijk is gemotiveerd, kan er uit een oogpunt van proceseconomie aanleiding zijn om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten indien het bestuursorgaan vasthoudt aan zijn besluit en dat alsnog deugdelijk motiveert en de andere partij zich daarover in voldoende mate heeft kunnen uitlaten. Daarbij is, zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 6 april 2009 in zaak nr. 200803001/1, beslissend of de inhoud van het vernietigde besluit na de alsnog kenbaar gemaakte motivering de rechterlijke toets kan doorstaan.

6. Daartoe dient, op de wijze waarop dat in het arrest in de zaak M.S.S. is gepreciseerd, te worden beoordeeld of de feiten en omstandigheden waarop in de onderhavige zaak een beroep is gedaan, tot het oordeel moeten leiden dat de vreemdeling bij overdracht aan Bulgarije een behandeling te wachten staat die strijd oplevert met artikel 3 van het EVRM.

7. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris ten opzichte van Bulgarije niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel nu er concrete aanwijzingen bestaan voor twijfel omtrent de vraag of Bulgarije zijn verdragsverplichtingen jegens hem zal naleven en aanleiding had moeten zien de behandeling van het asielverzoek op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening aan zich te trekken. Daartoe betoogt hij, onder verwijzing naar diverse stukken, dat hij bij overdracht aan Bulgarije zal worden gedetineerd, dat er sprake is van slechte detentieomstandigheden, dat asielzoekers voor een lange duur worden gedetineerd, dat er problemen bestaan met de toegang tot de asielprocedure, opvangvoorzieningen en rechtsbijstand en dat hij het risico loopt op refoulement.

7.1. De vreemdeling heeft ter onderbouwing van zijn betoog dat overdracht strijdig is met artikel 3 van het EVRM in de besluitvormingsfase en in beroep onder meer verwezen naar de volgende stukken:

1. het arrest in de zaak M.S.S.;

2. een rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR), Annual Border Monitoring Report, "Acces to Territory and Asylum Procedure" over Bulgarije van 2010;

3. een rapport van de UNHCR, "No place to stay; a review of the implementation of UNHCR's urban refugee policy in Bulgaria" van mei 2011;

4. "Information Note", "Arbitrariness regarding Access to the Asylum Procedure in Bulgaria", van Valeria Ilavera van 2 januari 2012;

5. een rapport van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: het CPT) betreffende een periode van 18 oktober 2010 tot en met 29 oktober 2010, gepubliceerd op 15 maart 2012;

6. een rapport van de United Nations, Committee against Torture (CAT) van 14 december 2011.

7.2. De staatssecretaris heeft bij brief van 14 februari 2013 (hierna: de brief) in antwoord op door de Afdeling gestelde vragen, ter toelichting van zijn standpunt dat de vreemdeling kan worden overgedragen aan Bulgarije, onder verwijzing naar het rapport van de UNHCR van mei 2011, betoogd dat de asielprocedure in dat land de afgelopen jaren is verbeterd. In dat rapport is vermeld dat van 2008 tot 2010 de Bulgaarse overheid heeft geparticipeerd in een project van de UNHCR ter verbetering van de asielprocedure, het "Asylum Systems Quality Assurance and Evaluation Mechanism" Project (ASQAEM). Na afloop van dit project werden er 53 aanbevelingen gedaan die door de Bulgaarse autoriteiten voor het merendeel zijn overgenomen. Verder heeft Bulgarije zich gecommitteerd aan verdere verbeteringen in de asielprocedure door het aangaan van een vervolgproject, in samenwerking met de UNHCR, genaamd "Further Developing Asylum Quality". Voorts staat in dit rapport het volgende vermeld:

"This report concludes that Bulgaria’s refugee protection system is functioning, although not in an optimal manner. Asylum seekers have access to Bulgarian territory and have their applications for refugee status examined by the competent authorities."

