Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1576

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
201303218/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:923, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft het college het verzoek van [appellant A] en [appellant B] om handhavend op te treden ten aanzien van het gebruik van een rookgasafvoerkanaal op de woning van [belanghebbende] op het perceel [locatie] te Heereveen (hierna: het perceel) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/421
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303218/1/A1.

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Heerenveen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 februari 2013 in zaak nr. 12/1122 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft het college het verzoek van [appellant A] en [appellant B] om handhavend op te treden ten aanzien van het gebruik van een rookgasafvoerkanaal op de woning van [belanghebbende] op het perceel [locatie] te Heereveen (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 27 maart 2012 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 februari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

[belanghebbende] heeft als derdebelanghebbende een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellant A] en [appellant B] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2013, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door drs. T.R. Janssen, en het college, vertegenwoordigd door J. Knossen en T. Boer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Ter zitting is tevens [belanghebbende] verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7.3.2, aanhef en onder a, van de Bouwverordening van de gemeente Heereveen (hierna: bouwverordening) is het verboden in een bouwwerk handelingen te verrichten waardoor op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, rook, roet, of walm wordt verspreid.

2. Het geschil beperkt zich tot de vraag of het college zich, op basis van het verrichte onderzoek naar de door [appellant A] en [appellant B] gestelde rookoverlast als gevolg van het stoken van een kachel door [belanghebbende], in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat door [belanghebbende] niet is gehandeld in strijd met artikel 7.3.2, aanhef en onder a, van de bouwverordening.

3. [ appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het onderzoek onvolledig is geweest en onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zij voeren in dit kader aan dat geen rekening is gehouden met het type kachel, het gedrag van de gebruiker van de kachel, de plaats van de rookuitlaat en de verschillende stookmethoden die van invloed zijn op de uitstoot van de kachel. [appellant A] en [appellant B] voeren voorts aan dat het college bij controles gebruik dient te maken van een zogeheten piepsysteem, waardoor na aanleiding van een klacht controles kunnen worden uitgevoerd. Zij verwijzen naar een rapport van Energieonderzoek Centrum Nederland (hierna: ECN) en een brief van ECN van 17 mei 2010. [appellant A] en [appellant B] wijzen voorts op verklaringen van andere omwonenden, waaruit blijkt dat ook deze overlast ondervinden van de houtkachel van [belanghebbende].

3.1. Het college heeft in oktober, november en december 2010, januari en november 2011 en september, oktober, november en december 2012, telkens op verschillende tijdstippen laten onderzoeken of door de kachel van [belanghebbende] op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook is verspreid. Daarbij is rekening gehouden met de ligging van de woningen ter plaatse ten opzichte van elkaar en met meteorologische gegevens over de gemiddelde windsnelheid en de overheersende windrichting in die maanden. Uit de controlerapporten is gebleken dat bij de woning van [belanghebbende] op 30 november 2011 een klein pluimpje rook en een geur van verbrand houd is waargenomen. Daarnaast is bij controles op 28 november 2012 en op 29 november 2012 tweemaal witte rook waargenomen, waarbij tijdens de controle op 29 november 2012 is geconstateerd dat deze rook niet in de omgeving bleef hangen. Bij de overige 22 controles tussen oktober 2010 en december 2012 is geen rook of geur waargenomen.

3.2. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het uitgevoerde onderzoek onvolledig is geweest en onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de onderzoeksmethode geschikt was om vast te stellen, of van een dergelijke hinderlijke of schadelijke situatie sprake is. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het college, naar aanleiding van het standpunt van [appellant A] en [appellant B] dat het gebruik had moeten maken van een piepsysteem, ter zitting heeft verklaard dat ook naar aanleiding van een klacht een controle is uitgevoerd, waarbij evenmin een hinderlijke of schadelijke situatie is vastgesteld, hetgeen [appellant A] en [appellant B] niet hebben betwist. Hoewel [appellant A] en [appellant B] terecht aanvoeren dat zij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen beroep hebben gedaan op het rapport van Blauw van 1 september 2011, maar op de brief van 17 mei 2010 van het ECN en het rapport van ECN van november 2009, waarin de resultaten van het rapport van Blauw worden weerlegd, leidt dit niet tot het ermee beoogde doel. Uit die brief en dat rapport blijken niet dat het verrichte onderzoek in dit geval ontoereikend is geweest.

De rechtbank heeft voorts op goede gronden overwogen dat het college zich op basis van de uitkomsten van het onderzoek in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat geen sprake is van een situatie waarin door de kachel van [belanghebbende] op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook wordt verspreid en door [belanghebbende] niet is gehandeld in strijd met artikel 7.3.2, aanhef en onder a, van de bouwverordening. De door [appellant A] en [appellant B] overgelegde lijst, waarop drie omwonenden door het plaatsen van een handtekening hebben verklaard dat zij de afgelopen jaren regelmatig overlast ondervinden van de kachel van [belanghebbende], leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat met het plaatsen van een handtekening onder een door [persoon A] en [persoon B] opgestelde verklaring niet duidelijk is in hoeverre sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7.3.2. van de bouwverordening. Daarnaast betreft het slechts een gering aantal klachten en blijkt uit een door [belanghebbende] overgelegde verklaring van één van die omwonenden van 6 mei 2013, dat zij in het hele stookseizoen van 2012 tot op heden geen rook- of stankoverlast hebben ondervonden. Tot slot blijkt uit het aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegde advies van de gemeentelijke commissie bezwaarschriften van 22 februari 2012 dat in de periode 2002 tot en met 2011 geen andere klachten van omwonenden door het college zijn ontvangen.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college op basis van de resultaten van het onderzoek terecht heeft kunnen besluiten af te zien van handhavend optreden.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013

473-789.