Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1575

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
201302852/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:706, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 oktober 2011 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het Nederlanderschap van [appellant] ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201302852/1/V6.

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 februari 2013 in zaak nr. 12/2457 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2011 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het Nederlanderschap van [appellant] ingetrokken.

Bij besluit van 10 mei 2012 heeft de minister het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 februari 2013 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.R. Kwee, advocaat te Rotterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.C. Rop, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) verkrijgt na het afleggen van een daartoe strekkende verklaring (hierna: optieverklaring) door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap:

de meerderjarige vreemdeling die te eniger tijd het Nederlanderschap of de staat van Nederlands onderdaan-niet- Nederlander heeft bezeten en in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba tenminste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft, tenzij hij het Nederlanderschap heeft verloren krachtens artikel 15, eerste lid, onder d en f.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, kan de staatssecretaris de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap intrekken, indien zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. De intrekking werkt terug tot het tijdstip van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding) kan de staatssecretaris het Nederlanderschap intrekken indien de optant in het kader van de optieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. De wetgever heeft met de woorden "valse verklaring of bedrog" aansluiting gezocht bij titel XII van het Wetboek van Strafrecht (valsheid in geschrift) en artikel 3:44 van het Burgerlijk Wetboek (vernietigbaarheid van een rechtshandeling die tot stand is gekomen door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden). Bij "het verzwijgen van enig voor de verkrijging relevant feit" moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.

Volgens de Handleiding zal de staatssecretaris intrekking slechts overwegen indien de betrokkene, ware de fraude, het bedrog of de verzwijging van relevante feiten tijdig bekend geweest, niet voor verkrijging van het Nederlanderschap in aanmerking zou zijn gekomen.

Ingevolge artikel 3.13, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), zoals ten tijde van belang luidend, wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, verleend aan het in artikel 3.14 genoemde gezinslid van de in artikel 3.15 bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 vermelde vereisten.

Ingevolge artikel 3.14, aanhef en onder b, wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, verleend aan de vreemdeling die met de hoofdpersoon een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt.

3. [appellant] heeft op 28 november 2008 in de gemeente Rotterdam een optieverklaring ondertekend. Hij beschikte op dat moment over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "verblijf bij [partner]. De burgemeester van Rotterdam heeft de verkrijging van het Nederlanderschap door [appellant] op de in artikel 6, eerste lid, aanhef onder f, van de RWN neergelegde grond bevestigd op 9 januari 2009. [appellant] heeft op 27 mei 2010 in de procedure ter verkrijging van een machtiging tot voorlopig verblijf voor [persoon] verklaard dat zijn relatie met [partner] in februari 2008 is verbroken, dat hij speciaal voor [persoon] van 5 augustus 2008 tot 28 augustus 2008 naar Suriname is gereisd en sindsdien een relatie met haar heeft.

4. De staatssecretaris heeft bij besluit van 10 mei 2012 de intrekking van het Nederlanderschap van [appellant] gehandhaafd omdat hij bij de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning en in de optieprocedure de verbroken relatie met [partner] niet heeft gemeld. Indien [appellant] dat wel had gedaan, zou hij de verblijfsvergunning niet hebben verkregen omdat hij geen duurzame en exclusieve relatie met [partner] onderhield, zou hij ten tijde van het ondertekenen van de optieverklaring niet hebben voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de RWN neergelegde eis van toelating voor onbepaalde tijd in Nederland gedurende tenminste één jaar en zou hij het Nederlanderschap dus niet hebben verkregen, aldus de staatssecretaris.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij geen feiten heeft verzwegen die relevant zijn voor de verkrijging van het Nederlanderschap. Hij voert daartoe aan dat hij weliswaar sinds februari 2008 geen fysieke relatie meer had met [partner], maar dat zij ook daarna hebben samengewoond en een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. Gelet hierop en nu de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) niet vermeldt dat het wegvallen van een fysieke relatie relevant is in de hiervoor bedoelde zin, kon hij redelijkerwijs niet vermoeden dat hij dit bij de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning en in de optieprocedure had moeten melden. Bovendien valt een dergelijke relatie onder het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) vervatte recht op respect voor het privéleven, aldus [appellant].