7.3. Naar aanleiding van het betoog van de vreemdeling dat hij na overdracht aan Bulgarije een groot risico loopt daar te worden gedetineerd, wordt door de vreemdeling verwezen naar het door hem overgelegde rapport van het CPT betreffende een periode van 18 oktober 2010 tot en met 29 oktober 2010, gepubliceerd op 15 maart 2012, waarin onder punt 35, het volgende is vermeld:

"The Committee understands that, pursuant to an Ordinance concerning the Responsibilities and Coordination between the State Agency for Refugees (SAR), Directorate of Migration and Border Police for the Implementation of EC Regulations on Dublin II, SAR may conduct the asylum procedure in the Busmantsi Home. All asylum-seekers who lodged an application for protection at the border are transferred to the Busmantsi Home and not to reception and registration centres run by SAR. An exception from this rule is made in respect of unaccompanied children, pregnant women, and physically or mentally disabled individuals. The CPT must stress once again that deprivation of asylum seekers of their liberty should be resorted to only exceptionally, after a careful examination of each individual case, and should be applied for the shortest possible time; further, the lawfulness of such a measure should be open to challenge before a judicial authority. When asylum seekers are deprived of their liberty as an exceptional measure, they should be kept separately from foreign nationals who have not lodged an application for international protection. The Committee calls upon the Bulgarian authorities to act in accordance with these precepts. In those instances where there are exceptional reasons for depriving an asylum seeker of his/her liberty while awaiting the outcome of his/her application, such reasons should be fully documented."

Voorts heeft de vreemdeling in dat kader verwezen naar het rapport van de UNHCR van 2010, waarin op p. 10, voor zover hier van belang, onder meer is vermeld:

"Nevertheless, even those of them, whose asylum applications were registered at the border continued to be sent to Busmantsi detention center for illegal immigrants instead to asylum reception centers."

7.3.1. De staatssecretaris heeft in de brief, ter toelichting van zijn standpunt dat in beginsel inmiddels alle asielzoekers worden opgevangen en niet worden gedetineerd, verwezen naar de reactie van de Bulgaarse autoriteiten van 15 maart 2012 op het CPT rapport van 15 maart 2012. De Bulgaarse autoriteiten hebben het volgende laten weten:

"Currently the work is ongoing on the amendments of Art. 16, para.1, point 3 from the above mentioned Ordinance, in order to provide the opportunity to foreigners who are citizens of third countries and have stated their wish to obtain a status in accordance with the Law for the Asylum and the Refugees, to be directly accommodated in the Registration - and - reception Centers within the State Agency for Refugees - the Council of Ministers."

Voorts heeft de staatssecretaris ter toelichting van zijn standpunt in de brief verwezen naar een reactie van het Bulgaarse Agentschap voor Vluchtelingen op vragen van de Duitse regering in september 2011. Daarin is vermeld:

"Die Staatliche Agentur für Flüchtlinge betont, dass nach einer Neuordnung der Abläufe im Jahre 2010 inzwischen grundsätzlich alle Personen, die als Flüchtlinge Schutz in Bulgarien beantragen, nur noch in den Einrichtungen der Agentur untergebracht werden. Um sicherzustellen, dass auch die Abschiebehäftlinge erneut die Möglichkeit haben, Asylanträge zu stellen, sind Mitarbeiter der Agentur mindestens einmal wöchentlich im ZVU Busmantsi, um eventuelle Antragsteller zu informieren und zu registrieren. Im Rahmen der Nationalen Strategie für Migration, Asyl und Integration 2011 bis 2020 wurde zudem ein ständiges Sekretariat eingerichtet, um die Koordination der Arbeit der Agentur auf der einen und der Polizeibehörden des Innenministeriums auf der anderen Seite zu erleichtern und zu beschleunigen."

7.4. Wat betreft het betoog van de vreemdeling dat uit de rapporten van het CPT en de UNHCR blijkt dat hij het risico loopt na overdracht aan Bulgarije voor lange duur en onder slechte omstandigheden te worden gedetineerd, heeft de staatssecretaris bij voormelde brief en onder verwijzing naar de reactie van de Bulgaarse autoriteiten op het rapport van het CPT en vragen van de Duitse regering toegelicht dat na een hervorming van de opvang eind 2010 in beginsel alle asielzoekers worden opgevangen in een asielzoekerscentrum.

