Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:1556

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
201301711/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Vreeland Oost" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Crisis- en herstelwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3202
JOM 2014/411
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301711/1/R6.

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Vreeland, gemeente Stichtse Vecht,

2. [appellante sub 2] gevestigd te [plaats],

3. de vereniging Belangenvereniging Behoud Landelijke Kleizuwe en anderen, gevestigd onderscheidenlijk allen wonend te Vreeland, gemeente Stichtse Vecht (hierna tezamen en in enkelvoud: de BBLK),

en

de raad van de gemeente Stichtse Vecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Vreeland Oost" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellante sub 2] en de BBLK beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1], [appellante sub 2], de BBLK en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1], [appellante sub 2] en de BBLK hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 augustus 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. I.F.M. Kwint, werkzaam bij Arag Rechtsbijstand, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. A. Collignon, advocaat te Amsterdam, en door [medewerker], werkzaam bij [appellante sub 2], de BBLK, vertegenwoordigd door L.W.S. Hoegen Dijkhof en [bestuurslid] van de BBLK, en de raad, vertegenwoordigd door mr. T.J. de Smet, werkzaam bij de gemeente, en door ir. F.B.H. de Bree, werkzaam bij Buro Blauw, ir. B.A. Wilmink, werkzaam bij Delft Infra Advies en ir. M.P. Smits, werkzaam bij de Omgevingsdienst Regio Utrecht, zijn verschenen.

Verder is ter zitting als partij gehoord [belanghebbende] vertegenwoordigd door [gemachtigde].

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Ontvankelijkheid

2. Het beroep van de BBLK is mede ingesteld door [belanghebbende A, belanghebbende B en belanghebbende C].

Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

[belanghebbende A, belanghebbende B en belanghebbende C] hebben geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, in samenhang gelezen met artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die tegen het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van de BBLK, voor zover het is ingesteld door [belanghebbende A, belanghebbende B en belanghebbende C], zal in de einduitspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.1. De BBLK heeft in het beroepschrift te kennen gegeven dat het beroep mede namens [belanghebbende D en belanghebbende E] wordt ingesteld.

2.2. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef, van de Awb wordt een beroepschrift ondertekend. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 kan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.3. [belanghebbende D en belanghebbende E] hebben het beroepschrift niet ondertekend. Bij brief van 22 februari 2013 is de BBLK gewezen op dit verzuim en is zij in de gelegenheid gesteld het te herstellen. Hierbij is vermeld dat, indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk wordt verklaard. De BBLK heeft geen machtiging van [belanghebbende D en belanghebbende E] binnen de aldus gestelde termijn overgelegd waaruit de gestelde vertegenwoordiging blijkt.

Gelet hierop zal het beroep van de BBLK, voor zover dit is ingesteld namens [belanghebbende D en belanghebbende E], in de einduitspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het plan en het toetsingskader

3. Het plan voorziet in de herontwikkeling van het bedrijfsterrein van [belanghebbende]. Het plangebied beslaat ongeveer 5 ha en ligt ten noordoosten van de kern Vreeland. Het bedrijfsterrein zal worden ontwikkeld tot een kleine woonwijk waar in totaal 60 woningen kunnen worden gebouwd.

3.1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3.2. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

In onderdeel 3.1 van bijlage I bij de Chw wordt de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 van de Wro ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied aangemerkt als categorie ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Chw.

Het plan maakt de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied mogelijk zodat ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Chw afdeling 2 van hoofdstuk 1 op het bestreden besluit van toepassing is.

De beroepen van [appellant sub 1] en de BBLK

Aantal woningen

4. De BBLK betoogt dat geen behoefte bestaat aan 60 nieuwe woningen en wijst daarbij op het nieuwbouwproject Croonenburgh in Loenen dat niet zal worden afgebouwd.

De BBLK betoogt verder dat het aantal woningen ten onrechte niet is gebaseerd op ruimtelijke motieven maar op de met [belanghebbende] gesloten overeenkomst en de subsidiemogelijkheden voor de gemeente en dat een kleiner aantal woningen beter past in het Beeldkwaliteitplan.

4.1. De raad stelt dat uit prognoses volgt dat er in Vreeland een woningtekort is en dat derhalve behoefte bestaat aan de woningen.

4.2. In de plantoelichting staat dat het uitgangspunt is dat de in het plan voorziene woningen zowel in de duurdere sector (vrijstaand of twee-onder-een-kap) als in de betaalbare sector (drie- of meer-onder-een-kap woningen) worden gerealiseerd. Voor het gebied is een stedenbouwkundig plan ontwikkeld voor (vooralsnog) 55 woningen, aldus de plantoelichting. Verder staat in de plantoelichting dat het opgestelde stedenbouwkundige plan in beginsel uitgaat van drie typen woonzones, met daarbinnen woningen voor verschillende doelgroepen. In de eerste zone, die aansluit op het landelijke weidegebied, worden uitsluitend vrijstaande woningen op grote kavels gerealiseerd. De tweede zone, aan de zijde van de Oude Vecht en het bedrijfsterrein, zal eveneens voornamelijk vrijstaande woningen bevatten. Er is echter ook voorzien in een aantal tweekappers. De laatste zone vormt de ruggengraat van het gebied. In deze centrale zone worden woningen in een ander segment gerealiseerd. Het gaat dan om woningen met alle voorzieningen op één niveau, patiowoningen, en gezinswoningen.

4.3. Als bijlage bij de plantoelichting is het rapport ‘De woningbehoefte van Stichtse Vecht, onderzoek naar de huidige en toekomstige woningmarktpositie’ van 11 november 2010, opgesteld door bureau Companen, gevoegd. Hierin staat dat het woningtekort in Stichtse Vecht per 1 januari 2010 1.780 woningen betreft. Afhankelijk van de mate waarin men het woningtekort wil inlopen, ligt de woningbehoefte in de periode tot en met het jaar 2030 tussen de 3.400 en 4.300 woningen. Gemiddeld gaat het om 175 woningen per jaar. Tussen 2010 en 2020 is de behoefte met 200 tot 250 woningen per jaar het grootst. Na 2020 neemt de behoefte af naar 130 tot 180 woningen per jaar.

