Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1561

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
201306001/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 66a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/123 met annotatie van Marina den Houdijker
JV 2013/407
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306001/1/V4.

Datum uitspraak: 9 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 20 juni 2013 in zaak nr. 12/31609 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 juni 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover het is gericht tegen het terugkeerbesluit, niet-ontvankelijk verklaard en de zaak voor zover deze betrekking heeft op het inreisverbod, onder gegrondverklaring van het daartegen ingestelde beroep, verwezen naar de Afdeling. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Hetgeen als eerste grief is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

3. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat, nu het inreisverbod is uitgevaardigd vóór 1 januari 2013, de aangevallen uitspraak op dit punt moet worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dit gold vóór inwerkingtreding van deze wet.

4. In de tweede grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank de zaak, voor zover deze betrekking heeft op het inreisverbod, ten onrechte heeft verwezen naar de Afdeling. Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank miskend dat de daarmee beoogde concentratie van rechtsmiddelen bedoeld in de uitspraak van 15 juni 2012 in zaak nr. 201203301/1/V3 niet meer kon worden bereikt, aangezien de Afdeling het hoger beroep in de verblijfsprocedure inmiddels had afgedaan.

4.1. Bij besluit van 27 februari 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Bij uitspraak van 14 augustus 2012 heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling op 11 september 2012 hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 19 december 2012 in zaak nr. 201208933/1/V4 heeft de Afdeling voormelde uitspraak van 14 augustus 2012 bevestigd.

4.2. Uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2012 volgt dat in die gevallen waarin de staatssecretaris een inreisverbod uitvaardigt gedurende het aanhangig zijn van (hoger) beroep tegen een besluit betreffende een verblijfsvergunning, het (hoger) beroep daartegen ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb (gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet) moet worden geacht mede een beroep tegen het inreisverbod te omvatten.

4.3. Gelet op voormelde uitspraak is voor de vraag of van rechtswege een beroep tegen een - al dan niet bij separaat besluit uitgevaardigd - inreisverbod is ontstaan en, zo ja, welke instantie bevoegd is van dat beroep kennis te nemen, de situatie ten tijde van het uitvaardigen van dat inreisverbod bepalend. Nu, zoals blijkt uit hetgeen onder 4.1. is overwogen, ten tijde van het besluit van 18 september 2012 bij de Afdeling een hoger beroep van de vreemdeling in een verblijfsprocedure aanhangig was, is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat dit hoger beroep moet worden geacht mede een beroep tegen het inreisverbod van 18 september 2012 te omvatten en heeft zij de zaak in zoverre terecht verwezen naar de Afdeling.

De grief faalt.

5. Ambtshalve overweegt de Afdeling nog het volgende.

5.1. Nu de rechtbank de zaak voor zover deze betrekking heeft op het inreisverbod terecht heeft verwezen naar de Afdeling, heeft zij, door tevens het beroep tegen het inreisverbod gegrond te verklaren en aldus op dit beroep te beslissen, een onjuiste toepassing gegeven aan artikel 6:19 van de Awb. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, biedt de uitspraak van 25 juli 2012 in zaak nr. 201202934/1/V3 hiervoor geen steun.

6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, doch uitsluitend voor zover de rechtbank het beroep tegen het inreisverbod gegrond heeft verklaard. De uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

7. De Afdeling zal hierna het van rechtswege ontstane beroep tegen het inreisverbod beoordelen. Daarbij worden de bij de rechtbank ingediende beroepsgronden en het in eerste aanleg uitgebrachte verweerschrift betrokken.

8. De vreemdeling betoogt dat, nu in het besluit van 18 september 2012 niet is gespecificeerd of het inreisverbod krachtens artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 dan wel krachtens artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is uitgevaardigd, het besluit een wettelijke grondslag mist.

8.1. Onder verwijzing naar de hiervoor onder 4. vermelde uitspraak van 15 juni 2012 overweegt de Afdeling dat de staatssecretaris het inreisverbod bij separaat besluit van 18 september 2012 heeft uitgevaardigd. Het inreisverbod is in dit geval dan ook niet verbonden aan de in het besluit van 18 september 2012 vervatte opdracht de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, maar aan het terugkeerbesluit dat is vervat in het in voormelde procedure in zaak nr. 201208933/1/V4 voorliggende besluit van 27 februari 2012. Dit leidt tot de conclusie dat het inreisverbod is gebaseerd op artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Dat in het besluit is volstaan met de vermelding dat het inreisverbod krachtens artikel 66a, eerste lid, van de Vw 2000 is uitgevaardigd, kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat het besluit een wettelijke grondslag mist.

De beroepsgrond faalt.

9. Daarnaast betoogt de vreemdeling dat de staatssecretaris het inreisverbod onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Daartoe voert de vreemdeling aan dat de staatssecretaris hem tijdens het gehoor bij het inreisverbod onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld bijzondere individuele omstandigheden naar voren te brengen die aanleiding kunnen geven tot afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod dan wel tot het uitvaardigen van een inreisverbod voor een kortere duur dan twee jaar, nu aan hem geen specifiek daarop gerichte vragen zijn gesteld. Voorts wijst de vreemdeling er op dat slechts een korte tijd is verstreken tussen het afnemen van het gehoor en het uitvaardigen van het inreisverbod.

