Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1573

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
201303753/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Dommelkwartier" en de bijbehorende exploitatieplannen "Weegbree" en "Hoppenbrouwers" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 6.13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3200
M en R 2014/57 met annotatie van Mr. drs. M.M. Kaajan
JOM 2014/424
JOM 2014/448
JOM 2014/401
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303753/1/R6.

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], gevestigd te Waalre,

2. de vereniging Vereniging Bewust Ongerust, gevestigd te Valkenswaard, en anderen,

3. [appellant sub 3], wonend te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo,

en

de raad van de gemeente Valkenswaard,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Dommelkwartier" en de bijbehorende exploitatieplannen "Weegbree" en "Hoppenbrouwers" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1], Vereniging Bewust Ongerust en anderen en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

Het beroep van Vereniging Bewust Ongerust en anderen richt zich tegen de vaststelling van het bestemmingsplan. Het beroep van [appellant sub 3] richt zich tegen de vaststelling van het exploitatieplan "Weegbree". Het beroep van [appellanten sub 1] richt zich tegen de vaststelling van beide voornoemde exploitatieplannen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten sub 1], Vereniging Bewust Ongerust en anderen, [appellant sub 3] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2013, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door R.H. van Aken en R.T.M.M. van Dijk en bijgestaan door E.J. Baardewijk en mr. ir. M.J. de Haan, Vereniging Bewust Ongerust en anderen, vertegenwoordigd door drs. L.F.H.C. de Brouwer en bijgestaan door mr. J.E. Dijk, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door F.M.C.M. Bistervels, en de raad, vertegenwoordigd door ing. E. Gans, M.C.A. Sonneveld, ing. A.P. Visser, ir T.A. te Winkel en drs F.L.A. Brekelmans, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de integrale ontwikkeling van het gebied tussen Dommelen en Valkenswaard ter hoogte van de wijk Het Gegraaf. Daartoe voorziet het plan in de mogelijkheid tot een duurzame inrichting van het beekdal van de Dommel ten behoeve van natuur, landschap, recreatie en cultuurhistorie. Daarnaast maakt het plan de realisatie van 206 woningen met bijbehorende voorzieningen, wegen en openbare ruimte mogelijk. In de deellocatie Weegbree zijn 126 woningen voorzien en in de deellocatie Hoppenbrouwers 80 woningen. Ten slotte maakt het plan een kantoorgebouw mogelijk op de hoek van de Lijsterbeslaan en de Nieuwe Waalreseweg. De exploitatieplannen voorzien in het kostenverhaal en de fasering voor de deellocaties Weegbree en Hoppenbrouwers.

Ontvankelijkheid

3. De raad stelt dat de Vereniging Bewust Ongerust geen rechtspersoon is en daarom niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

3.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

3.2. Uit artikel 1:2, derde lid, van de Awb volgt dat voor het opkomen in rechte ter behartiging van algemene en collectieve belangen de eis van rechtspersoonlijkheid geldt om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt. Vast staat dat de Vereniging Bewust Ongerust geen bij notariële akte opgerichte rechtspersoon is. De Vereniging Bewust Ongerust voldoet echter wel aan de in de uitspraak van 12 maart 2008, zaaknr. 200704378/1 genoemde vereisten om te kunnen worden aangemerkt als een informele vereniging, nu uit de statuten, de ingediende stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat sprake is van een organisatorisch verband dat is opgericht voor de in de statuten omschreven doelen, de vereniging een ledenbestand heeft en een bestuur. Tevens vinden regelmatig ledenvergaderingen plaats en neemt Vereniging Bewust Ongerust daarnaast als eenheid deel aan het rechtsverkeer. Vereniging Bewust Ongerust voldoet derhalve aan de eis van rechtspersoonlijkheid.

De Vereniging Bewust Ongerust komt blijkens haar doelstelling mede op voor de belangen van de bewoners van de wijk Het Gegraaf. Aannemelijk is dat verscheidene bewoners van dit gebied gevolgen van het plan kunnen ondervinden. De Vereniging Bewust Ongerust brengt door het optreden in rechte aldus een bundeling van rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken individuele belangen tot stand waarmee effectieve rechtsbescherming gediend kan zijn, in vergelijking met het afzonderlijke optreden van individuele natuurlijke personen die door dat besluit rechtstreeks in hun belangen worden getroffen. In de door de Vereniging Bewust Ongerust tot stand gebrachte bundeling van deze individuele belangen, kunnen de in artikel 1:2, derde lid, van de Awb genoemde feitelijke werkzaamheden besloten worden geacht.

Gelet op het vorenstaande dient de Vereniging Bewust Ongerust als belanghebbende bij het bestreden besluit te worden aangemerkt.

Artikel 1.6a Crisis- en Herstelwet

4. Vereniging Bewust Ongerust en anderen betogen in het nader stuk dat ingediend is op 29 juli 2013 dat de Rabobank zich niet langer zal vestigen in het plangebied en het plan wat betreft de bestemming "Dienstverlening" niet langer uitvoerbaar is.

4.1. Ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van de Crisis- en hertstelwet (hierna: Chw) is in afwijking van artikel 6:6 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift niet de gronden van het beroep bevat zoals bepaald in artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet.

Ingevolge artikel 1.6a kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

4.2. Vereniging Bewust Ongerust en anderen betogen dat dit een nadere onderbouwing is van het beroepschrift. Daartoe verwijzen zij naar het beroepschrift waarin verwezen is naar de inspraaknotitie die als bijlage bij het beroepschrift zit en waar onder punt 8 op de vestiging van de Rabobank wordt ingegaan. In het beroepschrift worden de vestiging van de Rabobank en de financiële uitvoerbaarheid niet genoemd. De verwijzing naar de inspraaknotitie in het beroepschrift wordt gedaan in het kader van het betoog over de strijdigheid met de Verordening Ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening). Onder punt 8 van de inspraaknotitie staat dat de bouw van een kantoorpand van de Rabobank niet in lijn is met het landelijk en provinciaal beleid en de Verordening en dat het maatschappelijk onverantwoord is om een nieuw kantoor te bouwen gelet op de leegstand van kantoren.

Gelet hierop is in het beroepschrift niet aangevoerd dat het plan wat betreft de bestemming "Dienstverlening" niet uitvoerbaar is. Dit betreft derhalve een nadere beroepsgrond die buiten de beroepstermijn is ingediend. Gezien artikel 1.6a van de Chw dient deze beroepsgrond buiten beschouwing te worden gelaten.

Goede procesorde

5. [appellante sub 1 B] heeft, in haar hoedanigheid van ontwikkelaar van een deel van het plangebied, op 9 augustus 2013 de notitie "Effecten bestemmingsplan Dommelkwartier op Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux’" van Bureau Waardenburg van 10 juni 2013 (hierna: notitie Bureau Waardenburg juni 2013) en het rapport "Stikstofdepositieberekening, gemeente Valkenswaard, project Dommelkwartier" van Wematech Milieu Adviseurs van 26 juni 2013 (hierna: rapport Wematech) ingediend. De raad heeft op 13 augustus 2013 eveneens laatstgenoemd rapport en tevens de notitie "Effectbeoordeling stikstofdepositie op Natura 2000-gebied van project Dommelkwartier" van Bureau Waardenburg van 10 juli 2013, (hierna: notitie Bureau Waardenburg juli 2013) ingediend.

Vereniging Bewust Ongerust en anderen betogen dat, hoewel deze stukken zijn ingediend binnen de wettelijke termijn voor het indienen van nadere stukken, deze niet in de procedure kunnen worden betrokken omdat dat in strijd is met de goede procesorde vanwege de beperkte tijd om te kunnen reageren op deze stukken. Ter zitting zijn Vereniging Bewust Ongerust en anderen in de gelegenheid gesteld om te reageren op de nader ingediende stukken en daarbij aan te geven op welke punten zij in hun procesbelang zijn geschaad door de latere indiening van de stukken. Vereniging Bewust Ongerust en anderen hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid om op de stukken te reageren en hebben daarbij niet nader vermeld dat en op welke wijze zij in hun procesbelang geschaad zijn. De Afdeling ziet onder deze omstandigheden dan ook geen aanleiding om de nader ingediende stukken buiten beschouwing te laten.

Intrekking beroepsgronden

6. Ter zitting hebben [appellanten sub 1] de beroepsgrond dat de kosten voor het bouw- en woonrijp maken niet traceerbaar zijn en in de exploitatieopzet niet gedetailleerd is vermeld van welke uitgangspunten per product per vierkante of kubieke meter is uitgegaan en de beroepsgrond gericht tegen artikel 3, lid 3.2, van de regels van het exploitatieplan "Weegbree" ingetrokken.

MER

7. Vereniging Bewust Ongerust en anderen betogen dat ten onrechte geen passende beoordeling en geen milieueffectrapport (hierna: MER) zijn gemaakt. Zij betogen dat geen beoordeling is gemaakt of sprake kan zijn van significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide en de Plateaux" (hierna: het Natura 2000-gebied). Tevens betogen zij dat op grond van artikel 2, vijfde lid, van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) een MER had moeten worden gemaakt omdat niet kan worden uitgesloten dat het plan belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben. Daartoe voeren zij aan dat de 206 woningen waarin het plan voorziet, leiden tot een verhoogde recreatiedruk, toename van verkeer, geluidbelasting en verslechtering van de luchtkwaliteit. Het plan kan daardoor en door het ruimtebeslag van de voorziene woningen effect hebben op de doelstelling gericht op het uitbreiden van de oppervlakte en het verbeteren van de kwaliteit van beken en rivieren, waaronder de in het plangebied gelegen Dommel. De raad heeft geen onderzoek gedaan naar de doelsoorten van het Natura 2000-gebied, zoals de drijvende waterweegbree, kamsalamander, bittervoorn, beekprik en gevlekte witsnuitlibel, aldus Vereniging Bewust Ongerust en anderen.

7.1. De raad stelt dat ter plaatse van het plangebied alleen de Dommel tot het Natura 2000-gebied behoort en niet het omliggende Dommeldal. De voorziene woningen liggen op een afstand van 240 meter van de Dommel. In opdracht van de raad is door Bureau Waardenburg onderzoek verricht naar het effect van het plan op het Natura 2000-gebied en is geconcludeerd dat een passende beoordeling niet nodig is omdat negatieve effecten in de vorm van verstoring en verslechtering van de instandhoudingsdoelen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, waarvoor het gebied is aangewezen, uitgesloten zijn. Op grond van dit onderzoek, het onderzoek naar geluid en het luchtkwaliteitsonderzoek is tevens geconcludeerd dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben.

7.2. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, aanhef en onder a, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.