De BBLK heeft de conclusies van dit rapport niet inhoudelijk bestreden. Gelet daarop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit rapport zodanige gebreken of zodanige leemtes in kennis bevat, dat de raad zich er bij de planvaststelling niet op heeft kunnen baseren. De BBLK heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat binnen de gemeente reeds plancapaciteit aanwezig is die in die behoefte voorziet. Verder overweegt de Afdeling met betrekking tot het woningbouwproject Cronenburgh in Loenen dat de raad ter zitting heeft aangegeven dat fase I en fase II van dat project reeds zijn afgerond en dat de laatste fase, fase III, bijna klaar is. Voorts hebben [belanghebbende] en de raad ter zitting aangegeven dat ongeveer 150 mensen interesse hebben getoond voor de woningen in het onderhavige plan.

Gelet op het voorgaande heeft de BBLK niet aannemelijk gemaakt dat geen behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningen.

4.4. Verder overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat hij 60 woningen op een perceel van 5 ha aanvaardbaar vindt omdat met deze woningdichtheid een mooie overgang wordt gecreëerd van het landelijk gebied naar de dorpskern Vreeland. In dit verband wijst de Afdeling op het stedenbouwkundig plan waarin is beschreven dat de woningdichtheid aan de rand van het plangebied lager is dan in de centrale zone. Gelet hierop en op de behoefte aan woningen in Stichtse Vecht heeft de raad, anders dan de BBLK betoogt, het aantal woningen niet gebaseerd op de daarvoor toe te kennen subsidies en de met [belanghebbende] gesloten overeenkomst, maar op ruimtelijke overwegingen. In dit verband heeft de raad verder verwezen naar de omstandigheid dat de overeenkomst met [belanghebbende] in 2010 is gesloten en dat reeds in 2003, in de ruimtelijke visie voor Vreeland Oost, en in de provinciale structuurvisie in 2004 plannen bekend waren voor woningbouw op het perceel.

Verder acht de Afdeling van belang dat de raad bij het bestreden besluit eveneens het Beeldkwaliteitplan Vreeland Oost heeft vastgesteld. Hierin is een kwalitatief toetsingskader voor de toekomstige woningbouw en de inrichting van de openbare ruimte voor Vreeland Oost opgenomen. In het Beeldkwaliteitplan is uitgegaan van de mogelijkheden die het plan biedt. Gelet hierop mist het niet gemotiveerde betoog van de BBLK dat een kleiner aantal woningen beter past in het Beeldkwaliteitplan feitelijke grondslag.

Gemeentelijk beleid

5. De BBLK betoogt verder dat het plan in strijd is met de beleidsregel Sociale Woningbouw omdat de bouwplannen voor de sociale woningen geen doorgang zullen vinden.

5.1. De raad stelt hieromtrent dat binnen het plangebied geen sociale woningbouw zal plaatsvinden maar dat op twee andere locaties in sociale woningbouw zal worden voorzien.

5.2. In de ‘Beleidsregel Sociale Woningbouw, gemeente Loenen’, vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Loenen bij besluit van 12 september 2006, staat dat het gemeentebestuur van de gemeente Loenen als voorwaarde bij de planologische medewerking aan initiatieven voor (vervangende) nieuwbouw van minimaal drie woningen, stelt dat 30% van deze woningen worden gebouwd in de sociale sector. In die gevallen waarin de initiatiefnemer aantoont dat deze regel niet uitvoerbaar is, kan een beroep worden gedaan op een compensatieregeling.

5.3. In de plantoelichting staat dat de gemeente en [belanghebbende] een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten waarin afspraken zijn vastgelegd over de compensatie. De sociale woningbouw ter compensatie van de ontwikkeling van Vreeland-Oost wordt onder meer gerealiseerd door Woningbouwvereniging Vecht en Omstreken aan de Floraweg 26 (voormalige CSV-locatie). In de enkele stelling van de BBLK dat geen sociale woningbouw zou plaatsvinden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met de Beleidsregel Sociale Woningbouw is vastgesteld.

Verkeer en landschap

6. [appellant sub 1] betoogt dat het plan zal leiden tot een verkeersonveilige situatie op de Kleizuwe en tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat ten gevolge van de toename van het verkeer dat zijn woning zal passeren. In dit verband wijst hij erop dat de Kleizuwe een rustige, smalle weg is met een landelijk karakter en met aan weerszijden een sloot met kwetsbare bermen. Verder zijn er onoverzichtelijke bochten, voldoet de breedte van de Kleizuwe niet aan de CROW-normen en is onvoldoende rekening gehouden met het aandeel zwaar verkeer. De extra verkeersbewegingen en de beoogde herinrichtingsmaatregelen tasten verder de landelijke schoonheid van de Kleizuwe aan. Ten slotte is volgens [appellant sub 1] ten onrechte niet voorzien in een tweede ontsluiting van het plangebied en zijn ontsluitingsalternatieven onvoldoende onderzocht.

