Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1571

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
201303717/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2013 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en tegen haar een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201303717/1/V2.

Datum uitspraak: 9 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 15 april 2013 in zaak nr. 13/8568 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2013 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en tegen haar een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 april 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling klaagt in de enige grief dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. Bij brief van 28 maart 2013 heeft de vreemdeling beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het besluit van 21 maart 2013.

Bij faxbericht van 2 april 2013 heeft de rechtbank de vreemdeling meegedeeld dat het beroep met toepassing van artikel 8:52 van de Awb versneld zal worden behandeld, dat het beroepschrift geen gronden bevat, dat geen kopie van het bestreden besluit is overgelegd, dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld de gronden van het beroep en een kopie van het bestreden besluit ten minste twee werkdagen voor de zitting over te leggen en dat, indien niet binnen de gestelde termijn van die gelegenheid gebruik wordt gemaakt, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

Bij faxbericht van 4 april 2013 heeft de vreemdeling de gronden van het beroep ingediend.

3. Ingevolge artikel 8:52 van de Awb kan de rechtbank, indien de zaak spoedeisend is, bepalen dat deze versneld wordt behandeld.

Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift in afwijking van artikel 6:7 van de Awb vier weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.

4. In dit geval is de termijn voor het indienen van een beroepschrift op 18 april 2013 geëindigd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 januari 2013 in zaak nr. 201208736/1/V3), kan deze termijn niet met toepassing van artikel 8:52 van de Awb worden verkort. De vreemdeling heeft het beroepschrift, de gronden van het beroep en een kopie van het bestreden besluit derhalve tijdig ingediend. Door de vreemdeling is daarmee voldaan aan de vereisten vermeld in artikel 6:5, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De grief slaagt reeds hierom.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

6. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 15 april 2013 in zaak nr. 13/8568;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro) en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, ambtenaar van staat.

w.g. Verheij w.g. Bosma

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2013

572-795