Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1568

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
201301829/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:383, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [wederpartij] over 2010 toegekende voorschot huurtoeslag definitief op nihil vastgesteld en € 2.476,00 aan teveel betaalde voorschotten van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201301829/1/A2.

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 januari 2013 in zaak nr. 12/7907 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [wederpartij] over 2010 toegekende voorschot huurtoeslag definitief op nihil vastgesteld en € 2.476,00 aan teveel betaalde voorschotten van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 5 juli 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 januari 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de toeslag op € 2.476,00 vastgesteld en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Met toestemming van partijen heeft de Afdeling afgezien van behandeling van de zaak ter zitting en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht) wordt onder meerpersoonshuishouden verstaan: het huishouden van een huurder die samen met diens partner of een of meer medebewoners een woning bewoont, als het aandeel in het rekeninkomen, afkomstig van personen die op 1 januari van het berekeningsjaar 65 jaar of ouder zijn, de helft of minder bedraagt.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, bedraagt het norminkomen bij een meerpersoonshuishouden € 29.125,00.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, wordt geen huurtoeslag toegekend als het rekeninkomen meer bedraagt dan het norminkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of b.

Ingevolge artikel 2a, eerste lid, van het Besluit op de huurtoeslag (hierna: Bht) blijft voor de toepassing van artikel 2 van de Wht, van artikel 7 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) en de op die artikelen berustende bepalingen, voor zover het het toekennen van een huurtoeslag betreft, een partner of medebewoner op verzoek buiten beschouwing, indien sprake is van een verzorgingsbehoefte bij de huurder, diens partner of een medebewoner.

Ingevolge het tweede lid geldt het eerste lid uitsluitend ten aanzien van de partner of medebewoner die met het oog op de verzorgingsbehoefte van de huurder of van hemzelf op hetzelfde woonadres als de huurder staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en is van toepassing, indien;

a. de verzorgingsbehoefte, als bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, uit een verklaring van een indicatieorgaan blijkt;

b. het voordeel uit sparen en beleggen, als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, over het berekeningsjaar van de in het eerste lid bedoelde buiten beschouwing te laten persoon, niet meer dan € 3.751,00 bedraagt, en

c. het gezamenlijke toetsingsinkomen van de huurder, diens partner en de medebewoners, met inbegrip van de in het eerste lid bedoelde buiten beschouwing te laten persoon niet meer dan € 41.150,00 bedraagt.

2. Op 23 februari 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen [wederpartij] medegedeeld dat haar twee kinderen bij de berekening van de huurtoeslag over 2007, 2008 en 2009 buiten beschouwing worden gelaten, omdat uit een verklaring van het Centrum indicatiestelling zorg (hierna: CIZ) blijkt van een verzorgingsbehoefte tot en met 31 juli 2013.

Bij besluit van 13 april 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan [wederpartij] over 2010 een voorschot van € 2.476,00 verleend. Uitgaande van de verzorgingsbehoefte van haar twee kinderen en een gezamenlijk verzamelinkomen van € 40.388,00, zijn de kinderen bij de berekening van het voorschot buiten beschouwing gelaten.

Aan het besluit van 8 juni 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat niet langer wordt voldaan aan de vereisten om de kinderen van [wederpartij] bij de berekening van de huurtoeslag over 2010 buiten beschouwing te laten, nu het over dat jaar vastgestelde gezamenlijke verzamelinkomen € 43.142,00 bedraagt.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen met het besluit van 23 februari 2010 bij [wederpartij] het rechtens te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat haar kinderen ook bij de berekening van de huurtoeslag over 2010 buiten beschouwing zullen worden gelaten, nu daarin aansluiting is gezocht bij een tot en met 31 juli 2013 geldende verklaring van het CIZ dat de kinderen een verzorgingsbehoefte hebben. Dat geldt te meer, omdat het voorschot huurtoeslag op basis van een gezamenlijk verzamelinkomen van € 40.388,00 is verleend, welk bedrag ingevolge artikel 14, derde lid, aanhef en onder a, van de Wht geen aanspraak op huurtoeslag geeft, aldus de rechtbank.

4. Niet in geschil is dat het gezamenlijke verzamelinkomen van het meerpersoonshuishouden van [wederpartij] meer dan € 41.150,00 bedraagt, zodat niet is voldaan aan de in artikel 2a, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bht gestelde eis om medebewoners buiten beschouwing te laten.

5. De Belastingdienst/Toeslagen betoogt met juistheid dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [wederpartij] aan het besluit van 23 februari 2010 het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat haar kinderen ook bij de berekening van de huurtoeslag over 2010 buiten beschouwing zouden worden gelaten. Uit dat besluit kan slechts worden afgeleid dat in 2010 aan de eis dat zich blijkens een verklaring van het CIZ een verzorgingssituatie voordoet wordt voldaan. Daaraan kan niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderen van [wederpartij] bij de berekening van de huurtoeslag over 2010 buiten beschouwing zou laten, indien het gezamenlijke verzamelinkomen meer dan € 41.150,00 bedraagt.

De Belastingdienst/Toeslagen betoogt evenzeer terecht dat hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat het voorschot op basis van het op dat moment bekende gezamenlijke verzamelinkomen van € 40.388,00 is verleend, nu dat inkomen beneden de € 41.150,00 ligt en derhalve niet aan het buiten beschouwing laten van de kinderen in de weg stond. Daar komt bij dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 19 december 2012 in zaak nr. 201201769/1/A2), uit de Awir voortvloeit dat aan de toekenning van een voorschot geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou hebben behoren te doen, zal de Afdeling het tegen het besluit van 5 juli 2012 ingestelde beroep ongegrond verklaren.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 januari 2013 in zaak nr. 12/7907;

III. verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Krokké

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013

686.