9.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 15 juni 2012 in zaken nrs. 201201202/1/V4 en 201202257/1/V3), vloeit uit artikel 4:8, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 11, tweede lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn), voort dat de staatssecretaris de betrokken vreemdeling in de gelegenheid moet stellen om bijzondere individuele omstandigheden, in verband waarmee volgens die vreemdeling aanleiding zou bestaan om af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod dan wel voor een verdere verkorting van de duur van het inreisverbod, aan te voeren.

9.2. Blijkens het op 18 september 2012 op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van gehoor bij het inreisverbod (hierna: het proces-verbaal), waarnaar de staatssecretaris in het besluit van dezelfde dag heeft verwezen, is de vreemdeling geïnformeerd over het tegen hem uit te vaardigen inreisverbod en de gevolgen daarvan, is hij erop gewezen dat op grond van bijzondere individuele omstandigheden van het uitvaardigen van een inreisverbod kan worden afgezien dan wel dat de duur daarvan kan worden verkort, dat het aan hem is dergelijke omstandigheden aan te voeren en hij daartoe thans in de gelegenheid wordt gesteld.

9.3. Gelet op het vorenstaande heeft de staatssecretaris de vreemdeling voldoende in de gelegenheid gesteld vorenbedoelde individuele omstandigheden aan te voeren. Dat tijdens het gehoor geen specifiek daarop gerichte vragen zijn gesteld en slechts een korte tijd is verstreken tussen het afnemen van het gehoor en het uitvaardigen van het inreisverbod is op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat de staatssecretaris het inreisverbod niet zorgvuldig heeft voorbereid.

De beroepsgrond faalt.

10. De vreemdeling betoogt voorts dat het gehoor ten onrechte niet in het bijzijn van zijn gemachtigde heeft plaatsgevonden.

10.1. De Afdeling overweegt onder verwijzing naar de onder 9.1. vermelde uitspraak van 15 juni 2012 in zaak nr. 201202257/1/V3 dat een gehoor bij terugkeerbesluit en inreisverbod op zichzelf niet noodzakelijkerwijs in aanwezigheid van een rechtsbijstandverlener hoeft plaats te vinden. Gelet hierop en nu de vreemdeling voldoende in de gelegenheid is gesteld tijdens het gehoor van 18 september 2012 individuele omstandigheden naar voren te brengen, bestaat in dit geval geen grond voor het oordeel dat dat gehoor ten onrechte niet in aanwezigheid van zijn gemachtigde heeft plaatsgevonden.

De beroepsgrond faalt.

11. De beroepsgrond dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij een inreisverbod voor de duur van twee jaar heeft uitgevaardigd, faalt evenzeer.

Zoals de Afdeling in de onder 9.1. vermelde uitspraken van 15 juni 2012 heeft overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de benadering van de staatssecretaris, waarin hij - behoudens het geval dat zich omstandigheden als bedoeld in het tweede tot en met het zesde lid van artikel 6.5a van het Vreemdelingenbesluit 2000 dan wel bijzondere individuele omstandigheden voordoen - een inreisverbod voor twee jaar oplegt, in strijd is met de tekst of strekking van de Terugkeerrichtlijn.

12. De vreemdeling betoogt tot slot dat de staatssecretaris ten onrechte in de door hem naar voren gebrachte individuele omstandigheden geen aanleiding heeft gevonden af te zien van het uitvaardigen van het inreisverbod dan wel de duur van het inreisverbod te verkorten en zijn standpunt daarover onvoldoende heeft gemotiveerd.

12.1. Blijkens het proces-verbaal heeft de vreemdeling aangevoerd dat hij in Nederland aan zijn knie is geopereerd, waarbij een schroef is geplaatst die op zijn vroegst na drie jaar moet worden verwijderd. In beroep heeft de vreemdeling voorts aangevoerd dat hij na zijn operatie enige tijd is behandeld met fysiotherapie en dat hij een vervolgoperatie zal moeten ondergaan.

In het proces-verbaal heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat tegen de vreemdeling een inreisverbod voor de duur van twee jaar is uitgevaardigd, zodat de tijdens het gehoor door de vreemdeling naar voren gebrachte omstandigheid, dat de schroef in zijn knie op zijn vroegst na drie jaar moet worden verwijderd, geen aanleiding geeft de duur van het inreisverbod te verkorten dan wel het uitvaardigen van een inreisverbod achterwege te laten. De staatssecretaris heeft zich voorts in het in eerste aanleg uitgebrachte verweerschrift op het standpunt gesteld dat het in beroep aangevoerde daartoe evenmin aanleiding geeft.

12.2. Gelet op de inhoud van het proces-verbaal en het in eerste aanleg uitgebrachte verweerschrift heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de door de vreemdeling naar voren gebrachte omstandigheden geen aanleiding geven af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod dan wel een inreisverbod uit te vaardigen voor een kortere duur dan twee jaar.

De beroepsgrond faalt.

13. Het beroep tegen het inreisverbod is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 20 juni 2013 in zaak nr. 12/31609, voor zover daarbij het beroep tegen het inreisverbod van 18 september 2012 gegrond is verklaard;

III. bevestigt die uitspraak voor het overige;

IV. verklaart het beroep tegen het inreisverbod van 18 september 2012 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Prins

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2013

363-775.