7.5. Naar aanleiding van het betoog van de vreemdeling dat er problemen bestaan met de toegang tot de asielprocedure heeft de staatssecretaris verwezen naar het rapport van de UNHCR over Bulgarije van 2010. Daarin is, onder 1.6, vermeld:

"In this regard, in 2010 the most serious protection concern was the lack of interpretation services provided by the Border police. Without interpreters or budget for interpretation and/or translation services, the Border police could not provide the registration of the asylum applications which the Border police ought to provide mandatory under the law (art. 58, paragraph 4 of the asylum law). Border officials before whom the asylum application were submitted could not communicate with the asylum seekers. In 2010 quite many pathological situations were monitored where the Border police together with the criminal investigation services required the asylum seekers and immigrants to cover the interpretation fees themselves, sometimes even for the purposes of criminal proceedings under Article 279 of the Criminal Code against their illegal entry. Therefore, in 2010 asylum seekers could exercise their right to seek and apply for asylum only, if assisted by BHC lawyers and interpreters."

De staatssecretaris heeft zich onder verwijzing naar het rapport van de UNHCR van mei 2011, zoals hiervoor onder 7.2. vermeld, op het standpunt gesteld dat de asielprocedure de afgelopen jaren is verbeterd. De staatssecretaris heeft in de brief toegelicht dat de UNHCR concludeert dat met name asielzoekers toegang hebben tot het Bulgaarse grondgebied en dat hun aanvragen voor een vluchtelingenstatus worden beoordeeld door competente instanties. De staatssecretaris wijst erop dat uit die informatie blijkt dat er volgens het UNHCR sprake is van een functionerende Bulgaarse asielprocedure, hoewel niet op een optimale wijze.

Voorts heeft de staatssecretaris in de brief naar voren gebracht dat uit het voormelde rapport van de UNHCR eveneens volgt dat een relatief groot aantal personen die tussen 1993 en 2010 in Bulgarije asiel hebben aangevraagd een verblijfsvergunning heeft gekregen. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de toegang tot en de kwaliteit van de asielprocedure in Bulgarije niet van dien aard zijn dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verder heeft de vreemdeling in Bulgarije de mogelijkheid gehad om asiel aan te vragen.

7.6. De vreemdeling heeft zich, onder verwijzing naar diverse stukken, op het standpunt gesteld dat er in Bulgarije problemen zijn met de opvangvoorzieningen. Hoewel in de door de vreemdeling overgelegde rapporten melding wordt gemaakt van problemen omtrent de opvang van asielzoekers, volgt, zo stelt de staatssecretaris in de brief, uit het Annual Border Monitoring Report van de UNHCR van 2010 en het rapport van de UNHCR van mei 2011 dat er asielopvang is in Bulgarije. Voorts heeft de staatssecretaris in de brief naar voren gebracht dat in de beantwoording van de vragen van het Duitse parlement de Duitse regering in september 2011 heeft laten weten dat Duits ambassadepersoneel het grootste asielzoekerscentrum van Bulgarije, in Sofia, heeft bezocht. Naar aanleiding van dat bezoek is melding gemaakt van een eigen was- en keukengelegenheid per verdieping, sport- en ontspanningsmogelijkheden en toegang tot een arts.

7.7. Bij zijn betoog over de problemen betreffende de toegang tot rechtsbijstand heeft de vreemdeling verwezen naar het Annual Border Monitoring Report van de UNHCR van 2010. Over de toegang tot rechtsbijstand staat in dit rapport, onder 4.4., vermeld:

"Legal aid in Bulgaria was provided in criminal proceedings only. In rest of the cases legal aid could be claimed only before the court. It was not provided during administrative procedure of any kind and neither when administrative detention was applied despite the seriousness of the limitation to the right of liberty of the person."