Ingevolge het vierde lid maakt de passende beoordeling van deze plannen deel uit van de ter zake van die plannen voorgeschreven milieueffectrapportage.

Ingevolge artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt een milieueffectrapport gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998.

7.3. In het rapport "Beoordeling beschermde soorten Het Gegraaf, Valkenswaard" van Bureau Waardenburg van 6 november 2007 staat dat het Natura 2000-gebied is aangewezen voor het habitattype H3260, "Submontane en laaglandrivieren met vegetaties, behorende tot het Ranunculion fluitantis en het Callitricho-Batrachion". Het doel voor dit habitattype is uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit van de beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels). Volgens dit rapport komen de doelsoorten van het Natura 2000-gebied niet in het plangebied voor. In het rapport wordt geconcludeerd dat gezien de aard van de ingreep en de afstand tot de Dommel het doel uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit van de beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels) niet in gevaar komt en de voorgenomen ingreep dus geen negatief effect zal hebben op het Natura 200-gebied.

De raad heeft na de vaststelling nader onderzoek gedaan naar de invloed van het plangebied op het Natura 2000-gebied. Uit het rapport Wematech blijkt dat als gevolg van de uitvoering van het plan Dommelkwartier lokaal op de Keersop en de Dommel sprake kan zijn van een additionele stikstofdepositie van 0,051 mol N/ha/jaar. Ten opzichte van de achtergronddepositie is dit een bijdrage variërend tussen de 0,003 en 0,012% van de totale stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde van het habitattype H3260 is groter of gelijk aan 2400 mol stikstof per ha per jaar. Dit betekent dat dit habitattype weinig tot niet gevoelig is voor stikstofdepositie. Ter zitting en in de notitie Waardenburg juni 2013 en de notitie Waardenburg juli 2013 is toegelicht dat de toename van de stikstofdepositie niet tot aantasting van dit habitattype leidt omdat voldoende buffercapaciteit aanwezig is. Het habitattype komt bovendien niet voor in de Dommel op het deel waar sprake is van additionele stikstofdepositie. In de Keersop komt het habitattype matig ontwikkeld voor op kleine trajecten. Gelet op de ongevoeligheid voor stikstof, de kleine additionele depositie en het ontbreken van goed ontwikkelde vegetaties kan een effect op dit habitattype worden uitgesloten. Volgens de notitie Waardenburg juli 2013 komt de beekprik voor op een deel van de Keersop en is deze in 2013 ook in de Dommel aangetroffen. In het habitattype H3260 is de beekprik ongevoelig voor stikstofdepositie waardoor negatieve effecten voor de beekprik als gevolg van de stikstofdepositie kunnen worden uitgesloten. De drijvende waterweegbree komt niet voor in de Keersop en de Dommel.

In de notitie Waardenburg juni 2013 zijn eveneens de mogelijke effecten onderzocht van oppervlakteverlies, versnippering, verzuring, verzilting, verontreiniging, verdroging, verandering van de stroomsnelheid, overstroming, verandering van de dynamiek van het substraat, verandering van populatiedynamiek en soortensamenstelling en verstoring door geluid, licht, trilling, mechanische effecten en optische verstoring. Geconcludeerd wordt dat negatieve effecten van verstoring of verslechtering van de instandhoudingsdoelen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen kunnen worden uitgesloten.

In paragraaf 4.2.9 en 4.4.9 van de plantoelichting heeft de raad de inpassing van het plan in relatie met de kenmerken van het gebied toegelicht en onder verwijzing naar de onderzoeken met betrekking tot geluid en luchtkwaliteit gemotiveerd dat als gevolg van de met het plan voorziene activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan.

7.4. In hetgeen Vereniging Bewust Ongerust en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de in deze rapporten vermelde uitgangspunten onjuist zijn en evenmin dat de raad op grond van de verrichte onderzoeken zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen effect op het Natura 2000-gebied is te verwachten.

Niet in geschil is dat de omvang van de in het plan voorziene activiteit de drempelwaarde uit het Besluit milieueffectrapportage voor een stedelijk ontwikkelingsproject niet overschrijdt. Vereniging Bewust Ongerust en anderen hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd waarin de Afdeling aanleiding ziet voor het oordeel dat sprake is van andere gevallen waarin op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de met het plan voorziene activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

De raad heeft derhalve kunnen concluderen dat geen plicht bestaat tot het maken van een passende beoordeling en een MER. Het betoog van Vereniging Bewust Ongerust en anderen faalt.

Bestemmingsplan

Strijd met Verordening Ruimte 2012

8. Vereniging Bewust Ongerust en anderen betogen dat het plan in strijd is met artikel 6.3 van de Verordening. Het plangebied ligt binnen de groenblauwe mantel als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de Verordening en tevens voor een deel binnen het beheergebied ecologische hoofdstructuur, als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Verordening. De voorziene woningen en het kantoorgebouw zijn volgens Vereniging Bewust Ongerust en anderen op grond artikel 6.3 van de Verordening binnen dit gebied niet toegestaan omdat de woningen en kantoorgebouwen niet strekken tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van het gebied. Het gebied ligt weliswaar eveneens binnen het gebied integratie stad-land, als bedoeld in artikel 3.4 van de Verordening, maar artikel 3.4 van de Verordening dient buiten toepassing te blijven voor zover het strijdig is met artikel 6.3 van de Verordening, omdat ingevolge artikel 1.2, vijfde lid, van de Verordening bij tegenstrijdigheid tussen bepalingen uit de Verordening de meest beperkende bepaling geldt en dat in dit geval artikel 6.3 van de Verordening is, aldus Vereniging Bewust Ongerust en anderen.

Voor zover artikel 3.4 van de Verordening wel van toepassing is, betogen Vereniging Bewust Ongerust en anderen dat het plan niet voldoet aan de voorwaarde uit dit artikel dat de ontwikkeling geschiedt in samenhang en in evenredigheid met een groene en blauwe landschapsontwikkeling. De bouw van de woningen leidt per definitie tot een verslechtering van de bestaande waarden, aldus de Vereniging Bewust Ongerust en anderen. Daarnaast ontbreekt de ingevolge artikel 3.4, tweede lid, onder a, van de Verordening vereiste verantwoording waaruit blijkt dat financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde vorm van stedelijke ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied van een van de kernen van de gemeente te situeren, in het bijzonder door middel van inbreiden, herstructureren, intensiveren, meervoudig ruimtegebruik of enige andere vorm van zorgvuldig ruimtegebruik. Vereniging Bewust Ongerust en anderen betogen dat voldoende locaties binnen het stedelijk gebied beschikbaar zijn, zoals de terreinen van de voormalige LTS en de voormalige basisschool aan de Carolusdreef.

8.1. De raad stelt dat artikel 6.3 van de Verordening ruimte biedt om verstedelijking in het gebied af te wegen als rekening wordt gehouden met de aanwezige en te ontwikkelen landschappelijke en ecologische waarden. De raad stelt dat voor het plan een zorgvuldige en integrale afweging is gemaakt die heeft geleid tot een eindbeeld waarin ruimte is voor verstedelijking met voldoende aandacht voor natuur- en landschapsontwikkeling. De huidige gebiedskwaliteiten van de gebieden Weegbree en Hoppenbrouwers, die relatief laag zijn gewaardeerd, zijn als uitgangspunt gehanteerd, aldus de raad. Ten slotte stelt de raad dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant heeft te kennen gegeven geen bezwaar tegen het plan te hebben.

8.2. Ingevolge artikel 1.2, vijfde lid, van de Verordening geldt, ingeval meerdere bepalingen van de verordening gelijktijdig van toepassing zijn, bij tegenstrijdigheid de meest beperkende bepaling tenzij in de Verordening uitdrukkelijk anders is bepaald.

Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, zijn plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling uitsluitend gelegen in bestaand stedelijk gebied.

Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, kan in afwijking van artikel 3.2 een plan, gelegen in een gebied integratie stad - land, voorzien in een stedelijke ontwikkeling mits deze stedelijke ontwikkeling:

a. in samenhang en in evenredigheid geschiedt met een groene en blauwe landschapsontwikkeling.

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, zijn als groenblauwe mantel aangewezen de als zodanig aangeduide gebieden waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing met een nauwkeurigheid van 50 meter zijn vastgelegd.

Ingevolge het tweede lid zijn binnen de op grond van het eerste lid aangewezen gebieden, gebieden aangewezen als beheergebied ecologische hoofdstructuur waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing met een nauwkeurigheid van 50 meter zijn vastgelegd.

Ingevolge het derde lid gelden voor de gebieden aangewezen op grond van het tweede lid als ecologische waarden en kenmerken de natuurdoeltypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan.

Ingevolge artikel 6.3, eerste lid, strekt een plan dat is gelegen in de groenblauwe mantel tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en stelt het plan regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

8.3. In de toelichting op artikel 6.3 van de Verordening staat dat de gebieden in de groenblauwe mantel worden beschermd via de zogenaamde ‘ja mits’- benadering. Dat betekent dat nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn als de ecologische en landschappelijke waarden en de natuur-, bodem- en waterfuncties worden behouden en een kwaliteitsverbetering voor deze functies en het landschap optreedt. Het is in eerste instantie aan de gemeenten te beoordelen welke huidige waarden er in een gebied aanwezig zijn en of de gewenste ontwikkeling een bijdrage levert aan de kwaliteit daarvan. De versterking van de binnen de groenblauwe mantel aanwezige leefgebieden voor plant- en diersoorten vraagt daarbij specifieke aandacht. De ontwikkeling van kapitaalintensieve functies, zoals verstedelijking, bouw van kassen, (bezoekers)intensieve recreatie en concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties is binnen de begrensde gebieden uitgesloten, aldus de toelichting op de Verordening.

8.4. De woningen en bijbehorende voorzieningen die het plan mogelijk maakt in de gebieden Weegbree en Hoppenbrouwers liggen binnen de groenblauwe mantel. Het plan moet binnen dit gebied dus gericht zijn op behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en het plan dient regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied te stellen. Twee voorziene bouwblokken in het zuidwestelijk deel van het gebied Weegbree liggen tevens binnen het beheergebied ecologische hoofdstructuur. Hiervoor gelden als ecologische waarden en kenmerken de natuurdoeltypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan. Voor het desbetreffende gebied is dat het natuurdoeltype "botanisch waardevol grasland". Artikel 6.3 van de Verordening is een meer beperkende bepaling dan artikel 3.4, nu artikel 3.4, anders dan artikel 6.3, onder voorwaarden verstedelijking in het gebied toestaat. Ingevolge artikel 1.2, vijfde lid, van de Verordening geldt in dit geval artikel 6.3 van de Verordening omdat dit de meest beperkende bepaling is. Gelet hierop behoeft de beroepsgrond dat het plan in strijd is met artikel 3.4 van de Verordening geen bespreking.

