Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1596

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201203191/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9384, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201203191/1/V2.

Datum uitspraak: 17 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 20 maart 2012 in zaken nrs. 12/5610 en 12/5612 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 maart 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In de grief klaagt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het besluit niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Hiertoe voert de staatssecretaris aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan hetgeen hij ten grondslag heeft gelegd aan zijn standpunt dat de vreemdeling niet wordt gevolgd in zijn verklaringen over de gestelde problemen met de Iraanse veiligheidsdienst. Zo heeft de staatssecretaris erop gewezen dat niet is gebleken dat in Iran sprake is van een verbod op het lesgeven in traditionele muziek en het spelen van deze muziek op de traditionele instrumenten tambur en daf op straffe van de doodstraf. Voorts heeft hij het door de vreemdeling naar voren gebrachte relaas op zijn eigen merites beoordeeld en zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen over de gestelde aanhoudingen, de vrijlatingen en de bedreigingen door de Iraanse veiligheidsdienst niet geloofwaardig zijn.

2.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 wijst de staatssecretaris een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af, indien een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.2. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat in het door de vreemdeling overgelegde "Country Report on Human Rights Practices 2010" van het US Department of State van 8 april 2011 is vermeld "that the supreme leader advised against the practice and teaching of music in general" en dat in het door hem overgelegde artikel "Iran’s Supreme Leader Bans Music" van About.com van augustus 2010 staat dat "Iran’s supreme leader, Ayatollah Ali Khameini, has banned music from being practiced or taught in the Islamic republic" en dat "Khamenei’s views are interpreted as administrative orders for the whole country and must be obeyed by the government." Volgens de voorzieningenrechter kan uit deze informatie een "soort van verbod" op het geven van muziekles worden afgeleid. Verder valt niet in te zien dat een verbod alleen effect zou kunnen sorteren wanneer het in officiële wetgeving is uitgevaardigd. Hoewel de staatssecretaris de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas ook met andere argumenten heeft onderbouwd, is het standpunt dat nergens uit blijkt dat voor traditionele muziek een verbod geldt, steeds dragend. Nu dit op zijn minst discutabel is, kan het besluit niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, aldus de voorzieningenrechter.

2.3. De door de vreemdeling aangehaalde informatie uit voormeld rapport van het US Department of State heeft vooral betrekking op buitenlandse muziek. Heavy metal en gelijksoortige muziek worden door de Iraanse autoriteiten in verband gebracht met satanisme, aldus het rapport. In voormeld document van About.com is weliswaar vermeld dat volgens Iran's geestelijk leider het bevorderen en onderwijzen van muziek onverenigbaar is met de waarden van de Islamitische Republiek en dat zijn opvattingen dienen te worden geïnterpreteerd als bevelen waaraan het gehele land, de regering inbegrepen, gevolg moet geven, maar hierin wordt niet vermeld dat de autoriteiten traditionele Iraanse muziek daadwerkelijk hebben verboden noch dat op overtreding van dat verbod de doodstraf staat. In aanmerking genomen dat uit diverse berichten op internet, waarnaar de staatssecretaris in het besluit heeft verwezen, voorts volgt dat er na maart of april 2011 in Iran nog speciale festivals van traditionele muziek zijn gehouden, heeft de staatssecretaris zich, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat uit objectieve bronnen niet is gebleken dat in Iran sprake is van een verbod op het lesgeven in traditionele muziek en dat op het spelen van deze muziek op de traditionele instrumenten tambur en daf de doodstraf staat.

Dit deel van de grief slaagt.

2.4. De staatssecretaris heeft aan zijn standpunt dat de door de vreemdeling gestelde problemen met de Iraanse veiligheidsdienst ongeloofwaardig zijn niet alleen ten grondslag gelegd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het geven van muziekles en het bespelen van de tambur en daf in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten staan, maar ook dat de door hem gestelde persoonlijke gebeurtenissen niet aannemelijk zijn. Gezien de op de vreemdeling rustende bewijslast en de door de staatssecretaris gegeven motivering in het besluit, dat de verklaringen van de vreemdeling niet stroken met zijn gestelde vrees voor vervolging, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door de vreemdeling gestelde persoonlijke gebeurtenissen niet aannemelijk zijn. Gelet hierop en het hiervoor in 2.3 overwogene heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van de vreemdeling over zijn problemen met de Iraanse veiligheidsdienst ongeloofwaardig zijn.

Dit deel van de grief slaagt eveneens.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 20 maart 2012 in zaak nr. 12/5610;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Walcott-Oliai, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Walcott-Oliai

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2013

563-691