Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:160

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
201210934/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:2253, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2012 heeft de minister een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van de verbreding van de A50 tussen Ewijk en Valburg afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210934/1/A2.

Datum uitspraak: 3 juli 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Ewijk, gemeente Beuningen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 oktober 2012 in zaak nr. 12/2795 in het geding tussen:

[appellanten]

en

de minister van Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2012 heeft de minister een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van de verbreding van de A50 tussen Ewijk en Valburg afgewezen.

Bij besluit van 7 mei 2012 heeft de minister het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 oktober 2012 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2013, waar De Waal, bijgestaan door A.A.C. Vergoosse, en de minister van Infrastructuur en Milieu, vertegenwoordigd door F.J.G. van den Elsen en ing. M.J.M. Rutten, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge het eerste lid van artikel 20d van de Tracéwet, kent de minister een belanghebbende die ten gevolge van een tracébesluit schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en ten aanzien waarvan de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd, op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Ingevolge het tweede lid blijft afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) buiten toepassing, voor zover de belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep doet of kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in het eerste lid.

2. In de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2012 in zaak nr. 201202309/1/A2 is overwogen dat in artikel 20d van de Tracéwet slechts in zoverre van de regeling voor vergoeding van planschade is afgeweken, dat de minister bevoegd is tot het nemen van een besluit. Omdat de rechtspositie van een belanghebbende voor het overige niet anders is dan bij toepassing van de regeling voor vergoeding van planschade, bestaat aanleiding voor overeenkomstige toepassing van, in dit geval, afdeling 6.1 van de Wro, nu de aanvraag is ingediend in de periode tussen 1 juli 2008 en voor 1 september 2010 en het tracébesluit, voor zover thans van belang, na 1 juli 2008 in werking is getreden.

3. Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, van de Wro blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, blijft van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak in ieder geval voor rekening van de aanvrager: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

4. Op 2 maart 2010 heeft de minister het Tracébesluit A50 Ewijk-Valburg vastgesteld voor de verbreding van de A50 tussen Ewijk en Valburg met twee extra rijstroken, waardoor de A50 wordt verbreed van 2x2 rijstroken naar 2x4 rijstroken.

5. [appellanten] zijn eigenaren van de woning op het perceel [locatie] te Ewijk. De woning ligt aan de snelweg A50. Door de verbreding van de A50 is de verharding ongeveer acht meter dichter bij de erfgrens komen te liggen. Tussen erfgrens en verharding bevindt zich nog een strook van ongeveer negen meter, waarop een geleiderail, een geluidscherm en een grindkoffer zijn gerealiseerd.

Op 28 juli 2010 hebben [appellanten] de minister verzocht om vergoeding van schade. Zij stellen dat hun woning € 200.000,00 in waarde is gedaald door de verbreding van de A50 en de daarmee gepaard gaande toename van verkeerslawaai en de uitstoot van koolmonoxide en fijnstof.

6. De minister heeft aan de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding het advies van de deskundigencommissie van 9 januari 2012 ten grondslag gelegd.

Volgens het advies blijft de geluidsbelasting na de verbreding binnen de normen van de Wet geluidhinder en leidt de verbreding niet tot een van belang zijnde verslechtering ten opzichte van de voorheen geldende situatie. De deskundigencommissie heeft zich hierbij gebaseerd op de in het kader van het tracébesluit verrichte akoestische onderzoeken en de wijzigingen in de geluidbelasting die daaruit voortvloeien. De visuele gevolgen van de verbreding van de A50 leiden niet tot een vermindering van de waarde van de woning, nu het dichtst bij de woning gelegen deel van de A50 niet zichtbaar is vanuit de woning of tuin en dat ook niet zal worden. Over de gestelde verslechtering van de luchtkwaliteit, stelt de commissie zich op het standpunt dat een redelijk denkend en handelend koper de waarde van het woonhuis vooral laat bepalen door de aanwezigheid van de A50 in de directe nabijheid van de woning en de daarmee samenhangende visueel en akoestisch waarneembare effecten.

De conclusie in het advies is dat de door het tracébesluit veroorzaakte waardevermindering van de woning € 5000,00 bedraagt. Indien wordt uitgegaan van de door [appellanten] gestelde waarde van de woning van € 330.000,00 valt de waardevermindering binnen het normale maatschappelijke risico van [appellanten].

7. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zijn besluit mocht baseren op het advies van 9 januari 2012. Voor zover [appellanten] tegen dit advies hebben aangevoerd dat uit het bij de aanvraag overgelegde taxatierapport van 14 juli 2010 blijkt dat de waarde van de woning zodanig negatief is beïnvloed door de verbreding van de A50 dat hun woning onverkoopbaar moet worden geacht, slaagt dit volgens de rechtbank niet. Het taxatierapport geeft geen onderbouwing voor deze conclusie en bevat ook overigens onvoldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de conclusie van de deskundigencommissie, aldus de rechtbank.

8. [appellanten] betogen in hoger beroep dat de rechtbank heeft miskend dat het advies van de deskundigencommissie uitsluitend is gebaseerd op theoretische aannames en dat daarin ten onrechte niet de feitelijke waardevermindering is onderzocht. Ter onderbouwing van hun standpunt dat zij schade hebben geleden die voor vergoeding in aanmerking komt, hebben zij de resultaten overgelegd van een door hen zelf verricht peilingsonderzoek. Daartoe stellen zij dat volgens 49 respondenten de waardevermindering na verbreding van de A50 € 49.531,00 bedraagt.

8.1. De minister mag in beginsel op het advies afgaan. Dit is slechts anders indien moet worden geoordeeld dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan ernstige gebreken kleven.

8.2. [appellanten] hebben met de ingebrachte resultaten van een enquête gehouden onder personen die in het verleden een soortgelijke woning hebben gekocht of verkocht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het advies van de deskundigencommissie zodanige gebreken bevat dat de besluitvorming daar niet op kon worden gebaseerd. De uitkomst van de enquête toont niet aan dat de gestelde waardedaling het gevolg is van de verbreding van de A50, nu daarin de bevindingen in het advies van de deskundigencommissie over de aspecten geluid, zicht en luchtkwaliteit niet afdoende worden bestreden.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Planken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2013

299.