Ook de BBLK betoogt dat het plan zal leiden tot verkeersonveilige situaties en dat de verkeersonderzoeken zijn gebaseerd op onjuiste uitgangspunten. Zij wijst er in dit verband op dat er ten onrechte van is uitgegaan dat het verkeer slechts over het gedeelte van de Kleizuwe vanaf nummer 105a richting de Raadhuislaan zal rijden en dat dit gedeelte in de huidige situatie ook al overlast geeft. Verder is sprake van sluipverkeer en vindt geen verbetering plaats ten opzichte van de huidige situatie. Het calamiteitenpad is slechts bereikbaar als een paal wordt verwijderd zodat ingeval van een ramp alle bewoners via de Kleizuwe, die daarvoor niet geschikt is, het gebied moeten verlaten. Verder wijst ook de BBLK erop dat volgens haar de voorziene verkeershaven en passeerstroken een aantasting van het landschap vormen, waarbij ze ter zitting uiteen heeft gezet dat ze doelt op de bermen langs de Kleizuwe.

[appellant sub 1] en BBLK hebben beide een rapport van Veilig Verkeer Nederland (hierna: VVN), gedateerd 30 mei 2013, ingebracht om hun beroepsgrond dat het plan zal leiden tot verkeersonveilige situaties, te ondersteunen.

6.1. Volgens de raad volgt uit het uitgevoerde verkeersonderzoek dat de bestaande ontsluitingsweg en het bestaande wegennet, waaronder de Kleizuwe met haar karakteristieke eigenschappen, toereikend is voor het verkeer dat door de toekomstige bewoners van het plangebied wordt gegenereerd. Hetzelfde volgt volgens de raad ook uit een eerder onderzoek waarin nog is uitgegaan van het realiseren van 98 woningen. Er is in de onderzoeken uitgegaan van 9,1 autoritten per woning per etmaal, hetgeen volgens de raad een worstcase scenario is. De intensiteit op het zuidelijke deel van de Kleizuwe blijft onder de 1000 motorvoertuigen (hierna: mvt) per etmaal en dat is acceptabel voor een gemengd gebruik van de rijbaan door motorvoertuigen, fietsers en voetgangers. Verder is rekening gehouden met een aandeel verkeer dat de Kleizuwe richting de Gabriëlweg verkiest en met een aandeel vrachtverkeer. De raad betoogt dat het plan leidt tot een kwaliteitsverbetering omdat het verkeer dat het bedrijf van [belanghebbende] genereerde, zal verdwijnen. Verder zal de raad een aantal verkeersmaatregelen nemen, zoals het instellen van een 30 km/uur zone, de aanleg van een drempel en passeerstroken en zal in de bocht tussen het plangebied en de Raadhuislaan worden gesnoeid en zal er een spiegel worden geplaatst. Een tweede of alternatieve ontsluitingsweg acht de raad niet nodig. Verder stelt de raad dat het calamiteitenpad in geval van nood ook kan worden gebruikt als vluchtroute.

6.2. De verkeersontsluiting van de voorziene woningen is voorzien op de gronden met de bestemming "Verkeer" die in het zuiden van het plangebied grenzen aan de Kleizuwe. De Kleizuwe zelf is niet in het plangebied opgenomen.

6.3. In het kader van het plan is onderzoek gedaan naar de verkeersafwikkeling van de nieuwe woningen. Dit heeft geresulteerd in het rapport ‘Verkeerseffecten bestemmingplan Vreeland-Oost’ van 21 november 2011 van Delft Infra Advies (hierna: het verkeersonderzoek).

In het verkeersonderzoek zijn de volgende conclusies opgenomen. In de huidige situatie kunnen de Kleizuwe, de Raadhuislaan en de N201 de hoeveelheid verkeer zonder problemen verwerken. Dit geldt ook voor de aansluiting en de kruispunten. In de toekomstige situatie levert de ontsluiting van de nieuwbouw in het plan voor de verkeersafwikkeling op de Kleizuwe, de Raadhuislaan en de N201 geen problemen op. Dit geldt zowel voor de aansluiting en de kruispunten als voor de wegvakken, aldus het verkeersonderzoek.

6.4. In het op dit punt onbetwiste deskundigenbericht staat het volgende. De Kleizuwe is een weg die in de huidige situatie buiten de bebouwde kom van Vreeland ligt. De weg loopt van de Gabriëlweg in het oosten, in zuidwestelijke richting naar de bebouwde kom van Vreeland. De Kleizuwe is niet in het onderhavige plan opgenomen. De Kleizuwe is ongeveer 1.550 m lang en mondt in het zuidwesten uit op het kruispunt met de Raadhuislaan. Verder staat in het deskundigenbericht dat de Kleizuwe in zijn huidige voorkomen een landelijk weggetje is met aan weerszijden bomen in de berm. Ter hoogte van de Oude Vecht heeft de Kleizuwe een bocht in de rijloper. Hier heeft de weg zowel aan de noordzijde als aan de zuidzijde veel beplanting die het zicht op de Oude Vecht belemmert. Ook belemmert deze beplanting enigszins het zicht op de rijloper. De weg heeft daar ter plaatse een tamelijk besloten karakter. Verder naar het oosten zijn er nog wel bomen langs de weg, maar er is meer zicht op het omringende agrarische landschap.

Verder staat in het op dit punt onbetwiste deskundigenbericht dat aan de Kleizuwe in het bestemmingsplan "Vreeland" de bestemming "Verkeer" is toegekend en dat deze bestemming op de meeste plaatsen ongeveer 4 m breed is en op enkele plekken 5 m breed. Aan weerszijden van de bestemming "Verkeer" is aan de gronden de bestemming "Groen" toegekend waarbinnen volgens dat plan verhardingen zijn toegelaten.

