Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1606

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201207086/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2012 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207086/1/V4.

Datum uitspraak: 14 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 22 juni 2012 in zaak nr. 12/6620 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2012 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 juni 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. De vreemdeling heeft op 23 december 2011 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Uit onderzoek in het Eurodac-systeem is gebleken dat hij eerder een asielaanvraag in Italië heeft ingediend. Niet in geschil is dat de vreemdeling door Italië als vluchteling is erkend en dat Italië op grond van de Europese overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen (Trb. 1981, 239) verantwoordelijk is voor de vreemdeling.

3. Hetgeen als grief 1 is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

4. In grief 2 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zijn standpunt, dat de banden van de vreemdeling met Italië sterker zijn dan die met Nederland en het daarom redelijk zou zijn naar dat land terug te keren, onvoldoende heeft gemotiveerd. Voor deze overweging heeft de rechtbank, volgens de staatssecretaris, ten onrechte redengevend gevonden dat hij in het besluit van 9 februari 2012 niet kenbaar is ingegaan op de verklaringen van de vreemdeling over hetgeen hem gedurende zijn verblijf in Italië als toegelaten vluchteling is overkomen. De staatssecretaris voert daartoe aan dat, samengevat weergegeven, de rechtbank de betekenis van de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2012 in zaak nr. 201010541/1/V4 heeft miskend. Gelet op deze uitspraak had de rechtbank, volgens de staatssecretaris, moeten oordelen dat nu de vreemdeling een in Italië erkend vluchteling is, reeds hierom is voldaan aan het bepaalde in het tweede lid van artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000).

4.1. Ingevolge artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000, voor zover hier van belang, wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 slechts afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, indien naar het oordeel van de staatssecretaris, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, voor de vreemdeling in het betrokken derde land de mogelijkheid bestaat om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag.

Ingevolge het tweede lid wordt de aanvraag slechts afgewezen indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

Ingevolge het derde lid worden bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf.

4.2. De staatssecretaris voert terecht aan dat uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2012 volgt dat reeds omdat de vreemdeling erkend vluchteling is in Italië, is voldaan aan het bepaalde in het tweede lid van artikel 3.106a van het Vb 2000. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris zijn standpunt, dat de banden van de vreemdeling met Italië sterker zijn dan die met Nederland en het daarom redelijk zou zijn naar dat land terug te keren, onvoldoende heeft gemotiveerd. Gelet hierop en nu de rechtbank onbestreden heeft geoordeeld dat, ook indien de documenten waarop de vreemdeling zich heeft beroepen en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd over de situatie in Italië worden beoordeeld op de wijze waarop dat in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland, nr. 30696/09 (www.echr.coe.int) is gepreciseerd, deze geen aanleiding geven voor het oordeel dat door de overdracht van de vreemdeling aan Italië een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 dan wel artikel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, heeft de rechtbank ten onrechte geen aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 februari 2012 in stand blijven.

De grief slaagt.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 februari 2012 in stand blijven en voor zover zij de staatssecretaris heeft opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal worden bepaald dat de rechtsgevolgen van voormeld besluit geheel in stand blijven.

6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 22 juni 2012 in zaak nr. 12/6620, voor zover de rechtbank daarbij:

- niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 februari 2012, kenmerk: 1112.02.1039, in stand blijven;

- de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel heeft opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen;

III. bepaalt dat rechtsgevolgen van het besluit van 9 februari 2012 geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van €472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Prins

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2013

363-603