Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1585

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
201309043/1/R2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

[verzoekster] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen hangende het door haar ingediende bezwaar tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 16 juli 2013, waarbij aan [verzoekster] een last onder dwangsom is opgelegd teneinde de overtreding van de aan haar verleende vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet (hierna: de Nbw-vergunning) te laten beëindigen. De termijn waarbinnen de overtreding moet worden beëindigd eindigt op 10 oktober 2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309043/1/R2.

Datum uitspraak: 8 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster] en [verzoeker] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoekster]), gevestigd te Heusden, gemeente Asten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Openbare zitting gehouden op 8 oktober 2013 om 14 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. J.A. Hagen voorzitter (vz.)

ambtenaar van staat: mr. P.F.W. Tuit

Verschenen:

[verzoekster], vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Wingens, advocaat te Nijmegen;

het college, vertegenwoordigd door drs. E.F.T. Smets-Wolters, werkzaam bij de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant.

[verzoekster] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen hangende het door haar ingediende bezwaar tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 16 juli 2013, waarbij aan [verzoekster] een last onder dwangsom is opgelegd teneinde de overtreding van de aan haar verleende vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet (hierna: de Nbw-vergunning) te laten beëindigen. De termijn waarbinnen de overtreding moet worden beëindigd eindigt op

10 oktober 2013.

De voorzitter:


I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn zoals genoemd in het bestreden besluit wordt verlengd tot 11 januari 2014;


II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [verzoekers] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan de een bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [verzoekers] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan de een bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Daartoe overweegt hij het volgende.

[verzoekster] betoogt dat weliswaar sprake is van een overtreding van de haar verleende Nbw-vergunning, maar dat concreet zicht bestaat op legalisatie van deze overtreding. Hiertoe wijst zij erop dat zij een aanvraag om een nieuwe Nbw-vergunning heeft ingediend en dat deze

Nbw-vergunning ook aan haar zal worden verleend. In dit verband voert

[verzoekster] aan dat zij, zodra haar bekend was dat voor haar bedrijf geen specifieke regeling zou worden getroffen, is begonnen met het verwerven van ammoniakemissierechten van andere (deels) beëindigde agrarische bedrijven. Deze verworven rechten zijn volgens [verzoekster] voldoende om daarmee de toename van de eigen ammoniakemissie van haar bedrijf te kunnen compenseren.

Verder is de opgelegde last onder dwangsom volgens [verzoekster] voor haar onevenredig bezwarend.

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overtreding van de bestaande Nbw-vergunning voor het bedrijf van [verzoekster]. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat tussen partijen een verschil van inzicht bestaat over de vraag of de door [verzoekster] aangevraagde Nbw-vergunning kan worden verleend. Het college heeft te kennen gegeven dat een voorlopige inschatting van de aanvraag daarover geen uitsluitsel heeft gegeven, nu nog niet voldoende gegevens beschikbaar waren om een inhoudelijke beslissing te nemen over de aanvraag. Naar het oordeel van de voorzitter is thans te weinig informatie beschikbaar om tot een inhoudelijk oordeel te kunnen komen over de vraag of de aangevraagde Nbw-vergunning kan worden verleend en of daarmee concreet zicht bestaat op legalisatie van de overtreding van de bestaande Nbw-vergunning van [verzoekster]. Deze procedure leent zich niet voor beantwoording van die vraag.

Na afweging van de betrokken belangen ziet de voorzitter aanleiding de hiervoor genoemde voorlopige voorziening te treffen. Tussen partijen is niet in geschil dat het ten uitvoer leggen van de last onder dwangsom grote gevolgen zal hebben voor de financiële positie van het bedrijf van [verzoekster]. In hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd ziet de voorzitter aanleiding voor het oordeel dat de consequenties van het tenuitvoerleggen van de last onder dwangsom voor het bedrijf van [verzoekster] zodanig zijn dat aan de belangen van [verzoekster] meer gewicht moet worden toegekend dan aan de met het handhavend optreden tegen de overtreding gediende belangen. Mede gelet op hetgeen partijen ter zitting naar voren hebben gebracht ziet de voorzitter aanleiding de begunstigingstermijn te verlengen tot de door partijen genoemde datum van 11 januari 2014. De voorzitter wijst het verzoek toe.

w.g. Hagen w.g. Tuit

voorzitter ambtenaar van staat

425-726.