6.5. Met betrekking tot het aantal extra motorvoertuigen op de Kleizuwe overweegt de Afdeling als volgt.

Het plan voorziet in maximaal 60 nieuwe woningen. In het verkeersonderzoek staat hieromtrent dat het plan landelijk is gelegen en het mogelijk maakt om vrijstaande koopwoningen, twee-onder-een-kap koopwoningen en tussen/hoek koopwoningen te bouwen. Op grond van de CROW-normen ligt de gemiddelde verkeersproductie van dit type woningen op onderscheidenlijk 9,1 mvt per etmaal, 8,7 mvt per etmaal en 8,2 mvt per etmaal. Omdat nog geen definitief stedenbouwkundig plan is vastgesteld en de bewoners van Vreeland zijn aangewezen op voorzieningen elders, is uitgegaan van een maximale verkeersproductie van 9,1 mvt per etmaal voor alle woningen. Het plan genereert derhalve op een gemiddelde werkdag ongeveer 550 mvt per etmaal, aldus het verkeersonderzoek. Verder staat daarin dat een woongebied weinig vrachtverkeer genereert en dat daarom is uitgegaan van één vrachtwagenbeweging per etmaal op een gemiddelde werkdag.

Verder zijn in het kader van het plan tellingen van het huidige verkeer gehouden. Deze hebben plaatsgevonden in de periode van 5 tot en met 11 oktober 2011 en zijn bij de plantoelichting gevoegd als bijlagen 5a tot en met 5d. Uit deze tellingen volgt een gemiddelde etmaalintensiteit van afgerond 250 mvt per etmaal met een werkdaggemiddelde van afgerond 300 mvt per etmaal.

In het deskundigenbericht staat dat in het verkeersonderzoek is uitgegaan van deze intensiteiten en dat daarbij eveneens rekening is gehouden met een aandeel van 10% zwaar verkeer. Anders dan [appellant sub 1] betoogt, is gerekend met tellingen uit 2011 en niet uit 2009 en is rekening gehouden met een aandeel zwaar verkeer, zodat die betogen feitelijke grondslag missen. Verder ziet de Afdeling, gelet op hetgeen in het deskundigenbericht staat, in hetgeen [appellant sub 1] en BBLK hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan is uitgegaan van een te lage verkeersaantrekkende werking. In dit verband wijst de Afdeling erop dat in de gehanteerde CROW-normen reeds rekening is gehouden met de omstandigheid dat huishoudens meerdere auto’s kunnen hebben en met de omstandigheid dat bewoners ook bezoekers en leveranciers genereren. De Afdeling is verder van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat is uitgegaan van een worstcase scenario, omdat is gerekend met het grootste aantal motorvoertuigbewegingen terwijl waarschijnlijk is dat binnen het plangebied verschillende soorten woningen zullen worden gerealiseerd.

6.6. Verder staat in het verkeersonderzoek dat de Kleizuwe in de nieuwe situatie extra verkeer krijgt te verwerken en dat dit in de richting van de Raadhuislaan ongeveer 90% van het extra verkeer, derhalve 500 mvt per etmaal, zal zijn. Daar zit nauwelijks vrachtverkeer bij. Inclusief de verwachte autonome hoeveelheid verkeer in de toekomstige situatie (300 mvt per etmaal), bedraagt de verkeersintensiteit op werkdagen op de Kleizuwe tussen de nieuwbouw en de Raadhuislaan ongeveer 800 mvt per etmaal, met een hoeveelheid vrachtverkeer van minder dan 2%. Voor de Kleizuwe is dit aantal voertuigen goed te verwerken, aldus het verkeersrapport. Gelet op de omstandigheid dat de Kleizuwe volgens het deskundigenbericht is aan te merken als een erftoegangsweg II waarvan in de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (hierna: de ASVV 2012) is bepaald dat dit type weg goed en veilig kan functioneren tot een aantal van 1.000 mvt per etmaal, hebben [appellant sub 1] en de BBLK niet aannemelijk gemaakt dat dit deel van de Kleizuwe de hoeveelheid verkeer niet kan verwerken.

6.7. Met betrekking tot de verkeersverdeling en het gevreesde sluipverkeer op de Kleizuwe overweegt de Afdeling als volgt.

In het verkeersonderzoek staat hieromtrent dat 10% van het verkeer uit het plangebied over de Kleizuwe naar de Gabriëlweg zal rijden. Samen met het overige verkeer levert dit een intensiteit op van 350 mvt per etmaal op dit deel van de Kleizuwe. Hierbij is volgens het verkeersonderzoek buiten beschouwing gelaten de eventuele effecten van een geslotenverklaring in één richting op de Kleizuwe zodat wordt uitgegaan van maximale aantallen. Omdat volgens het deskundigenbericht ook dit deel van de Kleizuwe kan worden aangemerkt als een erftoegangsweg type II waar 1000 mvt per etmaal goed en veilig kunnen worden afgewikkeld, hebben [appellant sub 1] en de BBLK niet aannemelijk gemaakt dat dit deel van de Kleizuwe de hoeveelheid verkeer niet kan verwerken.

Voor zover de BBLK vreest dat het aandeel verkeer op het deel van de Kleizuwe vanaf het plangebied naar de Gabriëlweg groter zal zijn dan 10% omdat dit deel van de Kleizuwe zal worden gebruikt als sluiproute bij filevorming op de N201, overweegt de Afdeling als volgt. In het deskundigenbericht staat dat de aanname dat 90% van het verkeer richting de Raadhuislaan zal rijden en 10% richting de Gabriëlweg is gebaseerd op de functie van de N201 als voornaamste ontsluiting van Vreeland en de korte afstand van 370 m die moet worden afgelegd om vanuit het plangebied naar de N201 te komen. [appellant sub 1] en de BBLK hebben dit uitgangspunt niet bestreden. Verder overweegt de Afdeling dat, zoals ook in het deskundigenbericht staat, de vraag of de Kleizuwe als sluiproute zal worden gebruikt afhangt van de doorstroming op de N201. Hieromtrent staat in het verkeersonderzoek dat de autonome groei op deze weg is gesteld op 2,5% en daarmee wordt uitgegaan van 21.800 mvt per etmaal. Het plan genereert op die weg tussen de 300 en 400 extra mvt per etmaal. In het verkeersonderzoek wordt geconcludeerd dat deze aantallen voor dit type weg eenvoudig te verwerken zijn. De BBLK en [appellant sub 1] hebben dit niet gemotiveerd bestreden. Verder heeft de raad in zijn zienswijze op het deskundigenbericht aangegeven dat door de verbreding van de A2 en de aanleg van een rotonde ter hoogte van de kruising van de N201 met de Gabriëlweg de doorstroming van het verkeer op de N201 aanzienlijk is bevorderd. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zal leiden tot onaanvaardbare gevolgen wat betreft sluipverkeer op het deel van de Kleizuwe tussen het plangebied en de Gabriëlweg.