7.7.1. Hoewel ook het rapport van de UNHCR van mei 2011 problemen vermeldt betreffende de toegang tot rechtshulp, volgt, zo stelt de staatssecretaris in de brief, uit dit rapport ook dat er enige rechtshulp is voor asielzoekers in Bulgarije, verzorgd door het Bulgarian Helsinki Committee (BHC). Voorts volgt uit onder meer dit rapport dat asielzoekers in de beroepsprocedure structureel een beroep kunnen doen op rechtsbijstand. Ook uit de Information Note van Valeria Ilavera van 2 januari 2012 volgt dat asielzoekers rechtsmiddelen kunnen instellen.

7.8. Voor wat betreft het betoog van de vreemdeling dat hij bij overdracht aan Bulgarije het risico loopt op refoulement, heeft de staatssecretaris verwezen naar het rapport van de UNHCR van mei 2011 waaruit blijkt dat er sinds 2009 in Bulgarije geen gevallen van refoulement bekend zijn.

8. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de vreemdeling niet met toepassing van de Verordening aan Bulgarije kan worden overgedragen. Uit de door de vreemdeling overgelegde stukken blijkt weliswaar dat vreemdelingen die aan Bulgarije werden overgedragen veelvuldig en voor een lange duur werden gedetineerd en dat er problemen waren met betrekking tot de toegang tot de asielprocedure, opvangvoorzieningen en rechtsbijstand, maar uit onder meer de voornoemde reactie van de Duitse regering van september 2011 blijkt dat na de hervormingen die eind 2010 zijn aangevangen in beginsel asielzoekers niet worden gedetineerd, maar worden opgevangen. Van belang is voorts dat uit de stukken volgt dat de Bulgaarse autoriteiten werken aan de verbetering van de asielprocedure en zich hebben gecommitteerd aan verdere verbeterprojecten, dat de toegang tot de asielprocedure in Bulgarije is verbeterd, dat asielzoekers - evenals de vreemdeling in deze zaak - de mogelijkheid hebben een asielaanvraag in te dienen en dat grote aantallen vreemdelingen de afgelopen jaren een verblijfsvergunning hebben gekregen. Voorts vermelden zowel het Annual Border Monitoring Report van de UNHCR van 2010 als het rapport van de UNHCR van mei 2011 dat er voor asielzoekers opvang is in Bulgarije. Uit deze stukken blijkt dat, zij het met beperkte rechtsbijstand, voor asielzoekers thans de mogelijkheid bestaat om rechtsmiddelen in te stellen. Tenslotte moet worden aangenomen dat de vreemdeling bij overdracht aan Bulgarije niet het risico loopt op refoulement, nu uit het rapport van de UNHCR van mei 2011 volgt dat er sinds 2009 in Bulgarije geen gevallen van refoulement bekend zijn.

8.1. Tot slot is van betekenis dat het persoonlijk relaas van de vreemdeling, zoals door de staatssecretaris eveneens is gesteld, geen indicaties biedt voor het oordeel dat de Bulgaarse asielprocedure niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. De vreemdeling heeft in Bulgarije immers een asielaanvraag kunnen indienen, naar aanleiding waarvan hij een verblijfsvergunning heeft gekregen. De vreemdeling werd in het verleden in Bulgarije dan ook niet bedreigd met uitzetting naar zijn land van herkomst. Uit zijn verklaringen kan niet worden afgeleid dat hij in het verleden in Bulgarije het slachtoffer is geworden van een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling.

8.2. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat door de overdracht van de vreemdeling aan Bulgarije een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM en dat de staatssecretaris zich om die reden niet met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt kan stellen, dat ervan kan worden uitgegaan dat Bulgarije deze bepaling niet zal schenden. Gelet op het vooroverwogene ziet de Afdeling aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 26 juli 2012 in stand blijven.

9. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 28 augustus 2012 in zaak nr. 12/24001;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 26 juli 2012, kenmerk 276.859.2104;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.180,00 (zegge: elfhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan € 472,00 (vierhonderdtweeënzeventig euro) voor het beroep en € 708,00 (zevenhonderdacht euro) voor het hoger beroep.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van der Winden

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2013

348-722