De in het plan voorziene verstedelijking door de woonwijken Weegbree en Hoppenbrouwers strekt niet tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en het plan stelt, voor zover het deze deelgebieden betreft, geen regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van deze gebieden. Het enkele feit dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant heeft te kennen gegeven met het plan in te stemmen, maakt dit niet anders.

In hetgeen Vereniging Bewust Ongerust en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling dan ook aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover het ziet op de deelgebieden Weegbree en Hoppenbrouwers, zoals aangeduid op de bij deze uitspraak als kaart 1 gevoegde afbeelding, is genomen in strijd met artikel 6.3 van de Verordening. Het beroep van Vereniging Bewust Ongerust is in zoverre gegrond.

9. Vereniging Bewust Ongerust en anderen betogen dat het plan in strijd is met artikel 7.4 van de Verordening omdat het onvoldoende voorziet in het respecteren en beschermen van de cultuurhistorische waarden in de deellocaties Weegbree en Hoppenbrouwers. Daartoe had het plan regels moeten stellen om het verharden van cultuurhistorische zandpaden, egalisatie van bolle akkers en wijziging van de perceelsindeling door het dempen van sloten en het verwijderen van houtwallen te voorkomen, aldus de Vereniging Bewust Ongerust en anderen.

9.1. De raad stelt dat in het plan is vermeld op welke wijze de cultuurhistorische waarden in het gebied worden behouden. Het plan is gebaseerd op een versterking van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden, waarbij bomen, houtwallen, bosjes, open weides en het oude zandpad essentiële onderdelen vormen. De bestemmingen "Natuur" en "Agrarisch met waarden" zijn hiertoe in de verbeelding en de regels opgenomen. Het zandpad in Weegbree is aangeduid als cultuurhistorisch waardevol pad. Daarnaast is onderzoek gedaan naar de archeologische waarden in het gebied en op grond daarvan is voor het hele deelgebied Weegbree een dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" opgenomen. Daarmee is volgens de raad voldaan aan artikel 7.4 van de Verordening.

9.2. Ingevolge artikel 7.4 van de Verordening strekt een plan dat is gelegen in een gebied met cultuurhistorische vlakken mede tot behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en stelt dat plan regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

9.3. In de Verordening is het hele plangebied aangewezen als cultuurhistorisch vlak.

In de planregels voor de bestemmingen "Dienstverlening", "Tuin", "Verkeer-verblijfsgebied" en "Wonen" zijn geen regels opgenomen ter bescherming van de cultuurhistorische waarden. Gronden met de bestemming "Groen" en de aanduiding "pad" zijn ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder j, van de planregels bestemd voor een bij de bestemming behorend cultuurhistorisch waardevol pad. Gronden met de bestemming "Groen" en de aanduiding "waardevolle boom" zijn in dat artikel, aanhef en onder k, bestemd voor een bij de bestemming behorende waardevolle boom. In dat artikel, lid 5.5, is een omgevingsvergunningsplicht opgenomen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden. Als voorwaarde voor de vergunningverlening geldt dat de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud van de waardevolle boom.

Gronden met de bestemming "Verkeer" en de aanduiding "waardevolle boom" zijn in artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder e, bestemd voor een waardevolle boom. In dat artikel, lid 8.3 is een omgevingsvergunningsplicht opgenomen voor het uitvoeren van in lid 8.3.1 genoemde werken, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden. Als voorwaarde voor de vergunningverlening geldt dat de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud van de waardevolle boom.

De gronden binnen het deelgebied Weegbree hebben de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie". Op de gronden in het gebied Hoppenbrouwers is geen dubbelbestemming van toepassing.

9.4. In de toelichting op artikel 7.4 van de Verordening staat dat plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. Dit betekent dat het bestemmingsplan moet voorzien in een beschermende regeling zoals een vergunningstelsel en waar nodig verbodsbepalingen. In paragraaf 3.2 van de plantoelichting zijn de cultuurhistorische waarden van het gebied, uit de Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant omschreven. Het is een samenhangend en relatief gaaf oud zandlandschap met beekdalen, akkercomplexen, landgoederen, woeste gronden en jonge ontginningen. Voor het gebied is een ontwikkelingsstrategie geformuleerd die zich richt op:

- Het behoud en beter beleefbaar maken van sporen van oud watermanagement in beekdalen, zoals vloeiweides, viskwekerijen en watermolens;

- Het versterken van het contrast tussen de oude ontginningen met akkers enerzijds en voormalige woeste gronden anderzijds;

- Het versterken van het natte karakter van de beekdalen en (voormalige) vennen;

- De natuurontwikkeling, waterberging, stedelijke uitbreiding en economische dragers afstemmen op de cultuurhistorische identiteit;

- Het vergroten van de cultuurhistorische waardering door vergroting van de beleving.

In de plantoelichting staat voorts dat in de cultuurhistorisch waardevolle gebieden het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden centraal staat. Ook binnen de woongebieden worden de bestaande (cultuurhistorisch waardevolle) landschappelijke elementen behouden en versterkt. Het betreft in beide woongebieden het behoud van de bosjes en waardevolle solitaire bomen en het oude zandpad in Weegbree. Deze landschapselementen worden versterkt door het realiseren van diverse houtwallen in de woongebieden die aansluiten op de landschapselementen in het Dommeldal. De woongebieden zorgen voor een passende overgang naar het landschap waarbij landschap en stad zijn geïntegreerd.

9.5. Uit de bestemmingen blijkt niet op welke wijze de in de plantoelichting aangehaalde cultuurhistorische waarden uit de Cultuurhistorische Waardenkaart beschermd worden. De bescherming in het plan beperkt zich tot de waardevolle boom en het pad. Weliswaar is bij de inrichting rekening gehouden met landschappelijke elementen in het gebied, maar het plan strekt wat betreft de gebieden Hoppenbrouwers en Weegbree niet mede tot behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van deze gebieden en stelt, met uitzondering van het pad en de waardevolle boom, evenmin regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van deze gebieden. In hetgeen Vereniging Bewust Ongerust en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling dan ook aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover het ziet op de deelgebieden Weegbree en Hoppenbrouwers, zoals aangeduid op de bij deze uitspraak als kaart 1 gevoegde afbeelding, is genomen in strijd met artikel 7.4 van de Verordening. Het beroep is in zoverre gegrond.

Luchtkwaliteit

10. Vereniging Bewust Ongerust en anderen betogen dat de raad het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: besluit NIBM) niet had mogen toepassen. Daartoe betogen zij dat met het "luchtkwaliteitsplan 2009-2014" (hierna: het luchtkwaliteitsplan) van de gemeente Valkenswaard en Waalre niet kan worden voldaan aan de Europese regelgeving wat betreft de normen voor fijnstof per 1 januari 2011 en de normen voor stikstofdioxide voor 1 januari 2015.

10.1. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met het tweede lid van dat artikel, maakt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de in het eerste lid, onder a tot en met d, genoemde gronden en maakt daarbij aannemelijk:

(…)

c. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;

d. dat een uitoefening dan wel toepassing is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12, eerste lid, of artikel 5.13, eerste lid, vastgesteld programma.

Ingevolge artikel 5.16, vierde lid, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent het in betekenende mate bijdragen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, waaronder begrepen het aanwijzen van categorieën van gevallen die in ieder geval al dan niet in betekenende mate bijdragen in de daar bedoelde zin.

Aan het vierde lid is uitvoering gegeven in het besluit NIBM en de de regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: regeling NIBM).

10.2. De raad heeft bij vaststelling van het plan toepassing gegeven aan artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer. Op grond van dit artikelonderdeel kan een bestemmingsplan als hier aan de orde worden vastgesteld indien komt vast te staan dat dat plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 van de Wet milieubeheer een grenswaarde is opgenomen. Indien het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie, hetgeen hierna onder 11 wordt besproken, staat de luchtkwaliteit niet in de weg aan vaststelling daarvan. De wet biedt geen aanknopingspunten voor de kennelijke vooronderstelling van Vereniging Bewust Ongerust dat daarnaast het al dan niet behalen van de doelen van het luchtkwaliteitsplan van belang is. Het betoog faalt.

11. Vereniging Bewust Ongerust en anderen betogen dat de regeling uit het besluit NIBM verkeerd is toegepast omdat niet van één project is uitgegaan, maar de deellocaties Weegbree en Hoppenbrouwers afzonderlijk zijn beoordeeld. Zij betogen dat geen rekening is gehouden met cumulatie en de externe verkeersafwikkeling.

11.1. De raad stelt dat ook als de locaties tezamen worden genomen voldaan wordt aan het besluit NIBM.

11.2. Krachtens artikel 5.16, vierde lid, van de Wet milieubeheer en artikel 4 van het besluit NIBM zijn in bijlage 3A van de regeling NIBM categorieën van gevallen aangewezen, waarin het vaststellen van een bestemmingsplan in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer. Als categorie van gevallen is aangewezen: Locaties die een combinatie vormen van een woningbouwlocatie en een kantoorlocatie als voldaan wordt aan de voorwaarde dat 0,0008 * aantal woningen + 0,000012 * bruto vloeroppervlak kantoren in m2 kleiner of gelijk is aan 1,2.

11.3. Voor de locaties Hoppenbrouwers en Weegbree, die tezamen voorzien in 206 woningen en 2.500 m2 kantoorruimte, is de berekening: (0,0008 * 206) + (0,000012 * 2.500) is 0,1956. Nu dit kleiner is dan 1,2 behoort het plan tot een categorie van gevallen die in de regeling NIBM is aangewezen. De ontwikkeling draagt dus niet in betekenende mate bij, als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, zodat bij de vaststelling van het plan een afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit niet vereist was. Een afzonderlijke beoordeling van de cumulatieve effecten en de externe verkeerseffecten was op grond van de geschetste regeling evenmin vereist. Het betoog faalt.

Uitvoerbaarheid

Flora en fauna

12. Vereniging Bewust Ongerust en anderen betogen dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Zij betogen dat de onderzoeken naar flora en fauna, die aan het plan ten grondslag zijn gelegd, verouderd zijn en gebreken vertonen. Zij stellen dat uit eigen waarneming is gebleken dat in het gebied beschermde vogels voorkomen. Omdat het vogels met een groot territorium betreft, achten zij waarneming bij een quickscan of bij een incidenteel veldonderzoek niet waarschijnlijk. De waarnemingen van bewoners gedurende het gehele jaar zijn betrouwbaarder, aldus Vereniging Bewust Ongerust en anderen. Het foerageer- en leefgebied voor uilen, de patrijs en andere vogelsoorten wordt zodanig verkleind dat deze vogels niet meer kunnen voortbestaan, aldus Vereniging Bewust Ongerust en anderen. Tevens betogen zij dat het vleermuisonderzoek verouderd is en onvolledig.