6.8. Over de wegbreedte van de Kleizuwe tussen het plangebied en de Raadhuislaan overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geschil is dat de Kleizuwe verschilt in breedte en dat het profiel van dat deel van de weg niet voldoet aan het minimum profiel dat de CROW als richtlijn hanteert voor erftoegangswegen binnen de bebouwde kom. Deze enkele omstandigheid leidt echter niet tot het oordeel dat dit deel van de Kleizuwe het extra verkeer ten gevolge van het plan niet kan verwerken dan wel dat er verkeersonveilige situaties ontstaan. In dit verband heeft de raad van belang kunnen achten dat het aantal mvt per etmaal van 800 laag is en dat ook het aandeel vrachtverkeer laag is, waardoor de situatie dat twee vrachtwagens elkaar moeten passeren incidenteel zal voorkomen. Verder heeft de raad van belang kunnen achten dat een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom primair een verblijfsfuntie heeft. Voorts overweegt de Afdeling in dit verband dat de raad heeft aangegeven dat voor dit deel van de weg een 30 km-zone zal worden ingesteld en dat ook andere snelheidsremmende maatregelen zullen worden getroffen, zoals de aanleg van een verkeersdrempel. In het deskundigenbericht wordt onderschreven dat dit gangbare maatregelen zijn om tot een vermindering van de snelheid te komen. Voor zover [appellant sub 1] vreest dat het verkeer zich niet aan de maximumsnelheid zal houden, overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving is die in deze procedure niet aan de orde kan komen.

Over de door de BBLK en [appellant sub 1] gevreesde verkeersonveilige situaties in de bocht in de Kleizuwe ter hoogte van de Oude Vecht overweegt de Afdeling dat de raad heeft aangegeven dat de beplanting in die bocht zal worden gesnoeid en dat ter plaatse een spiegel zal worden opgehangen, zodat beter zicht wordt verkregen op de weg.

Met betrekking tot het rapport van VVN overweegt de Afdeling dat hierin wordt geadviseerd om de bebouwde komgrens te verplaatsen naar het perceel Kleizuwe 121 en het deel van de Kleizuwe tussen dat perceel en de Raadhuislaan in te richten als 30 km/uur zone. Hieromtrent overweegt de Afdeling dat de raad zowel in de stukken als ter zitting heeft aangegeven dat, hoewel hij van mening is dat het plan niet leidt tot verkeersonveilige situaties, hij bereid is verder overleg te voeren met de bewoners in het gebied. Tevens heeft de raad aangegeven dat hij bereid is dat deel van de Kleizuwe in te richten als 30 km/uur zone en een plateau in de weg aan te leggen, hetgeen meer effect heeft op de verkeersveiligheid dan het verplaatsen van de bebouwde komgrens. Verder kan het calamiteitenpad, anders dan de BBLK betoogt, in het geval van een calamiteit worden gebruikt als vluchtroute door de bewoners van de voorziene woningen zodat niet alle auto’s, in het enkele geval dat sprake is van een calamiteit, van de Kleizuwe gebruik zullen maken.

6.9. De Afdeling ziet in de enkele stelling van de BBLK dat enkele delen van de Kleizuwe die grenzen aan een aantal woningen in eigendom zijn bij de bewoners en dat die geen doorgang zullen geven aan het verkeer, geen aanleiding voor het oordeel dat de Kleizuwe niet als openbare weg kan worden aangemerkt. De raad heeft hierin dan ook geen aanleiding hoeven zien dat het plan in zoverre niet uitvoerbaar is.

6.10. [appellant sub 1] woont op het perceel [locatie 1]. Dit perceel grenst aan het plangebied waar dat uitkomt op de Kleizuwe.

Met betrekking tot de door [appellant sub 1] gestelde aantasting van zijn woon- en leefklimaat in de vorm van geluid- en trillinghinder en stankoverlast ten gevolge van het extra verkeer, overweegt de Afdeling dat in het kader van het plan onderzoek is gedaan naar de luchtkwaliteit in het gebied, naar de geluidbelasting op de woning van [appellant sub 1] en naar de gevolgen van de aanleg van een verkeersdrempel voor zijn woning. Uit deze onderzoeken volgt dat het plan geen onevenredige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] met zich brengt. Nu [appellant sub 1] deze onderzoeken niet gemotiveerd heeft betwist en de uitkomsten in het deskundigenbericht worden onderschreven, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] niet zodanig zijn dat daaraan een doorslaggevende betekenis had moeten worden toegekend.

6.11. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare verkeershinder of verkeersonveilige situaties. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in het plan had moeten voorzien in een tweede ontsluiting dan wel een alternatieve ontsluiting. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. In dit verband wijst de Afdeling erop dat is gekozen voor gebruikmaking van de reeds bestaande Kleizuwe en dat het aanleggen van een nieuwe ontsluitingsweg het landschap meer zal aantasten.

Verder overweegt de Afdeling dat niet kan worden uitgesloten dat het aanleggen van passeerstroken en verkeershaven kan leiden tot enige aantasting van de bermen langs de Kleizuwe. Gelet op de omstandigheid dat hiermee de verkeersveiligheid wordt gediend, heeft de raad hierin in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om het plan niet vast te stellen.

