Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1595

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201205950/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:11514, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201205950/1/V2.

Datum uitspraak: 15 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. [de vreemdeling],

2. de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 juni 2012 in zaken nrs. 12/15606 en 12/15608 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 juni 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover daarbij een inreisverbod is uitgevaardigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling en de minister hoger beroep ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.

De minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, en de vreemdeling hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

Ten aanzien van het hoger beroep van de vreemdeling

2. Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond.

Ten aanzien van het hoger beroep van de staatssecretaris

4. De in het hogerberoepschrift opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling beantwoord bij uitspraak van 29 maart 2013 in zaak nr. 201202612/1/V2. Hieruit volgt dat het hoger beroep kennelijk gegrond is. De aangevallen uitspraak moet derhalve, voor zover deze op het inreisverbod betrekking heeft, worden vernietigd.

5. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het terugkeerbesluit en het inreisverbod toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die gelet op hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven.

6. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat de staatssecretaris hem ten onrechte krachtens artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 een vertrektermijn heeft onthouden. De staatssecretaris heeft niet onderkend dat hem, gelet op artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Richtlijn), minstens een vertrektermijn van zeven dagen gegund had moeten worden. Verder heeft de staatssecretaris hem in dit verband ten onrechte tegengeworpen dat hij niet heeft voldaan aan de uit het besluit van 7 mei 2010 voortvloeiende vertrekplicht. Op dat moment was de Richtlijn nog niet geïmplementeerd, zodat hij daarom toen niet kon weten dat de staatssecretaris gevolgen zou verbinden aan het niet voldoen aan die vertrekplicht. Bovendien heeft hij wel degelijk voldoende inspanningen verricht om aan zijn vertrekplicht te voldoen.

6.1. In het besluit van 9 mei 2012 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten. Aan het onthouden van een vertrektermijn heeft de staatssecretaris in het terugkeerbesluit en het ingelaste voornemen daartoe, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat het risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, aangezien hij niet uit eigen beweging heeft voldaan aan de vertrekplicht uit het besluit van 7 mei 2010, hij meerdere asielaanvragen heeft ingediend die niet tot een verblijfsvergunning hebben geleid, hij geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft en hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6.2. Het betoog dat de Richtlijn ten tijde van het eerdere afwijzende besluit nog niet was geïmplementeerd, zodat hij niet kon weten dat de staatssecretaris gevolgen zou verbinden aan het niet voldoen aan de uit het eerdere terugkeerbesluit voortvloeiende vertrekplicht, faalt. Nu de vreemdeling er niettegenstaande de op hem rustende vertrekplicht voor heeft gekozen om na het verstrijken van de voor hem geldende vertrektermijn illegaal in Nederland te verblijven, diende hij er rekening mee te houden dat de staatssecretaris hieraan op enig moment gevolgen zou verbinden.

6.3. Ter toelichting op zijn betoog dat hij voldoende inspanningen heeft verricht om te voldoen aan de uit het besluit van 7 mei 2010 voortvloeiende vertrekplicht, heeft de vreemdeling aangevoerd dat hij in februari 2012 de Sri Lankaanse ambassade heeft bezocht en op 24 april 2012 een ticket heeft gekocht naar Sri Lanka. Het betoog faalt, reeds omdat dit bezoek en deze aankoop hebben plaatsgevonden na de uiterste datum waarop hij gevolg diende te geven aan de uit het besluit van 7 mei 2010 voortvloeiende vertrekplicht.

6.4. De vreemdeling heeft de overige onder 6.1. weergegeven gronden die de staatssecretaris aan het onthouden van de vertrektermijn ten grondslag heeft gelegd, niet bestreden. Derhalve heeft de staatssecretaris, gelet op het bepaalde in artikel 5.1b, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6.1, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, met de in het besluit gegeven motivering deugdelijk gemotiveerd dat het risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris op die gronden niet in redelijkheid aan de vreemdeling een vertrektermijn heeft kunnen onthouden.

6.5. Artikel 7, vierde lid, van de Richtlijn, voorziet uitdrukkelijk in de mogelijkheid om van een vertrektermijn af te zien, indien het gevaar bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Van de door de vreemdeling gestelde strijd met de Richtlijn is derhalve geen sprake.

7. Verder heeft de vreemdeling in beroep aangevoerd dat de staatssecretaris de nodige kennis had moeten vergaren over feiten en omstandigheden die relevant zijn voor het bepalen van de duur van het inreisverbod en de duur van het inreisverbod kenbaar had moeten motiveren.

7.1. De vreemdeling is voorafgaand aan het uitvaardigen van het inreisverbod op 3 mei 2012 gehoord en is in staat gesteld zich door middel van het indienen van een zienswijze over de voorgenomen duur van het inreisverbod uit te laten. De stelling dat de staatssecretaris in dit verband niet de nodige kennis heeft vergaard, faalt. Nu de vreemdeling voorts niet heeft toegelicht met welke feiten of omstandigheden de staatssecretaris bij de motivering van de duur van het inreisverbod ten onrechte geen rekening heeft gehouden, faalt ook hetgeen de vreemdeling voor het overige heeft aangevoerd.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 juni 2012 in zaak nr. 12/15606, voor zover hierin het beroep tegen het in het besluit van 9 mei 2012 vervatte inreisverbod gegrond is verklaard;

IV. verklaart dat beroep in zoverre ongegrond;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Dekker, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Dekker

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2013

284-753