Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1587

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
201203768/7/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 februari 2012, kenmerk 923/RUO/INT11-2747, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen Best" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/377

Uitspraak

201203768/7/R3.

Datum uitspraak: 23 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Hastoil B.V. en Micol B.V., gevestigd te Best, respectievelijk Schijndel (hierna tezamen en in enkelvoud: Hastoil),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Best,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2012, kenmerk 923/RUO/INT11-2747, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen Best" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer Hastoil beroep ingesteld.

Bij besluit van 4 februari 2013, kenmerk PU13-01285, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Best" (hierna: het plan) gewijzigd vastgesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Door onder meer de raad en de stichtingen Stichting Kibra Vastgoedbeheer en Stichting MRP Vastgoedbeheer zijn nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2013, waar - voor zover hier van belang - Hastoil, vertegenwoordigd door mr. T.H.G. Paffen, advocaat te Eindhoven, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Crommentuijn, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. L.J. Gerritsen, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting onder meer de Stichting Kibra Vastgoedbeheer en Stichting MRP Vastgoedbeheer, vertegenwoordigd door H. van Overdijk, R.A. Kouwen, J.L.M. Eskens en W.H.M.M. Sanders, bijgestaan door mr. M.M.W.H. Holtackers, advocaat te Tilburg, gehoord.

De Afdeling heeft de behandeling van het onderhavige beroep afgesplitst van zaak nr. 201203768/1/R3. De behandeling van de overige tegen het besluit van 6 februari 2012 ingestelde beroepen zal onder laatstgenoemd nummer worden voortgezet.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Met het besluit van 4 februari 2013 heeft de raad beoogd het bij besluit van 6 februari 2012 vastgestelde plan te repareren.

De Afdeling merkt het besluit van de raad van 4 februari 2013 aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), nu dit besluit beoogt te voorzien in het herstellen van een gebrek in het besluit van 6 februari 2012. De besluiten voorzien in dezelfde planologische ontwikkeling. Verder is het besluit van 4 februari 2013 op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, dient het beroep te worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 4 februari 2013. Hetgeen in het hiertegen ingediende beroepschrift naar voren is gebracht vat de Afdeling op als nadere onderbouwing van het van rechtswege ontstane beroep.

3. Het plan voorziet in een actualisatie van het planologisch regime voor de in de gemeente Best gelegen bedrijventerreinen 't Zand, Breeven, Heide en T-Best Noord. Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk consoliderend van aard. Als nieuwe ontwikkeling is onder meer beoogd te voorzien in de realisering van een hotel op de hoek van de I.B.C.-weg en de Eindhovenseweg-Zuid.

Ontvankelijkheid van de beroepen van Hastoil

4. Het beroep van Hastoil, eigenaar van een LPG-tankstation aan de Eindhovenseweg Zuid 63 in Best, is op de in zijn beroepschrift aangegeven gronden gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein-1", met de functieaanduidingen "bedrijf tot en met categorie 3.1", "horeca" en "kantoor", aan de IBC-weg 2 en 2a.

4.1. De raad stelt zich met Stichting Kibra Vastgoedbeheer en Stichting MRP Vastgoedbeheer op het standpunt dat het beroep van Hastoil niet-ontvankelijk is, omdat deze geen zienswijze naar voren heeft gebracht tegen het ontwerplan en op dit punt geen sprake is geweest van een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerpplan.

4.2. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 3 augustus 2011 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde derhalve op 13 september 2011.

Hastoil heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Uit artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dat luidde ten tijde van belang, en uit artikel 8:1 van de Awb, artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, een en ander in samenhang gelezen met artikel 6:13 van de Awb, volgt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die tegen het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

4.3. Naar het oordeel van de Afdeling doet deze omstandigheid zich hier niet voor. Het betoog van Hastoil dat hem eerst na lezing van het advies van de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost van 14 oktober 2011 duidelijk werd wat de gevolgen van het plan waren, voor zover daarbij was voorzien in de bouw van een hotel binnen de risicocontour van zijn tankstation, kan niet als een dergelijke omstandigheid worden aangemerkt. In het ontwerpplan was de bestemming voor het hotel reeds opgenomen. Voort is vast komen te staan dat Hastoil door middel van verscheidene bij het ontwerpplan opgenomen stukken, waaronder een onderzoek naar de externe veiligheid van bureau Oranjewoud van november 2010, reeds bij het ontwerpplan op de hoogte had kunnen en moeten zijn van het feit dat de voorgenomen ontwikkeling van het hotel zou leiden tot een verdere overschrijding van het reeds bestaande groepsrisico ten gevolge van de aanwezigheid van zijn LPG-tankstation.

Nu het plan wat betreft de mogelijkheid om ter plaatse een hotel te realiseren niet gewijzigd is vastgesteld ten opzichte van het ontwerpplan brengt dit mee dat Hastoil redelijkerwijs kan worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend.

Dat bij de vaststelling van het plan de adviezen van de Veiligheidsregio Brabant Zuidoost van 14 oktober 2011 en 9 december 2011 zijn toegevoegd en verwerkt in de verantwoording van het groepsrisico zoals opgenomen in bijlage 5 van het plan, alsmede enkele niet op dit plandeel betrekking hebbende aanpassingen hebben plaatsgevonden, vormt geen grond voor een ander oordeel. Uit de strekking van artikel 6:13 van de Awb vloeit voort dat het beroep slechts ontvankelijk is als Hastoil door een gewijzigde vaststelling van het plan in een nadeligere positie is gekomen ten opzichte van het ontwerpplan. Gelet op de hiervoor genoemde wijzigingen van het plan ten opzichte van het ontwerp ervan, doet die omstandigheid zich hier niet voor.

Het beroep van Hastoil tegen het besluit van 6 februari 2012 is niet-ontvankelijk.

4.4. De omstandigheid dat het beroep tegen het besluit van 6 februari 2012 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, doet er niet aan af dat ingevolge het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege een beroep tegen het besluit van 4 februari 2013 is gericht. De Afdeling verwijst in dit verband onder meer naar haar uitspraak van van 3 oktober 2012, in zaak nr. 201110156/1/R4.

De ratio van de regeling inzake het bezwaar of beroep van rechtswege brengt met zich dat niet-ontvankelijkheid van het oorspronkelijke rechtsmiddel niet reeds de niet-ontvankelijkheid impliceert van het bezwaar of beroep van rechtswege. De ontvankelijkheid daarvan moet afzonderlijk worden beoordeeld. Een ontvankelijkheidsgebrek aan het beroep werkt slechts door voor zover het gebrek zich naar zijn aard ook tot het bezwaar of beroep van rechtswege uitstrekt. Daarvan is in dit geval sprake, nu het ontvankelijkheidsgebrek uitsluitend is gerelateerd aan het inroepen van rechtsbescherming. Het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 4 februari 2013 is derhalve eveneens niet-ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van 4 februari 2013, kenmerk PU13-01285, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 6 februari 2012, kenmerk 923/RUO/INT11-2747, niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Zijlstra

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2013

240.