Relativiteit

7. De BBLK betoogt dat het bestreden besluit met betrekking tot de geurgevolgen niet voldoende is gemotiveerd. Zij wijst in dit verband op de in de omgeving aanwezige veehouderij op het perceel Kleizuwe 123 en het bedrijf van [appellante sub 2].

7.1. Ingevolge artikel 1.9 van de Chw, zoals dit luidde ten tijde van belang, vernietigt de administratieve rechter een besluit niet op de grond, dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

7.2. De doelstelling van de BBLK is blijkens artikel 2 van haar statuten het handhaven, beschermen en bevorderen van de landschappelijke-, cultuurhistorische- en natuurwaarden en van de monumentale en archeologische waarden van de gehele Kleizuwe te Vreeland, met inbegrip van de daaraan grenzende en omliggende gronden en percelen, inclusief het Sperwerveld en de Dorssewaardse polder en het tegengaan van alle inbreuken op deze doelstellingen.

7.3. De Afdeling overweegt dat de BBLK met haar beroepsgrond omtrent de geurgevolgen doelt op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen en een ongestoorde bedrijfsuitoefening van de voornoemde bedrijven. Deze belangen strekken ter bescherming van de belangen van degene die deze woningen gaan bewonen onderscheidenlijk van de bedrijven die mogelijk in hun bedrijfsvoering kunnen worden belemmerd. De BBLK noch haar leden zijn eigenaar van de ter plaatse te realiseren woningen noch exploiteren zij het bedrijf van [appellante sub 2] of de veehouderij op het perceel Kleizuwe 123. Het belang van een goed woon- en leefklimaat in de voorziene woningen en het belang van een ongestoorde bedrijfsuitoefening strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen van de BBLK. Derhalve kan het betoog van de BBLK, wat hier verder ook van zij, ingevolge artikel 1.9 van de Chw niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

8. In hetgeen de BBLK heeft aangevoerd over de voorgeschiedenis van het bedrijfsperceel van [belanghebbende], ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening of dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

9. Gelet op het voorgaande zullen de beroepen van [appellant sub 1] en de BBLK, voor zover ontvankelijk, in de einduitspraak ongegrond worden verklaard.

Het beroep van [appellante sub 2]

Belemmering bedrijfsvoering

10. [appellante sub 2] betoogt dat het plan zal leiden tot een belemmering in haar bedrijfsvoering. In dit verband wijst zij er ten eerste op dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de vergunde geuremissie van haar bedrijf en dat niet wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand van 300 m van de brochure "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure). De afwijking hiervan in verband met de aanwezigheid van de woning op het perceel Nigtevechtseweg 24 is onvoldoende gemotiveerd, omdat dit een bestaande woning is, deze woning ten oosten van het bedrijf gelegen is terwijl de nieuwe woningen ten westen van het bedrijf in de heersende windrichting zijn gelegen en deze woning verder weg van de grootste geurbronnen ligt dan de voorziene woningen. Verder hanteert de raad een te hoge geurconcentratie voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en volgt uit het in opdracht van de raad uitgevoerde onderzoek dat ook de door de raad gehanteerde geurconcentratie ertoe leidt dat de geurcontour deels over het plangebied ligt. Over het in opdracht van de raad uitgevoerde onderzoek betoogt [appellante sub 2] verder dat ten onrechte is uitgegaan van de feitelijke situatie die slechts door middel van een steekproef is vastgesteld, dat de aangehouden geurcontour in strijd is met de Herziene Nota Stankbeleid en dat rekening wordt gehouden met te beperkte uitbreidingsmogelijkheden.

[appellante sub 2] betoogt verder dat het plan ten onrechte niet uitsluit dat woningen zullen worden gebouwd binnen de geluidscontour van het bedrijf.

Voorts vreest [appellante sub 2] voor een aantasting van haar privacy ten gevolge van het voorziene calamiteitenpad. Ten onrechte is niet verzekerd dat haar gronden zullen worden afgesloten voor derden en is ten onrechte geen advies gevraagd aan de brandweer over de geschiktheid van het calamiteitenpad.

[appellante sub 2] vreest verder voor hinder ten gevolge van verkeersbelemmeringen tijdens de bouw van de woningen.

10.1. De raad stelt dat op grond van de VNG-brochure weliswaar de richtafstand van 300 m tussen het bedrijf van [appellante sub 2] en milieugevoelige functies niet wordt gehaald maar dat dichterbij reeds een andere bestaande burgerwoning staat, namelijk de woning op het perceel Nigtevechtsweg 24. Bij deze woning is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Verder wijst de raad erop dat in het in zijn opdracht uitgevoerde geuronderzoek rekening is gehouden met de windrichting, de Vecht en de locaties van de geuremissiebronnen en dat is gemeten overeenkomstig het Nieuw Nationaal Model en de Nederlandse Technische afspraak Meten en rekenen geur. Verder is hierin uitgegaan van de aan [appellante sub 2] verleende omgevingsvergunning en de daarin opgenomen geurnorm. De raad wijst erop dat, anders dan [appellante sub 2] stelt, de tekst van de considerans niet de milieuruimte bepaalt. Uitgaande van de vergunde geurnorm van 1,9 OUE/m3 als 98-percentielwaarde op de dichtstbijzijnde bestaande burgerwoning op 70 m afstand, ontstaat ter hoogte van de dichtstbijzijnde nieuwbouwwoning in het plangebied op 165 m afstand een geurbelasting van 1,1 OUE/m3 als 98-percentielwaarde. Deze geurbelasting staat gelijk met een hedonische waarde van H = -½ (zeer licht onaangename geur) waarbij sprake is van verwaarloosbare geurhinder en het optreden van klachten niet aannemelijk is. Derhalve is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Verder wijst de raad erop dat het bij de meest nabij gelegen nieuwbouwwoningen gaat om een beperkt aantal verspreid liggende vrijstaande en/of twee-onder-een-kapwoningen en dat de maximale productiecapaciteit van [appellante sub 2] kan worden verdubbeld. De raad stelt derhalve dat [appellante sub 2] niet onevenredig in haar bedrijfsvoering wordt beperkt.