12.1. De raad stelt dat de onderzoeken naar flora en fauna zijn uitgevoerd door een deskundig bureau. De werkzaamheden voor de voorziene woonwijken zullen worden uitgevoerd buiten het broedseizoen en onder ecologische begeleiding. In het gebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Vanwege de inrichting van het gebied wordt geen effect verwacht op het foerageergebied van aanwezige soorten. Het onderzoek van Vereniging Bewust Ongerust en anderen naar vleermuizen voldoet niet aan de vereisten die aan dergelijke onderzoeken worden gesteld, aldus de raad. Er is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van vleermuizen in het gebied "de Bunker" en de vliegroute tussen "de Bunker" en het Dommeldal. Ter zitting is toegelicht dat de vliegverbinding voor vleermuizen tussen de Bunker en de wijk Het Gegraaf en het Dommeldal loopt via de weg de Weegbree en dat deze verbinding in stand blijft. De vliegroute loopt niet door het gebied waar de wijk de Weegbree is voorzien. Door de realisering van de wijk de Weegbree, met opgaand groen, ontstaat zelfs een nieuwe vliegroute voor vleermuizen, aldus de raad.

12.2. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

12.3. In het onderzoek "Beoordeling beschermde soorten Het Gegraaf, Valkenswaard" van Bureau Waardenburg van 6 november 2007 is geconcludeerd dat de ontwikkelingen niet tot overtreding van verboden uit de Ffw leiden, mits maatregelen worden genomen om te voorkomen dat broedende vogels worden verstoord. In de "Aanvullende notitie Weegbree" van Bureau Waardenburg van 11 oktober 2011 is op grond van veldonderzoek en terreinanalyse voor het gebied Weegbree een oordeel gegeven over de aanwezigheid van beschermde soorten. In het gebied zijn geen strikt beschermde soorten uit tabel 2 of 3 van de Ffw aangetroffen en geschikte groeiplaatsen en biotopen zijn niet aanwezig. In het gebied worden wel algemeen voorkomende beschermde soorten zoogdieren en amfibieën van tabel 1 van de Ffw verwacht. Voor deze dieren geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen voor ingrepen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting. In het rapport "Beschermde soorten Dommelkwartier" van Bureau Waardenburg van 9 oktober 2012 staan de resultaten van veldonderzoek in het plangebied in april, mei en juni 2012. Op grond van dit veldonderzoek wordt geconcludeerd dat als gevolg van het plan geen verbodsbepalingen worden overtreden en geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de aangetroffen beschermde soorten. In het onderzoek staat dat vijf soorten vleermuizen zijn aangetroffen in het plangebied. De gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis, de laatvlieger, de rosse vleermuis en de watervleermuis gebruiken het plangebied om te foerageren, met name in de buurt van de Dommel in het Dommeldal. De gewone dwergvleermuis foerageert tevens in een beperkt gebied rondom het Ericapad binnen het deelgebied de Weegbree. Van de aangetroffen soorten zijn geen verblijfplaatsen in het plangebied aangetroffen. De gewone dwergvleermuis verblijft in de bestaande omliggende wijken, de rosse vleermuis verblijft vermoedelijk in de bomen in het gebied de Bunker. Van de overige soorten is geen verblijfplaats vastgesteld. De gewone dwergvleermuis gebruikt verschillende vliegroutes naar het Dommeldal via verschillende netwerken van bomenrijen. Voor de overige soorten wordt geen vliegroute aangetast. De functie van het plangebied als foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis wordt door de bebouwing in het gebied Weegbree niet aangetast omdat dit gebied door het open en droge karakter niet geschikt is voor de dwergvleermuis. Door de toename van opgaand groen zal het gebied meer geschikt worden als foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis. Ook de vernatting, het aanleggen van poelen en houtsingels en bosjes zal een positief effect hebben. Op het terrein van de Bunker vinden geen werkzaamheden plaats, zodat geen effect op de verblijfplaatsen van de rosse vleermuis te verwachten is. De kap van de aan de noordzijde van het plangebied aanwezige populieren bij de Dommel voor natuurontwikkeling wordt niet op korte termijn verwacht zodat een negatief effect daarvan niet te verwachten is. Ten aanzien van de overige vleermuizen wordt geen negatief effect verwacht voor de vliegroutes, verblijfplaatsen en het foerageergebied.

12.4. In opdracht van Vereniging Bewust Ongerust en anderen heeft Leo Klok een reactie gegeven op de rapportages van Bureau Waardenburg met betrekking tot het vleermuizenonderzoek en heeft hij op 29 juli 2013 en 8 augustus 2013 veldonderzoek verricht. Hij betoogt dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan en rekening is gehouden met gebieden buiten het plangebied zoals het aan het plangebied grenzende gebied "de Bunker" en de vliegverbinding vanuit dit gebied via de eiken aan het Ericapad naar het Dommeldal. In de reactie van Klok worden de bevindingen wat betreft de waarnemingen van vleermuissoorten door Bureau Waardenburg niet betwist. De waarnemingen door Klok bevestigen en zijn niet tegengesteld aan die van Bureau Waardenburg. Klok trekt wat betreft het aanwezig zijn van vliegroutes en mogelijke alternatieve vliegroutes echter andere conclusies. Van de zijde van Bureau Waardenburg is ter zitting toegelicht dat alternatieve vliegroutes aanwezig zijn langs de bestaande weg de Weegbree en vanuit en via het gebied de Bunker het Dommeldal in. Tevens is toegelicht dat door de nieuwe begroeiing in het woongebied nieuwe vliegroutes ontstaan, onder andere via het Ericapad. In hetgeen Vereniging Bewust Ongerust en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de onderzoeken waarop de rapporten van Bureau Waardenburg zijn gebaseerd onzorgvuldig zijn verricht of anderszins gebrekkig zijn. De raad heeft zijn oordeel derhalve op deze rapporten mogen baseren. Gelet op het voorgaande, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog van Vereniging Bewust Ongerust en anderen faalt.

Conclusie bestemmingsplan en gevolgen voor exploitatieplannen

13. Het beroep van Vereniging Bewust Ongerust en anderen is gegrond, voor zover het het bestemmingsplan betreft. Het besluit van 31 januari 2013 dient wegens strijd met artikelen 6.3 en 7.4 van de Verordening te worden vernietigd, voor zover het betreft de deelgebieden "Hoppenbrouwers" en "Weegbree" zoals aangeduid op de bij deze uitspraak gevoegde kaart 1.

13.1. Tussen een bestemmingsplan en gelijktijdig vastgestelde exploitatieplannen bestaat een samenhang die onder meer is af te leiden uit de artikelen 6.12 en 8.3, derde lid, van de Wro en uit de functie van het exploitatieplan voor de verwezenlijking van het bestemmingsplan. Gelet op deze samenhang tussen het bestemmingsplan en de exploitatieplannen, alsmede gelet op de samenhang die in het onderhavige geval bestaat tussen de verschillende onderdelen van het exploitatieplan, dienen in dit geval ook de exploitatieplannen "Weegbree" en "Hoppenbrouwers" te worden vernietigd. Dientengevolge zijn de beroepen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] gegrond, voor zover het de exploitatieplannen betreft.

13.2. Hoewel gelet op het voorgaande een beoordeling van de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] gericht tegen de exploitatieplannen achterwege kan blijven, ziet de Afdeling in dit geval vanwege proceseconomische redenen aanleiding om de tegen de exploitatieplannen ingebrachte beroepsgronden niettemin te bespreken.

Exploitatieplan

Begrenzing plangebied

14. [appellanten sub 1] richten zich tegen de plangrens van het exploitatieplan "Hoppenbrouwers". Zij betogen dat het perceel "A2866" met de bestemming "Groen" aan de west-zuidwestzijde van het exploitatiegebied niet in het exploitatieplan had moeten worden opgenomen omdat hier geen aanlegwerkzaamheden voor nieuwe openbare ruimte worden uitgevoerd.

[appellanten sub 1] richten zich eveneens tegen de plangrens van het exploitatieplan "Weegbree". Zij betogen dat de gronden aan de noordzijde van het exploitatiegebied met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" ten onrechte zijn opgenomen in het exploitatiegebied omdat op deze gronden geen aanlegwerkzaamheden voor de openbare ruimte worden verricht en een openbare functie ook niet strookt met deze bestemming. Daarnaast betogen zij dat de gronden waarover een pad van het zuidoosten naar het noordwesten door het deelgebied Weegbree slingert niet binnen het exploitatiegebied opgenomen moeten worden omdat in het kader van de ontwikkeling van het gebied geen werkzaamheden aan dit pad worden verricht.

14.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 1 juni 2011 in zaak nrs. 200905555/1/R1 en 200906452/1/R1 dient de raad gelet op de systematiek van de Wro en de parlementaire geschiedenis bij de vaststelling van een exploitatieplan het exploitatiegebied zodanig te begrenzen dat planologisch of functioneel een duidelijke samenhang tussen de delen van het exploitatiegebied bestaat. Bij de toepassing van deze criteria komt de raad beleidsvrijheid toe.

14.2. De raad stelt dat de begrenzing van de exploitatiegebieden Hoppenbrouwers en Weegbree is gelegen in de afbakening van de stedelijke ontwikkeling in de deelcomplexen die tevens de percelen omvatten die ten behoeve van deze stedelijke ontwikkeling worden aangewend voor openbaar groen, speelweides, fietspaden en overige openbare bestemmingen.

Op het perceel "A2866" met de bestemming "Groen" aan de west-zuidwestzijde van het exploitatiegebied "Hoppenbrouwers" is nieuw aan te leggen openbare ruimte voorzien, waaronder voetpaden met omliggend groen. Dit vormt een natuurlijke begrenzing ten opzichte van het aangrenzende gebied, aldus de raad.

De gronden aan de noordzijde van het exploitatiegebied "Weegbree" met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" worden ingericht voor openbare groenvoorzieningen en een wadi ten behoeve van de wijk. De gronden waarover een pad van het zuidoosten naar het noordwesten door het gebied slingert vormen de openbare ruimte die deel uitmaakt van de ruimtelijke structuur van de wijk en dient ter ontsluiting van de wijk, aldus de raad.

