Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1590

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201201961/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:2977, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201961/1/V2.

Datum uitspraak: 14 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 17 februari 2012 in zaken nrs. 12/2829 en 12/2828 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 februari 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend, voorzien van bijlagen.

Bij brieven van 13 en 21 maart 2012 heeft de vreemdeling nadere stukken ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Voor zover de door de vreemdeling bij het verweerschrift en bij voormelde brieven van 13 en 21 maart 2012 gevoegde stukken dateren van ná de aangevallen uitspraak maar de daarin vermelde informatie betrekking heeft op de periode van vóór de aangevallen uitspraak, kunnen deze niet bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken. De vreemdeling heeft immers geen in rechte te honoreren verklaring gegeven waarom zij die informatie, die op haar verzoek is gegeven, niet redelijkerwijs reeds in beroep bij de rechtbank had kunnen inbrengen. Voor zover de gevoegde stukken van vóór de aangevallen uitspraak dateren, heeft de vreemdeling evenmin een in rechte te honoreren verklaring gegeven waarom zij deze redelijkerwijs niet reeds in beroep had kunnen overleggen. Deze stukken kunnen derhalve evenmin bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken. Het emailbericht van de moeder van de vreemdeling dateert van ná de aangevallen uitspraak en ook de inhoud ervan ziet op de periode van ná de aangevallen uitspraak. Dit bericht kan evenmin bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken, aangezien de aangevallen uitspraak ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) dwingend als object van hoger beroep is aangewezen.

3. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is geworden dat de vreemdeling bij terugkeer in de negatieve aandacht van de autoriteiten zal komen te staan. Daartoe betoogt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat zij in de negatieve belangstelling van de Chinese autoriteiten staat. Door te overwegen dat niet valt uit te sluiten dat de Chinese autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van de belangstelling van de vreemdeling voor Falun Gong, heeft de voorzieningenrechter de bewijslast omgekeerd, aldus de staatssecretaris.

3.1. De voorzieningenrechter is eraan voorbijgegaan dat het, gegeven de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 op de vreemdeling rustende bewijslast, aan haar is om aannemelijk te maken dat zij in de negatieve belangstelling staat van de Chinese autoriteiten en niet aan de staatssecretaris is om dit uit te sluiten. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 25 januari 2012 op het standpunt gesteld dat de vreemdeling daarin niet is geslaagd. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat de omstandigheid dat de vreemdeling in maart 2011 door de Chinese autoriteiten in het bezit is gesteld van een nieuw paspoort, bezien in samenhang met haar legale uitreis in 2009, er niet op duidt dat zij in de negatieve belangstelling staat van de Chinese autoriteiten. Hij heeft aan zijn standpunt daarnaast ten grondslag gelegd dat de vreemdeling niet heeft geconcretiseerd dat de Chinese ambassade in Nederland op de hoogte is van haar betrokkenheid bij Falun Gong. De staatssecretaris heeft zich aldus, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de negatieve belangstelling van de Chinese autoriteiten staat. In dit verband is van belang dat uit de door de staatssecretaris niet ongeloofwaardig geachte omstandigheid dat de vreemdeling deelneemt aan activiteiten van Falun Gong, die negatieve belangstelling niet volgt. Evenmin volgt deze uit de tijdig door de vreemdeling overgelegde algemene informatie over Falun Gong, die inhoudt dat deze groepering een verboden groepering is en de aanhangers ervan het gevaar lopen te worden gedetineerd alsmede dat de Chinese autoriteiten in het buitenland pogingen ondernemen om informatie over de aanhangers van verboden groeperingen te vergaren.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 25 januari 2012 alsnog ongegrond verklaren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, voor zover met het hiervoor overwogene niet op de in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Hierover is door de voorzieningenrechter uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van nauwe verwevenheid tussen het oordeel over deze gronden, dan wel onderdelen van het besluit van 25 januari 2012 waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 17 februari 2012 in zaak nr. 12/2828;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Yildiz

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2013

594