Met betrekking tot het aspect geluid stelt de raad dat uit onderzoek blijkt dat wordt voldaan aan de maximaal toegestane gevelbelasting van geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder en dat aanvullende maatregelen niet vereist zijn.

Met betrekking tot de vermindering van privacy ten gevolge van het calamiteitenpad stelt de raad dat aan weerszijden van het calamiteitenpad wordt voorzien in een bomenrij en dat het pad alleen door een ieder kan worden gebruikt als vluchtroute.

Over het bouwverkeer heeft de raad te kennen gegeven dat afstemming met [appellante sub 2] zal plaatsvinden zodat kan worden voorkomen dat partijen elkaar hinderen.

10.2. [appellante sub 2] exploiteert een vaten- en verffabriek aan de [locatie 2] in Vreeland. Dit perceel grenst aan de westzijde aan het plangebied. Het perceel van [appellante sub 2] ligt binnen het bestemmingsplan "Vreeland" dat is vastgesteld door de raad bij besluit van 26 januari 2010. Aan de gronden van [appellante sub 2] is de bestemming "Bedrijf" en ter plaatse van de fabriek tevens de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 3" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1., onder d, van de regels van dat plan zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven voorkomend in categorie 1 tot en met 3.1, alsmede een vaten-, vernis- en verffabriek voorkomend in de categorie 4.2 ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 3".

10.3. In het kader van het plan heeft de raad onderzoek laten doen naar de geuremissie van [appellante sub 2] op de voorziene woningen. Dit heeft geresulteerd in het rapport ‘Geuronderzoek bestemmingsplan Vreeland Oost, onderzoek geursituatie [appellante sub 2] in relatie tot nieuwbouwplan Vreeland Oost" van 7 juni 2012, opgesteld door Buro Blauw luchthygiëne, onderzoek en advies (hierna: het rapport van Buro Blauw). In het rapport van Buro Blauw staat dat voor meerdere groeiscenario’s van [appellante sub 2] de effecten op de geurblootstelling zijn berekend. De berekende geurconcentraties zijn getoetst aan de geurnormen in de omgevingsvergunning van [appellante sub 2]. Tevens staat daarin dat een aanvaardbaar hinderniveau wordt voorgesteld. Bij het voorgestelde hinderniveau is sprake van een goed leefomgevingsklimaat voor geur. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat voor het realiseren van een goed leefomgevingsklimaat in Vreeland Oost ten aanzien van geur een maximaal toelaatbare geurconcentratie gehanteerd kan worden van 1,1 OUE/m3 als 98-percentiel. Dit geadviseerde aanvaardbaar hinderniveau voor Vreeland Oost wordt in geen van de doorgerekende scenario’s voor [appellante sub 2] overschreden. Met andere woorden, het in dit rapport voorgestelde hinderniveau, waarbij sprake is van een goed leefomgevingsklimaat in de nieuwbouwwijk Vreeland Oost, vormt voor [appellante sub 2] geen belemmering om door te groeien naar een maximale productiecapaciteit of 3,5 maal de huidig vergunde productieomvang. Andere milieuaspecten zoals geluid vormen ook geen beperking voor de realisatie van de nieuwbouwwijk Vreeland Oost, aldus het rapport van Buro Blauw.

10.4. [appellante sub 2] heeft ter ondersteuning van haar beroep een memo van Odournet, gedateerd 29 januari 2013, (hierna: de memo van Odournet) overgelegd. Hierin staat dat de berekeningen laten zien dat de contour van 1,1 OUE/m3 als 98-percentiel voor een deel over het plangebied ligt. Het gaat om het westelijk deel van het plan dat over een afstand van ongeveer 100 m binnen de berekende geurcontour valt, aldus de memo van Odournet.

10.5. Niet in geschil is dat de bedrijfsvoering van [appellante sub 2] als zodanig is bestemd en dat de bedrijfsactiviteiten zijn aan te merken als ten hoogste categorie 4.2 waarbij een richtafstand hoort van 300 m tot aan milieugevoelige bestemmingen. Verder is niet in geschil dat niet wordt voldaan aan de in de VNG-brochure genoemde richtafstand van 300 m omdat de woningen in het plan zijn voorzien op een afstand van ongeveer 165 m van de gronden waarop de in categorie 4.2 vallende bedrijfsactiviteiten zijn toegelaten.

Verder is niet in geschil dat zowel het bestemmingsplan voor het bedrijf als de milieuvergunning ruimte bieden voor uitbreiding. Het deskundigenbericht stelt dat er geen concrete uitbreidingsplannen zijn maar dat het mogelijk is om binnen de bestaande bedrijfsvoering de productie te verhogen dan wel te wijzigen waardoor de geuremissie kan toenemen.

10.6. In het deskundigenbericht staat dat uit het rapport van Buro Blauw volgt dat de voorziene woningen buiten de geurcontouren van 1,1 OUE/m3 als 98-percentiel - het voor het plan gehanteerde aanvaardbaar hinderniveau - en van 1,9 OUE/m3 als 98-percentiel - de geurnorm van [appellante sub 2] uit de milieuvergunning zijn geprojecteerd.

Met betrekking tot het memo van Odournet staat in het deskundigenbericht dat de 0,5 en 1,1 OUE/m3 contouren gedeeltelijk over de westelijk gelegen bouwvlakken in het plangebied liggen.