Gelet op deze motivering heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gronden binnen het exploitatiegebied Weegbree planologisch en functioneel een duidelijke samenhang hebben en tevens dat de gronden in het exploitatiegebied Hoppenbrouwers planologisch en functioneel een duidelijke samenhang hebben. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor de begrenzing van de exploitatiegebieden in de exploitatieplannen. Het betoog van [appellanten sub 1] faalt.

Exploitatieopzet

Algemeen

15. De exploitatieopzet als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wro is een rekenkundig model, op basis waarvan de geraamde en daadwerkelijk gerealiseerde kosten naar rato van de te verwachten opbrengsten worden omgeslagen door het overeenkomstig artikel 6.17 van de Wro opleggen van een verplichte exploitatiebijdrage bij de omgevingsvergunning voor bouwen, welke bijdrage in overeenstemming met de artikelen 6.18 en 6.19 van de Wro wordt bepaald. De kosten en opbrengsten die in de exploitatieopzet zijn opgenomen, zeker waar het de vaststelling van een exploitatieplan betreft, kunnen ramingen zijn en wijken in dat geval mogelijk af van de daadwerkelijk te realiseren kosten en opbrengsten. De ramingen kunnen daarna worden uitgewerkt, gedetailleerd, aangepast of worden vervangen bij een herziening van het exploitatieplan. Niettemin dienen de kosten en opbrengsten met de vereiste zorgvuldigheid te worden geraamd. Daartoe is van belang dat de exploitatiebijdrage die bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen verschuldigd is, in eerste instantie veelal op basis van de ramingen van de kosten en opbrengsten wordt vastgesteld, terwijl slechts onder de voorwaarden van artikel 6.20 van de Wro aanspraak bestaat op terugbetaling van hetgeen te veel is betaald. Voorts dienen de ramingen van de kosten en opbrengsten te voldoen aan de eisen die de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) daaraan stellen.

15.1. Voor zover [appellant sub 3] betoogt dat het wettelijk systeem er toe leidt dat de raming en toedeling van de kosten willekeurig is omdat de raad bepaalt hoe hoog de te verhalen kosten zijn en hij als particulier geen invloed heeft op de ramingen, overweegt de Afdeling dat de raad zich bij het vaststellen van de exploitatieopzet dient te houden aan het hiervoor omschreven wettelijk systeem en daarin waarborgen zijn neergelegd voor een zorgvuldige raming en toedeling van de kosten van de exploitatie.

Proportionaliteit en toerekenbaarheid kosten - Algemeen

16. Ingevolge artikel 6.13, zesde lid, van de Wro worden de kosten in verband met werken, werkzaamheden en maatregelen, waarvan een exploitatiegebied of een gedeelte daarvan profijt heeft, en welke toerekenbaar zijn aan het exploitatieplan naar evenredigheid opgenomen in de exploitatieopzet.

Zoals de Afdeling in de uitspraak van 2 mei 2012 in zaak nr. 201105416/1/T1/R4 heeft overwogen houdt het criterium toerekenbaarheid in dat tussen de kosten in verband met werken, werkzaamheden en te nemen maatregelen en hetgeen in het exploitatieplan wordt ontwikkeld een causaal verband moet bestaan. Over het criterium proportionaliteit heeft de Afdeling overwogen dat indien meerdere gebieden profijt hebben van een voorziening, de kosten naar rato dienen te worden verdeeld. Naarmate een exploitatiegebied minder profijt heeft van de voorziening, draagt deze minder bij aan de kosten.

Proportionaliteit en toerekenbaarheid kosten - Toerekening per perceel

17. [appellant sub 3] betoogt dat kosten voor voorzieningen in de exploitatieopzet, waarbij zijn gronden niet zijn gebaat, ten onrechte aan zijn perceel worden toegerekend, en daarbij geen rekening is gehouden met de fasering van de werkzaamheden.

17.1. Op grond van artikel 6.13, zesde lid, van de Wro kunnen niet alleen kosten in verband met werken, werkzaamheden en maatregelen waarvan het gehele exploitatiegebied profijt heeft, worden opgenomen in de exploitatieopzet, maar ook de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen waarvan slechts een gedeelte van het exploitatiegebied profijt heeft. De criteria profijt, toerekenbaarheid en evenredigheid zien op de toedeling van kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen aan het exploitatiegebied als geheel. Kosten uit de eerste fase van de exploitatie van het gebied Weegbree kunnen derhalve tevens als kosten aan het gehele exploitatiegebied worden toegerekend. De toerekening wordt op grond van artikel 6.13, zesde lid, van de Wro niet per kavel of fase bepaald. Het betoog van [appellant sub 3] faalt in zoverre.

Proportionaliteit en toerekenbaarheid kosten - Kosten zandpad

18. [appellanten sub 1] betogen dat de reconstructiekosten voor het zandpad in het exploitatieplan "Weegbree" niet in de exploitatieopzet had moeten worden opgenomen omdat geen werkzaamheden aan dit pad als gevolg van het plan worden verricht en de kosten derhalve niet aan het plan zijn toe te rekenen.

18.1. De raad stelt dat de kosten voor het zandpad noodzakelijk zijn voor het inpassen van het zandpad in de ruimtelijke structuur van Weegbree. Ook wordt het zandpad geschikt gemaakt als fietspad dat dient ter ontsluiting van de wijk voor langzaam verkeer. Tot de kosten behoren niet de kosten voor het verwijderen van het eerder aangebrachte asfalt, aldus de raad.

18.2. De raad heeft aannemelijk gemaakt dat de kosten voor de inpassing van het zandpad en de openbare ruimte nodig zijn voor de ruimtelijke inrichting van de gronden en plaatsvinden ten behoeve van de exploitatie van het exploitatiegebied "Weegbree". Het betoog van [appellanten sub 1] dat geen werkzaamheden plaatsvinden ten behoeve van de exploitatie mist dan ook feitelijke grondslag.

Proportionaliteit en toerekenbaarheid kosten - Kosten kruispunt Nieuwe Waalreseweg

19. [appellanten sub 1] betogen dat de kosten voor de aanpassing van het kruispunt waarmee de wijk Hoppenbrouwers ontsloten wordt ten onrechte in de exploitatieopzet van het exploitatieplan "Hoppenbrouwers" zijn opgenomen. Zij betogen dat aanpassing van het kruispunt niet nodig is. De verkeersintensitiet neemt met 798 mvt per etmaal toe tot 3.206 verkeersbewegingen. Omdat de huidige ontsluiting geschikt is voor 3000 tot 6000 voertuigen is aanpassing van de kruising niet nodig. Tevens betogen zij dat werkzaamheden aan de Lijsterbeslaan, Waterlaat en Hoppenbrouwers niet nodig zijn en hiervoor geen kosten kunnen worden opgenomen. Voor zover deze aanpassing al noodzakelijk is, dienen de kosten voor de aanpassing van het kruispunt op de Nieuwe Waalrese weg en de aanleg van de verkeersregelinstallatie volgens [appellanten sub 1] slechts gedeeltelijk aan het exploitatiegebied te worden toegerekend omdat de overige wijken ook profijt hebben van de aanpassingen en deze mede op verzoek van de wijkraad van Het Gegraaf wordt gerealiseerd. Gelet op de toename van het verkeer met 798 verkeersbewegingen naar 3.206 verkeersbewegingen betogen zij dat de kosten voor 24,8 % toegerekend kunnen worden.

19.1. De raad stelt dat de noodzaak voor de aanpassing van de kruising blijkt uit het rapport "Kruispunt Nieuwe Waalreseweg, aansluiting Lijsterbeslaan" van Accent Adviseurs van 19 januari 2012. De conclusie van dit onderzoek is dat handhaving van de bestaande situatie met toevoeging van afslaande richtingen op de bestaande stroken niet mogelijk is zonder negatieve gevolgen voor de verkeersveiligheid. Een met verkeerslichten geregeld kruispunt biedt een oplossing met voldoende groeiruimte voor de toekomst. Daarbij is toevoeging van extra stroken voor het afslaand verkeer noodzakelijk. In het rapport wordt aanbevolen om de aansluiting van de Lijsterbeslaan en de Waterlaat op de Nieuwe Waalreseweg aan te passen om de verkeersveiligheid te verbeteren.

De raad stelt dat het gaat om binnenplanse kosten en het criterium profijt alleen een rol speelt voor bovenwijkse voorzieningen en niet voor de kosten van binnenplanse voorzieningen en kostensoorten die in artikel 6.2.3 tot en met 6.2.6 van het Bro zijn opgenomen. De raad erkent dat de wijkraad van Het Gegraaf een verzoek heeft gedaan op de kruising een verkeersregelinstallatie te realiseren, maar stelt dat dit niet de aanleiding is deze installatie te realiseren.

19.2. Hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de gegevens die ten grondslag liggen aan het rapport "Kruispunt Nieuwe Waalreseweg, aansluiting Lijsterbeslaan" of de conclusies van dat rapport onjuist zijn. De raad heeft zich gelet op de conclusies en aanbevelingen van dit rapport, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voor de verkeersveiligheid noodzakelijk is het kruispunt en de ontsluiting van de wegen in Het Gegraaf aan te passen en terecht geconcludeerd dat de kosten hiervoor toerekenbaar zijn aan het exploitatiegebied.

In tegenstelling tot hetgeen de raad stelt, beperkt artikel 6.13, zesde lid, van de Wro de toepassing van het profijtbeginsel niet tot de kosten van voorzieningen buiten het exploitatiegebied. De raad heeft ten onrechte niet onderzocht of andere gebieden profijt hebben van de aanpassing van het kruispunt en de verkeersregelinstallatie bij de Nieuwe Waalreseweg en of de kosten naar rato verdeeld moeten worden over de gebieden die profijt hebben van de aanpassing van het kruispunt. Het beroep van [appellanten sub 1] slaagt in zoverre niet.

Proportionaliteit en toerekenbaarheid kosten - Kosten natuurcompensatie, landschapsontwikkeling

20. [appellant sub 3] en [appellanten sub 1] betogen dat de kosten buiten het exploitatiegebied, als bedoeld in artikel 6.2.4, aanhef en onder e, van het Bro, voor de aankoop van gronden en landschapsontwikkeling van het Dommeldal, de volkstuintjes en de dierenweide, mede dienen ten behoeve van het algemene nut of ten behoeve van degenen die een volkstuintje of de dierenweide huren. Het exploitatiegebied heeft geen profijt van de volkstuintjes en de dierenweide, aldus [appellant sub 3] en [appellanten sub 1]. [appellanten sub 1] betogen voorts dat geen noodzaak bestaat voor compensatie door middel van de dierenweide en de volkstuintjes. Deze kosten dienen dan ook niet in de exploitatieopzet te worden opgenomen. De kosten voor de landschapsontwikkeling kunnen volgens [appellant sub 3] in het geheel niet en volgens [appellanten sub 1] vanwege de proportionaliteit slechts voor 10% aan het plan worden toegerekend aangezien ook de wijken Het Gegraaf, Schepelweijen en Agnetendal van de landschapsontwikkeling van het Dommeldal profiteren. [appellanten sub 1] stellen dat, gelet op de verhouding van het aantal woningen in de verschillende wijken, slechts 10% van de kosten voor de herinrichting van het Dommeldal is toe te rekenen aan de exploitatiegebieden en, voor zover de kosten voor de volkstuintjes en dierenweide al zijn toe te rekenen aan het plan, van deze kosten maximaal 10% is toe te rekenen aan de exploitatiegebieden.

