Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:159

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
201210734/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2012:6137, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2011 heeft de minister [appellant] een boete opgelegd van € 4.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/256
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210734/1/V6.

Datum uitspraak: 3 juli 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], handelend onder de naam [naam bedrijf], (hierna: [appellant]), wonend te Utrecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 oktober 2012 in zaak nr. 12/1780 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2011 heeft de minister [appellant] een boete opgelegd van € 4.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 4 april 2012 heeft de minister het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 oktober 2012 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2013, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. J.J.A. Huisman, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is verschenen.

Overwegingen

1. Gelet op artikel XXV van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Stb. 2012, 462) is op dit geding de Wav van toepassing zoals deze wet luidde tot 1 januari 2013.

2. Het door een inspecteur van de Arbeidsinspectie op ambtseed opgemaakte boeterapport van 20 september 2011 houdt in dat uit een door ambtenaren van de Vreemdelingenpolitie Utrecht (hierna: de ambtenaren) op ambtseed onderscheidenlijk ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 3 juni 2011 (hierna: het proces-verbaal) en andere stukken is gebleken dat een vreemdeling van Afghaanse nationaliteit arbeid heeft verricht in de winkel van [appellant], zonder dat een tewerkstellingsvergunning was afgegeven.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroepsgrond heeft verworpen dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat de vordering aan de vreemdeling tot inzage in zijn identiteitsbewijs voor een redelijke taakvervulling van de ambtenaren noodzakelijk was. Hiertoe voert [appellant] aan dat de rechtbank heeft miskend dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat de ambtenaren deze vordering hebben gedaan krachtens artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), artikel 8a van de Politiewet 1993 (hierna: de Pw 1993), artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht (hierna: de Wodi) of de Wav.

3.1. Ingevolge artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, zijn met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen belast: de ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en c, van de Pw 1993.

Ingevolge artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder toezichthouder verstaan: een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

Ingevolge artikel 5:13 maakt een toezichthouder van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 5:16 is een toezichthouder bevoegd inlichtingen te vorderen.

Ingevolge artikel 5:16a is een toezichthouder bevoegd van personen inzage te vorderen van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wodi.

3.2. Volgens het proces-verbaal waren de ambtenaren op 1 juni 2011 belast met handhaving en toezicht op vreemdelingen in de regio Utrecht. Volgens het proces-verbaal waren zij die dag omstreeks 14:00 uur in de winkel van [appellant], omdat op het adres van de winkel een onrechtmatig in Nederland verblijvende studente ingeschreven zou staan, en hebben zij zich bij de vreemdeling, die achter de balie van de winkel stond, gelegitimeerd, bij hem navraag over de studente gedaan en hem om zijn identiteitsbewijs gevraagd.

3.3. Uit het aldus weergegeven proces-verbaal blijkt dat de ambtenaren in het kader van hun vervulling van de toezichtstaak, bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Vw 2000, in de winkel van [appellant] aanwezig waren. Zij mochten krachtens artikel 5:16, in verbinding gelezen met artikel 5:13 van de Awb, van een ieder de inlichtingen vorderen die redelijkerwijs voor de vervulling van die taak noodzakelijk waren. Nu de vreemdeling aanwezig was op het adres waar een onrechtmatig in Nederland verblijvende studente ingeschreven zou staan, konden zij redelijkerwijs menen dat hij inlichtingen zou kunnen geven die voor hun onderzoek naar haar noodzakelijk waren. Van personen van wie zij inlichtingen mogen vorderen, mogen zij krachtens artikel 5:16a van de Awb ook inzage in een identiteitsbewijs vorderen. Nadat zij aan de hand van zijn identiteitsbewijs hadden vastgesteld dat de vreemdeling een vreemdeling was die niet zonder meer voor [appellant] mocht werken, mochten zij vervolgens een onderzoek naar mogelijke overtreding van de Wav instellen. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank voormelde beroepsgrond terecht verworpen.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] aangevoerde omstandigheden geen aanleiding geven voor het oordeel dat van boeteoplegging moet worden afgezien of de boete moet worden gematigd. Hiertoe stelt [appellant] dat de vreemdeling op verzoek van de gemeente Utrecht gedurende een aantal uren per week op vrijwillige basis en louter ter verbetering van zijn gezondheidstoestand werkzaamheden heeft verricht en hij de gemeente heeft gevraagd of de tewerkstelling van de vreemdeling in strijd met de Wav was. Volgens [appellant] is overtreding van de Wav hem dan ook niet dan wel verminderd te verwijten en doen zich bijzondere omstandigheden voor.

4.1. Het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav, is een discretionaire bevoegdheid van de minister. De minister moet, ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Awb, bij de aanwending van deze bevoegdheid het bepalen van de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Ingevolge de verplichting hem opgelegd in artikel 19d, derde lid, van de Wav, heeft de minister beleidsregels vastgesteld waarin de boetebedragen voor de overtredingen zijn vastgesteld. Deze beleidsregels zijn door de Afdeling als zodanig niet onredelijk bevonden (zie onder meer de uitspraak van 28 november 2012 in zaak nr. 201203733/1/V6). Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.

De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

4.2. In situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt, wordt van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was, heeft gedaan om de overtreding te voorkomen.

Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

4.3. Het hiervoor onder 4 weergegeven samenstel van feiten en omstandigheden leidt niet tot het oordeel dat de minister van boeteoplegging had moeten afzien dan wel de boete had moeten matigen. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen. Hierbij is in aanmerking genomen dat in de bij het boeterapport gevoegde Vrijwilligersovereenkomst tussen [appellant] en de vreemdeling is vermeld dat de vreemdeling vanaf 17 januari 2011 bereid is minimaal 6 uur en maximaal 12 uur per week beschikbaar te zijn voor het verrichten van activiteiten in de winkel. Niet in geschil is dat aan de vereisten van de uitzondering in artikel 1a van het Besluit uitvoering Wav op het verbod van artikel 2, eerste lid, van de Wav voor vrijwilligerswerk niet is voldaan. De gemeente Utrecht is voorts niet de aangewezen instantie om navraag te doen over uit de Wav voortvloeiende verplichtingen en [appellant] heeft niet gesteld dat de gemeente Utrecht zijn vraag daarover heeft beantwoord, zodat de overtreding hem volledig valt te verwijten.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Hartsuiker

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2013

620.