5.1. Volgens paragraaf B2/4.2 van de Vc 2000, zoals deze ten tijde van belang luidde, neemt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) aan dat een relatie duurzaam en exclusief is als bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder b, van het Vb 2000, als die in voldoende mate op één lijn is te stellen met een huwelijk.

5.2. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft [appellant] bij de aanvraag van de verblijfsvergunning en de verlenging van de geldigheidsduur daarvan verklaard dat hij met [partner] een exclusieve relatie onderhield en hij beëindiging van deze relatie terstond zou melden bij de IND. De optieverklaring vermeldt dat het verzwijgen van relevante informatie kan leiden tot intrekking van het Nederlanderschap. Reeds omdat [appellant], naar hij zelf heeft verklaard, een relatie onderhield met een andere vrouw, was de relatie met [partner] niet duurzaam en exclusief en had hij van de beëindiging van die duurzame en exclusieve relatie melding moeten maken. Dat, aldus [appellant], er sinds februari 2008 geen fysieke relatie met [partner] meer was, maar zij ook daarna hebben samengewoond en een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft immers - gelet op hetgeen is overwogen onder 5.1 - terecht overwogen dat de strekking van het beleid inzake gezinsvorming en gezinshereniging is dat alleen relaties die op één lijn zijn te stellen met een huwelijk grondslag bieden voor toelating, hetgeen betekent dat (uitsluitend) samenwonen zonder dat de relatie exclusief is, niet voldoende is om aanspraak te maken op een verblijfsvergunning.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [appellant] op artikel 8 van het EVRM niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak kan leiden.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij de intrekking van het Nederlanderschap van [appellant] het belang van de Staat om het Nederlanderschap op juiste gronden te verlenen en fraude te corrigeren, zwaarder weegt dan het belang van [appellant] om te beschikken over de Nederlandse nationaliteit, die hij op oneigenlijke gronden heeft verkregen. Hij verwijst daartoe naar het onder 5 weergegeven betoog en voert aan dat de rechtbank geen of onvoldoende belang heeft gehecht aan het feit dat hij een wezenlijke bijdrage levert aan de Nederlandse samenleving. De rechtbank heeft volgens [appellant] voorts ten onrechte niet in aanmerking genomen dat hij sinds december 2011 tevergeefs heeft gepoogd de Surinaamse nationaliteit te herkrijgen en dus staatloos is.

6.1. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.2, treft de verwijzing naar het onder 5 weergegeven betoog geen doel. De rechtbank heeft de door [appellant] gestelde, wezenlijke bijdrage aan de Nederlandse samenleving in aanmerking genomen en heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris in het in bezwaar gehandhaafde besluit van 31 oktober 2011 een kenbare belangenafweging heeft gemaakt, waarbij hij dit door [appellant] gestelde belang heeft meegewogen. [appellant] heeft met het overleggen van het nader stuk niet gestaafd dat hij de Surinaamse nationaliteit niet kan herkrijgen. Het ter zitting overgelegde besluit dat strekt tot afwijzing van de aanvraag van [appellant] om afgifte van een Surinaams paspoort maakt dat niet anders, nu daaruit blijkt dat de directeur van het Centraal Bureau voor Burgerzaken in Paramaribo, die op die aanvraag heeft beslist, niet van de intrekking van het Nederlanderschap van [appellant] op de hoogte is geweest en aan de afwijzing van de paspoortaanvraag ten grondslag heeft gelegd dat [appellant] door verkrijging van het Nederlanderschap de Surinaamse nationaliteit heeft verloren. Gelet hierop heeft de rechtbank in hetgeen [appellant] in beroep heeft aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat [appellant] staatloos is. Los daarvan staat ingevolge artikel 14, zesde lid, van de RWN staatloosheid niet aan intrekking krachtens het eerste lid in de weg. Daar komt bij dat de staatssecretaris bij zijn belangenafweging heeft betrokken dat [appellant] als gevolg van de intrekking mogelijk staatloos wordt en zich in het in bezwaar gehandhaafde besluit van 31 oktober 2011 in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de staatloosheid van [appellant] gerechtvaardigd is, gelet op de aard en de ernst van het door hem verzwegen feit en het onder 6 vermelde belang van de Staat.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Oei

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013

670.