20.1. De raad stelt dat de kosten voor de landschapsontwikkeling noodzakelijk zijn om de woningbouw mogelijk te maken en de verloren gegane natuurwaarden te compenseren. Los van de woningbouw zou de landschapsontwikkeling niet nodig zijn en zouden de investeringen in deze ontwikkeling niet plaatsvinden. Hetzelfde geldt voor de volkstuintjes en de dierenweide. Gelet op het causale verband tussen het plan en de ontwikkelingen kunnen de in de exploitatieopzet opgenomen kosten voor de landschapsontwikkeling, de volkstuintjes en de dierenweide worden toegerekend, aldus de raad. Bij de volkstuintjes is 50% van de kosten toegerekend omdat tevens kosten zijn gemaakt voor de aanleg van riolering buiten het exploitatiegebied en het causaal verband tussen de werkzaamheden en het plan in zoverre ontbreekt. De raad stelt dat de bestaande gebieden Het Gegraaf, Schepelweijen en Agnetendal wel profijt hebben van de landschapsontwikkeling, de dierenweide en de volkstuintjes, maar dat gelet op het causale verband tussen deze ontwikkelingen en de woningbouw, dit niet leidt tot een andere toedeling van de kosten aan het exploitatiegebied.

20.2. De raad heeft bij de vaststelling van de exploitatieopzet voor de kosten van voorzieningen buiten het exploitatiegebied alleen het criterium toerekenbaarheid toegepast. De raad erkent dat ook de wijken Het Gegraaf, Schepelweijde en Agnetendal profijt hebben van de landschapsontwikkelingen, maar ziet vanwege het causale verband geen aanleiding hieraan consequenties te verbinden voor de toedeling van de kosten aan het exploitatiegebied. Hiermee heeft de raad miskend dat indien meerdere gebieden profijt hebben van een voorziening, de kosten naar rato dienen te worden verdeeld. In hetgeen [appellant sub 3] en [appellanten sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan, voor zover dat ziet op de raming van de kosten voor voorzieningen buiten het exploitatiegebied en de raming van de kosten voor het kruispunt en de verkeersinstallatie bij de Nieuwe Waalreseweg is genomen in strijd met artikel 6.13, zesde lid, van de Wro. De betogen van [appellant sub 3] en [appellanten sub 1] lagen in zoverre.

Raming kosten - algemeen

21. [appellant sub 3] betoogt dat de kosten ten onrechte berekend zijn in de veronderstelling dat de gemeente alle gronden in eigendom heeft, terwijl dit niet het geval is. Hij betoogt dat de kosten veel lager uitvallen als met de werkelijke situatie rekening wordt gehouden.

21.1. Het systeem van afdeling 6.4 van de Wro gaat uit van de fictie dat de gemeente alle gronden in het exploitatiegebied verwerft, bouwrijp maakt en vervolgens de in dat kader aangekochte bouwkavels verkoopt. Daarvan uitgaande wordt een exploitatiebijdrage berekend voor die gevallen waarin een grondeigenaar de aan zijn grond toegekende bestemmingen zelf wil realiseren. Gelet hierop is de raad terecht uitgegaan van de fictie dat de gemeente de enige exploitant is. Het betoog van [appellant sub 3] faalt.

Raming kosten - Peildatum en fasering kosten

22. [appellant sub 3] en [appellanten sub 1] betogen dat de peildatum voor de start van de exploitatie ten onrechte op 1 januari 2012 is gesteld, nu het exploitatieplan op 31 januari 2013 is vastgesteld. De startdatum voor de renteberekeningen van de inbrengwaarden zou volgens [appellanten sub 1] 1 januari 2013 moeten zijn. [appellant sub 3] betoogt dat kosten en rente pas opgenomen moeten worden als ze gemaakt worden. De looptijd van de exploitatie zou hierdoor een jaar korter zijn.

Voorts betogen [appellanten sub 1] dat de looptijd voor de exploitatie van het exploitatiegebied "Weegbree" te lang is. Ten onrechte is de periode van twee jaar tijdens het onderbreken van de gronduitgifte meegenomen. Het laten doorgaan van de fysieke werkzaamheden gedurende deze periode is volgens hen niet nodig en zorgt ervoor dat de werkzaamheden onnodig lang over de tijd worden uitgesmeerd.

22.1. De raad stelt dat de peildatum van 1 januari 2012 niet leidt tot extra rentekosten. Ook ingeval de peildatum op de datum van vaststelling van het plan was gesteld, had de daadwerkelijke rente over investeringen en lasten in 2012 moeten worden genomen. De kosten die in 2012 zijn opgenomen in de exploitatieopzet betreffen kosten voor voorbereidende werkzaamheden voor het bouwrijp maken en voor de procedure van het bestemmingsplan en de exploitatieplannen, zoals de kosten voor onderzoek en plankosten. In de exploitatieopzet is een raming opgenomen voor de rente over de gefaseerde kosten. Het is in verband met de voorbereiding en besluitvorming voor een plan dat op 31 januari 2013 vastgesteld is praktisch gezien onmogelijk om 1 januari 2013 als peildatum op te nemen en om de reeds gerealiseerde rente over 2012 in de ramingen mee te nemen, aldus de raad. De tijd tussen het ontwerp en de vaststelling is te kort om het ontwerp nog op een zorgvuldige wijze aan te passen aan de daadwerkelijk gemaakte kosten en gerealiseerde rente op het moment van vaststelling van het exploitatieplan, aldus de raad. De raad stelt dat de inbrengwaarden van de gronden per 1 januari 2012 zijn getaxeerd en daarom voor die datum zijn opgevoerd. De gronduitgifte in het exploitatiegebied "Weegbree" ligt weliswaar in 2016 en 2017 tussen fase 1 en fase 2 stil, maar de fysieke werkzaamheden lopen in die periode door. In 2016 wordt fase 1 woonrijp gemaakt en in 2017 wordt gestart met het bouwrijp maken van fase 2, aldus de raad.

22.2. De raad heeft onbetwist gesteld dat in het jaar 2012 al voorbereidende werkzaamheden hebben plaatsgevonden en plankosten zijn gemaakt. Uitgaande van de fictie dat de gemeente alle gronden in het exploitatiegebied verwerft, bouwrijp maakt en vervolgens de in dat kader aangekochte bouwkavels verkoopt, heeft de raad de inbrengwaarden van de gronden per 1 januari 2012 als kosten mogen opvoeren. De betogen van [appellant sub 3] en [appellanten sub 1] falen.

Raming kosten - Kosten onderzoek

23. [appellanten sub 1] betogen dat de geraamde kosten voor onderzoek niet overeenkomen met de door hen opgegeven bedragen voor de onderzoeken. Zij hebben onderzoeken laten uitvoeren in het kader van de planvorming en zij hebben de raad op de hoogte gesteld van de kosten van deze onderzoeken. [appellanten sub 1] stellen dat zij niet kunnen traceren welke door hen gemaakte onderzoekskosten in de raming zijn meegenomen. Zij verwijzen naar een lijst met verrichte onderzoeken en kosten van deze onderzoeken.

23.1. De raad heeft voor de raming van de kosten voor onderzoek de kosten opgenomen voor de onderzoeken die de raad zelf zou verrichten voor de exploitatie van het gebied. In het exploitatieplan "Weegbree" is een bedrag van € 65.037,- voor onderzoeken opgenomen. In het exploitatieplan "Hoppenbrouwers" is een bedrag van € 50.051,- opgenomen. De kosten voor onderzoek zijn niet nader gespecificeerd in de exploitatieopzet. De raad heeft bij het verweerschrift alsnog een specificatie van de raming van de kosten voor onderzoeken overgelegd. Hierin zijn de reeds gemaakte kosten gespecificeerd. Dit betreffen kosten voor bodemonderzoek, asbestonderzoek, archeologisch onderzoek, een akoestisch onderzoek, een luchtkwaliteitsonderzoek, een verkeersonderzoek, onderzoek naar de flora en fauna, een watertoets en een planschaderisicoanalyse. Voor het exploitatieplan "Weegbree" bedragen de reeds gemaakte kosten voor onderzoek € 62.321,38. Voor het exploitatieplan "Hoppenbrouwers" bedragen de gerealiseerde kosten voor onderzoek € 45.973,67. De verschillen tussen de kosten die [appellanten sub 1] voor onderzoeken hebben gemaakt en de raming van de kosten voor onderzoek worden veroorzaakt door de raming voor de kosten van nog te verrichten onderzoeken, en doordat in de lijst van kosten van [appellanten sub 1] ook advocaatkosten en kosten voor communicatie zijn opgenomen, aldus de raad. Ter zitting hebben [appellanten sub 1] erkend dat in de lijst met kosten voor onderzoek ook kosten staan die daar niet toe behoren.

23.2. [appellanten sub 1] hebben niet gespecificeerd op welke punten de kosten voor onderzoek onjuist zijn of van welke door hen verrichte onderzoeken de kosten ten onrechte niet zijn meegenomen in de raming. Voorts hebben zij niet gemotiveerd waarom de ramingen van de nog uit te voeren onderzoeken niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de kosten voor onderzoek verkeerd zijn geraamd.

Raming kosten - Kosten aanleg voorzieningen

24. [appellant sub 3] betoogt dat de raming van de kosten voor de aanleg van voorzieningen als bedoeld in artikel 6.2.4 onder c van het Bro niet zijn onderbouwd. [appellant sub 3] en [appellanten sub 1] betogen dat de post kostenmarge van 20% die gehanteerd is in de raming van de kosten voor de aanleg van voorzieningen te hoog is. Dit leidt ertoe dat er geen druk is om het plan met minimale kosten uit te voeren, aldus [appellant sub 3].

24.1. De raad stelt dat de onderbouwing van de geraamde kosten voor de aanleg van voorzieningen is gelegen in het programma van eisen openbare ruimte in bijlage 1 bij deel C. Op grond van dit programma is door RAinfra een raming van de kosten gemaakt. Deze raming staat vermeld op blz. 14 van het exploitatieplan "Weegbree". De raad heeft als bijlage 1 bij het verweerschrift een specificatie van deze raming overgelegd. [appellant sub 3] heeft de door de raad vastgestelde kosten en de gedetailleerde toelichting op deze kosten niet gemotiveerd betwist. Het betoog van [appellant sub 3] faalt derhalve.

De raad heeft toegelicht dat bij het opstellen van de exploitatieopzet de inrichting van het gebied nog niet volledig uitgekristalliseerd was en niet tot in detail uitgewerkt. Het peil waarop de gronden moesten worden gebracht voor de uitvoering van het plan was nog niet bekend. Aangezien dit tot aanzienlijke onzekerheid over de kosten leidde, is in de raming een percentage van 20% van de geraamde kosten bovenop deze kosten gehanteerd. Inmiddels is het inrichtingsplan en het te hanteren peil bekend. Bij de op grond van artikel 6.15 van de Wro verplichte jaarlijkse herziening zal de raming naar aanleiding van de actuele gegevens en de daadwerkelijk gerealiseerde kosten en opbrengsten worden herzien.

24.2. Gelet op de onzekerheid over de invulling van de uitvoering heeft de raad in redelijkheid een percentage van 20% van de geraamde kosten bovenop deze kosten kunnen hanteren. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat bij de jaarlijkse herziening deze post zal worden aangepast naar aanleiding van de actuele gegevens en de daadwerkelijk gemaakte kosten en opbrengsten.

Raming kosten - Kosten buiten het exploitatiegebied (artikel 6.2.4, onder e, van het Bro)

25. [appellanten sub 1] betogen dat de kosten buiten het exploitatiegebied, als bedoeld in artikel 6.2.4, aanhef en onder e, van het Bro te hoog zijn geraamd. Zij betogen dat uit het voor het voorontwerp van het plan opgestelde rapport van Bureau Waardenburg blijkt dat een herinrichting mogelijk is waarvoor de kosten voor de herinrichting inclusief de groene wig richting Hoppenbrouwers en de aansluiting van Dommelen op het Dommeldal geraamd werden op € 387.933,- (€ 766.933,- minus de kosten van het vastgoed van € 379.000,-). Deze kosten bedragen volgens de exploitatieopzet nu € 787.865 en daarnaast € 464.000,- voor de onder 6.2.4 c op blz. 4 van Deel B - bijlage 1 opgenomen post voor de groene wig richting Hoppenbrouwers. Zij betogen dat niet gemotiveerd is waarom de raad thans uitgaat van het inrichtingsplan Bert Huls en de op grond van dat plan berekende kosten. De raming van Bert Huls is ten onrechte uitgegaan van de herinrichting van 60 ha groen terwijl dit 35 ha moet zijn, aldus [appellante sub 1 A] en [appellante sub 1 B].

25.1. De raad stelt dat de kosten zijn geraamd op basis van het inrichtingsplan van Bert Huls dat als bijlage 3 bij deel C van de exploitatieplannen is opgenomen. De raad heeft een gedetailleerde kostenraming als bijlage 2 bij het verweerschrift gevoegd. In de voorbereiding van het ontwerpbestemmingsplan heeft de raad besloten het inrichtingsplan dat door Bureau Waardenburg in het kader van het voorontwerpbestemmingsplan is opgesteld niet te volgen maar een nieuw inrichtingsplan op te laten stellen door Bert Huls. Aanleiding hiervoor was dat het plan van Bureau Waardenburg volgens de raad niet voldeed aan de op grond van de Verordening Ruimte 2012 vereiste integratie stad - land. De compensatiemaatregelen dienden een groter gebied te betreffen dan waarvan Bureau Waardenburg was uitgegaan en de raad wenste het inrichtingsgebied aan te laten sluiten op het omliggende gebied. In het plan van Bureau Waardenburg ontbraken de maatregelen voor de overgang van Hoppenbrouwers en Weegbree naar het Dommeldal. Daarnaast was de ligging in dat plan van de poelen in het hoge gedeelte gelegen, hetgeen niet uitvoerbaar was, aldus de raad. In het inrichtingsplan van Bert Huls is het hele gebied tussen de gemeentegrens in het noorden en de Tienerdreef in het zuiden bekeken, maar de kosten van de compensatiemaatregelen zijn beperkt tot de oppervlakte van het bestemmingsplan "Dommelkwartier", aldus de raad.

25.2. [appellanten sub 1] hebben geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waarom het inrichtingsplan van Bert Huls niet zou voldoen, maar hebben volstaan met het verwijzen naar het eerdere inrichtingsplan van Bureau Waardenburg en de daarin geraamde kosten. De raad heeft het plan gebaseerd op het inrichtingsplan van Bert Huls en niet op het inrichtingsplan van Bureau Waardenburg. De raad heeft toegelicht dat het inrichtingsplan van Bert Huls weliswaar ziet op een groter gebied dan het plangebied, maar dat de kosten alleen voor de herinrichting binnen het plangebied zijn geraamd. Het betoog dat de kosten voor een te grote oppervlakte zijn geraamd, faalt derhalve. [appellanten sub 1] hebben voor het overige niet onderbouwd welke kosten in de raming op grond van het inrichtingsplan van Bert Huls niet juist of te hoog zijn. Nu het inrichtingsplan van Bureau Waardenburg niet ten grondslag ligt aan het bestemmingsplan, biedt de kostenraming voor de uitvoering van dat inrichtingsplan, wat daar ook van zij, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de kostenraming voor de inrichting van het Dommeldal volgens het inrichtingsplan van Bert Huls niet juist is. De raad heeft in redelijkheid de kostenraming op grond van het inrichtingsplan van Bert Huls in de exploitatieopzet kunnen opnemen.

Raming kosten - Plankosten

26. [appellant sub 3] betoogt dat de kosten voor het gemeentelijk apparaat, als bedoeld in artikel 6.2.4, onder j, van het Bro en de plankosten te hoog zijn en niet in verhouding met het project. Ook zijn deze kosten volgens hem niet lineair over beide fases verdeeld. Hij stelt dat het gehanteerde uurtarief van € 120,- voor de plankosten te hoog is. [appellanten sub 1] betogen dat de raad bij de berekening van de plankosten voor het exploitatiegebied "Weegbree" ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat zelfrealisatie plaats zal vinden en de gronden in eigendom zijn van dezelfde eigenaren. Daardoor is een te groot aantal te verwerven percelen opgenomen in de plankostenscan. Dit strookt niet met de "Handreiking regeling plankosten exploitatieplan" van M.E. Krul en B.A.P.M. van Hoek, waarin vermeld staat dat dient te worden uitgegaan van het daadwerkelijk aantal te verwerven percelen.

26.1. De raad stelt dat de gemeentelijke apparaatskosten en de plankosten zijn geraamd op basis van het ontwerp van de ministeriële regeling plankosten exploitatieplan (hierna: de ontwerpregeling). Met de ontwerpregeling worden de kosten voor de planvoorbereiding, planbegeleiding en planuitvoering geraamd. De uurtarieven zijn onderdeel van de ontwerpregeling. De raad acht de uitkomsten van de plankostenscan redelijk en niet ongebruikelijk. De raad zal bij de herziening van het exploitatieplan indien daarvoor aanleiding bestaat de raming van de kosten herzien of vervangen door de daadwerkelijk gerealiseerde kosten. De raad heeft er voor gekozen deze kosten lineair in de fasering op te nemen omdat dit het beste overeenkomt met de daadwerkelijke uitvoering. De raad heeft de tien onbebouwde kadastrale percelen, die in het exploitatiegebied "Weegbree" liggen als te verwerven percelen in de berekening van de plankosten meegenomen. Voor het exploitatiegebied "Hoppenbrouwers" heeft de raad 1 perceel meegenomen. Hiervoor heeft de raad gekozen voor het geval deze percelen bij ontbinding van de anterieure overeenkomst alsnog moeten worden verworven en ingeval deze percelen voor het realiseren van openbare ruimte deels aangekocht moeten worden. De raad stelt dat als op de gronden zelfrealisatie plaatsvindt de op grond van artikel 3 van de ontwerpregeling geraamde kosten op grond van artikel 7 van de ontwerpregeling verrekend moeten worden met de exploitatiebijdrage. [appellanten sub 1] worden derhalve niet benadeeld, aldus de raad.

26.2. Ingevolge artikel 6.2.4 van het Bro worden tot de kosten, bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, ten tweede, van de Wro, gerekend de ramingen van:

g. de kosten van voorbereiding en toezicht op de uitvoering, verband houdende met de aanleg van de voorzieningen en werken, bedoeld onder a tot en met f, en in artikel 6.2.3, onder c en d;

h. de kosten van het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen ten behoeve van het exploitatieplangebied;

i. de kosten van het opzetten en begeleiden van gemeentelijke ontwerpcompetities en prijsvragen voor het stedenbouwkundig ontwerp van de locatie, en de kosten van vergoedingen voor deelname aan de prijsvraag;

j. de kosten van andere door het gemeentelijke apparaat in opdracht van de gemeente te verrichten werkzaamheden, voor zover deze werkzaamheden rechtstreeks verband houden met de in dit besluit bedoelde voorzieningen werken, maatregelen en werkzaamheden.

Ingevolge artikel 6.2.6 van het Bro kunnen met betrekking tot de kostensoorten, bedoeld in artikel 6.2.4, onder g tot en met j, bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot de hoogte en de begrenzing van de via het exploitatieplan verhaalbare kosten. Bij deze regels kan een onderscheid worden gemaakt naar type locatie en de aard en omvang van een project.

Het ontwerp van de ministeriële regeling Regeling plankosten exploitatieplan, waarmee uitvoering wordt gegeven aan artikel 6.2.6 van het Bro, is op 18 januari 2010 gepubliceerd.

26.3. Gelet op de omstandigheid dat ten tijde van de vaststelling van het exploitatieplan de plankostenscan slechts in ontwerp was vastgesteld, was de raad niet gehouden dit ontwerp toe te passen. Wel dienen de plankosten met de vereiste zorgvuldigheid te worden geraamd. In onderhavig geval heeft de raad hiervoor de in ontwerp vastgestelde plankostenscan gebruikt. [appellant sub 3] heeft niet onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat de uitgangspunten die voor de plankostenraming gehanteerd zijn, waaronder de keuze van de raad om de kosten lineair in de fasering op te nemen, niet redelijk zijn. De raad heeft mede gelet op het systeem van afdeling 6.4 van de Wro dat uitgaat van de fictie dat de gemeente alle gronden in het exploitatiegebied verwerft, bouwrijp maakt en vervolgens de in dat kader aangekochte bouwkavels verkoopt, in redelijkheid de tien onbebouwde kadastrale percelen in het exploitatiegebied "Weegbree" en het perceel in het exploitatiegebied "Hoppenbrouwers" als te verwerven percelen mee kunnen nemen voor het geval deze alsnog moeten worden verworven of ingeval deze percelen gedeeltelijk aangekocht moeten worden voor het realiseren van openbare ruimte. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad als op de gronden zelfrealisatie plaatsvindt de ontwerpregeling toe zal passen en de op grond van artikel 3 van de ontwerpregeling geraamde plankosten zal verrekenen met de exploitatiebijdrage. De betogen van [appellant sub 3] en [appellanten sub 1] falen.

27. [appellant sub 3] betoogt dat gelet op de economische crisis niet een rentepercentage van 4% en een opbrengstenstijging van 0% moet worden gehanteerd, maar voor de rente het in de markt gebruikelijke rentepercentage zou moeten worden gehanteerd en gerekend moet worden met een waardedaling van de gronden van 6%.

27.1. De raad heeft voor de opbrengststijging van bouwrijpe gronden aansluiting gezocht bij de transacties van gronden in Valkenswaard in de periode 2009-2012. Op grond daarvan is een opbrengststijging van 0% vastgesteld. Het opnemen van rentekosten en renteopbrengsten van 4% betreft bestendig gemeentelijk financieel beleid voor bouwgrondexploitaties, aldus de raad.

27.2. [appellant sub 3] heeft de door hem veronderstelde waardedaling van de bouwrijpe gronden met 6% niet nader onderbouwd. Gelet op de onderbouwing door de raad met gegevens van 2009 tot 2012 ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een opbrengstenstijging van 0% heeft kunnen hanteren. [appellant sub 3] heeft niet onderbouwd waarom de raad in afwijking van het bestendig financieel beleid een ander rentepercentage had moeten hanteren. De enkele niet nader onderbouwde stelling dat in verband met de economische crisis de nominale waarde moet worden gehanteerd is daarvoor niet voldoende. Het betoog van [appellant sub 3] faalt.

Raming opbrengsten

28. [appellanten sub 1] betogen dat de dierenweide en de volkstuintjes ten onrechte niet zijn opgenomen als opbrengst voor de uitgifte van gronden als bedoeld in artikel 6.2.7, onder a, van het Bro, terwijl voor deze gronden wel opbrengsten uit huur worden verkregen.

28.1. De raad stelt dat deze gronden niet binnen het exploitatiegebied liggen en derhalve ook niet als opbrengst als bedoeld in artikel 6.2.7, onder a, van het Bro kunnen worden aangemerkt.

28.2. Ingevolge artikel 6.2.7, aanhef en onder a, van het Bro worden tot de opbrengsten van de exploitatie, bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, ten derde, van de Wro, gerekend de ramingen van de opbrengsten van uitgifte van de gronden in het exploitatiegebied.

28.3. Nu de dierenweide en de volkstuinen niet in het exploitatiegebied liggen, kan de raming van de opbrengsten van de uitgifte van deze gronden niet als opbrengst van de exploitatie worden gerekend. Het betoog faalt.

Berekening exploitatiebijdrage

Basiseenheden exploitatiebijdrage

29. [appellant sub 3] richt zich tegen de vaststelling van de basiseenheid voor het bepalen van de exploitatiebijdrage "vierkante meters’. Hij betoogt dat de uit te geven kavels of woningen als basiseenheid moeten worden gehanteerd. Hij stelt dat een dergelijke berekening beter overeenkomt met het criterium dat de gronden in het plan profijt moeten hebben van de werken, werkzaamheden en maatregelen uit artikel 6.13, zesde lid, van de Wro.

29.1. De raad stelt dat het criterium profijt uit artikel 6.13, zesde lid, van de Wro niet van toepassing is op het bepalen van de exploitatiebijdrage als bedoeld in artikel 6.18 van de Wro, maar ziet op de toedeling van de kosten aan het gehele exploitatiegebied. De raad stelt dat het rekenen met de basiseenheid ‘vierkante meters’ en de gewichtsfactor ‘uitgifteprijs per vierkante meter’ overeenkomt met de "Handreiking Grondexploitatiewet" uit 2010, waarin staat dat de toedeling van de kosten plaatsvindt aan de hand van de verhouding tussen de gehanteerde uitgifteprijzen. Aan de gronden die de hoogste uitgifteprijs hebben, worden de hoogste kosten toegerekend, aldus de raad.

29.2. Ingevolge artikel 6.13, zesde lid, van de Wro worden de kosten in verband met werken, werkzaamheden en maatregelen, waarvan een exploitatiegebied of een gedeelte daarvan profijt heeft, en welke toerekenbaar zijn aan het exploitatieplan naar evenredigheid opgenomen in de exploitatieopzet.

Ingevolge artikel 6.18, eerste lid, worden ten behoeve van het bepalen van de exploitatiebijdrage in het exploitatieplan uitgiftecategorieën vastgesteld. Zo nodig wordt daarbinnen een verder onderscheid aangebracht.

Ingevolge het tweede lid wordt per onderscheiden categorie een basiseenheid vastgesteld in een hoeveelheid vierkante meters grondoppervlakte, een hoeveelheid vierkante meters vloeroppervlakte, of een andere hiermee vergelijkbare maatstaf.

Ingevolge het derde lid worden door elke basiseenheid te vermenigvuldigen met een per categorie vastgestelde gewichtsfactor gewogen eenheden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid worden de gewogen eenheden in het exploitatiegebied bij elkaar opgeteld.

Ingevolge het vijfde lid is het verhaalbare bedrag per gewogen eenheid het ten hoogste verhaalbare bedrag, bedoeld in artikel 6.16, gedeeld door het overeenkomstig het vierde lid berekende aantal.

29.3. De criteria profijt, toerekenbaarheid en evenredigheid zien op de toedeling van kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen aan het exploitatiegebied als geheel. Het criterium profijt komt bij het bepalen van de exploitatiebijdrage als bedoeld in artikel 6.18 van de Wro derhalve niet aan de orde.

De hoeveelheid vierkante meters grondoppervlakte wordt als mogelijke basiseenheid vermeld in artikel 6.18, tweede lid, van de Wro. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid overeenkomstig artikel 6.18, tweede lid van de Wro de hoeveelheid vierkante meters grondoppervlakte als basiseenheid heeft kunnen hanteren. Het betoog faalt

Verrekening kosten van werkzaamheden

30. [appellanten sub 1] betogen dat zij niet kunnen nagaan welke door hen zelf gemaakte kosten, zoals de kosten voor onderzoek en verwervingskosten, aftrekbaar zijn van de exploitatiebijdrage omdat de kosten in de exploitatieopzet niet genoeg zijn gespecificeerd. De raad stelt volgens hen daarnaast ten onrechte dat voor de gronden in openbaar gebied geen bijkomende kosten in aftrek kunnen worden gebracht.

30.1. De raad stelt dat de kosten voor verwerving van de gronden als bedoeld in artikel 6.2.3, aanhef en onder c, van het Bro zijn gespecificeerd op blz. 12 van de beide exploitatieplannen onder het kopje "kosten vrijmaken grond van rechten e.d." en in bijlage 1 van deel B. Het bedrag is gesteld op 2% van de getaxeerde inbrengwaarde van de gronden, hetgeen een normaal bedrag is voor de kosten van de notaris en de levering van de gronden. De raad stelt dat de vergoedingen voor zelf verrichte werkzaamheden nog niet zijn verwerkt in het exploitatieplan omdat deze nog niet beoordeeld waren ten tijde van de vaststelling van het plan. Of en in hoeverre zelfgemaakte kosten in aftrek van de exploitatiebijdrage kunnen worden gebracht, wordt beoordeeld bij het vaststellen van de exploitatiebijdrage indien een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, aldus de raad.

30.2. Ingevolge artikel 6.19, aanhef en onder a en b, van de Wro wordt de exploitatiebijdrage voor een omgevingsvergunning berekend door het bedrag, dat is berekend door het aantal gewogen eenheden te vermenigvuldigen met het verhaalbare bedrag per gewogen eenheid, te verminderen met de inbrengwaarde van de in de vergunningaanvraag bedoelde gronden en de kosten die in verband met de exploitatie van de betreffende gronden door de aanvrager zijn gemaakt. Voor zover [appellanten sub 1] betogen dat onduidelijk is welke kosten die zij reeds gemaakt hebben in aftrek van een eventueel verschuldigde exploitatiebijdrage kunnen worden gebracht, overweegt de Afdeling dat de hoogte van de aftrek die ingevolge artikel 6.19 van de Wro kan worden toegepast, wordt vastgesteld bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een krachtens artikel 6.12 van de Wro aangewezen bouwplan. De beoordeling of de door [appellanten sub 1] zelf gemaakte kosten in aanmerking komen voor aftrek van de exploitatiebijdrage dient in dat kader plaats te vinden en valt in zoverre buiten de onderhavige procedure. De beoordeling of en in hoeverre de bijkomende kosten voor de verwerving van de gronden voor openbaar gebied in aanmerking komen voor aftrek, dient eveneens in het kader van de verlening van een omgevingsvergunning plaats te vinden.

Het betoog van [appellanten sub 1] faalt.

Conclusie en proceskosten

31. De beroepen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] zijn gegrond. Het besluit van 31 januari 2013 dient te worden vernietigd, voor zover het betreft de deelgebieden "Hoppenbrouwers" en "Weegbree", zoals aangeduid op de bij deze uitspraak als kaart 1 gevoegde afbeelding. en voor zover bij het besluit van 31 januari 2013 de exploitatieplannen "Hoppenbrouwers" en "Weegbree" zijn vastgesteld.

32. De raad dient ten aanzien van Vereniging Bewust Ongerust en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Van proceskosten van [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], de vereniging Vereniging Bewust Ongerust en anderen en [appellant sub 3] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Valkenswaard van 31 januari 2013, kenmerk 12raad00635, voor zover het betreft:

a. de vaststelling van het plan, wat betreft de deelgebieden "Hoppenbrouwers" en "Weegbree" zoals aangeduid op de bij deze uitspraak als kaart 1 gevoegde afbeelding;

b. de vaststelling van de exploitatieplannen "Hoppenbrouwers" en "Weegbree";

III. draagt de raad van de gemeente Valkenswaard op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II, onder a, wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Valkenswaard tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging Bewust Ongerust en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 986,68 (zegge: negenhonderdzesentachtig euro en achtenzestig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de raad van de gemeente Valkenswaard aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor [appellanten sub 1], € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de vereniging Vereniging Bewust Ongerust en anderen en € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 3] vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Rietberg, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Rietberg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013

725.