Verder staat in het deskundigenbericht dat uit vergelijking van het onderzoek van Buro Blauw en de memo van Odournet blijkt dat de omvang en vorm van de berekende geurcontouren afwijken. Met name aan de oostzijde van het bedrijfsterrein van [appellante sub 2] - daar waar het plangebied ligt - berekent Odournet een grotere geurcontour en ligt de 1,1 OUE/m3 als 98-percentiel over de bouwmogelijkheden in het plangebied.

Voorts wordt in het deskundigenbericht kort gezegd opgemerkt dat in het rapport van Buro Blauw ten onrechte niet de maximale bedrijfsomvang of de maximaal toelaatbare geurconcentratie als uitgangspunt is gehanteerd. Wat betreft het memo van Odournet wordt in het deskundigenbericht kort gezegd vermeld dat wat betreft de emissiepunten is uitgegaan van de situatie voorafgaande aan de installatie en de ingebruikname van de regeneratieve thermische naverbrander. In het deskundigenbericht wordt dan ook geconcludeerd dat het gelet op de verschillende uitgangspunten waarop het rapport van Buro Blauw en de memo van Odournet zijn gebaseerd, niet mogelijk is om de ligging van de 1,1 en 1,9 OUE/m3 als 98-percentiel geurcontouren eenduidig vast te stellen. Verder leert de ervaring volgens het deskundigenbericht dat afwijkende uitkomsten ook kunnen optreden door verschillen in meteorologische periode, meteo-uren en versies van het verspreidingsmodel Kema-Stacks. Hierdoor is niet duidelijk of ter plaatse van het plangebied voldaan wordt aan een acceptabel woon- en leefklimaat, aldus het deskundigenbericht.

10.7. De VNG-brochure gaat uit van het beginsel van gemotiveerd toepassen. Dit betekent onder meer dat de raad bij het voorbereiden van het plan geen gebruik hoeft te maken van de in de VNG-brochure opgenomen aanbevelingen. Dit laat onverlet dat de raad dient te onderbouwen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare hinder voor de in het plan voorziene woningen. De raad heeft in dit geval zich niet gebaseerd op de in de VNG-brochure opgenomen richtafstanden maar op het in het kader van het plan uitgevoerde rapport van Buro Blauw. Het betoog van [appellante sub 2] omtrent de VNG-brochure faalt derhalve.

Ter zitting is, mede naar aanleiding van een opmerking in het deskundigenbericht hierover, onduidelijkheid ontstaan over welke woning als de meest nabij gelegen woning waarvoor de aan [appellante sub 2] opgelegde geurnormen gelden, moet worden aangemerkt. In dit verband overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft aangegeven dat de woning op het perceel Nigtevechtseweg 24 weliswaar de meest nabij gelegen woning is, maar dat de grootste geurbelasting wordt ondervonden op de woning op het perceel Nigtevechtseweg 12. Niet duidelijk is op welke wijze hiermee rekening is gehouden in het rapport van Buro Blauw. Voor zover de raad naar aanleiding van het deskundigenbericht heeft aangevoerd dat de meest nabijgelegen burgerwoning de woning op het perceel [locatie 3] is, overweegt de Afdeling dat deze woning staat op het perceel van [appellante sub 2]. Ter zitting is komen vast te staan dat deze woning feitelijk in gebruik is als bedrijfswoning bij het bedrijf van [appellante sub 2] en dat hieraan abusievelijk een woonbestemming is toegekend. De raad heeft aangegeven dat hij voornemens is de woning wederom als bedrijfswoning te bestemmen.

Verder heeft de raad ter zitting de in het deskundigenbericht geconstateerde onduidelijkheid niet weggenomen. Hierbij acht de Afdeling van belang dat [appellante sub 2] heeft aangegeven dat de in het rapport van Buro Blauw onderzochte uitbreidingsmogelijkheden van [appellante sub 2] alleen zien op uitbreiding van de bestaande bedrijfsactiviteiten en dat [appellante sub 2] op grond van haar in rechte onaantastbare revisievergunning ook andere bedrijfsactiviteiten mag uitoefenen. Verder heeft [appellante sub 2] aangegeven dat het rapport van Buro Blauw gebaseerd is op een meting die is uitgevoerd in het kader van een controle van het aanbrengen van een technische aanpassing in de bedrijfsvoering die ziet op uitstoot van slechts één stankveroorzakende stof. De raad heeft dit ter zitting niet gemotiveerd bestreden.

10.8. Gelet op het voorgaande heeft de raad niet aannemelijk gemaakt dat ter plaatse van de voorziene woningen een goed woon- en leefklimaat wat betreft het aspect geur kan worden gewaarborgd en dat derhalve evenmin is uitgesloten dat [appellante sub 2] door de woningbouw zal worden belemmerd in haar bedrijfsvoering. Het bestreden besluit is dan ook in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

11. Verder stelt de Afdeling vast dat aan een deel van het oostelijk plangebied de aanduiding "geluidzone - industrie" is toegekend.

Ingevolge artikel 14, lid 14.1, van de planregels zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - industrie", behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van de geluidruimte in verband met de nabijheid van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, lid 3 van het Besluit omgevingsrecht (geluidhinderlijke inrichtingen).

Ingevolge lid 14.2 mogen in afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen (artikelen 3 tot en met 10) geen nieuwe woningen, inclusief aan- en uitbouwen, worden gebouwd op de gronden met de aanduiding als bedoeld in artikel 14, lid 14.1, van de planregels.

De Afdeling overweegt dat de aanduiding "geluidzone - industrie" onder meer is toegekend aan gronden met de bestemming "Wonen" maar buiten de aanduiding "bouwvlak" en dat ingevolge artikel 10, lid 10.2.2 hoofdgebouwen binnen de bestemming "Wonen" alleen binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd.

In het deskundigenbericht staat dat de aanduiding "geluidzone - industrie" op een afstand van ongeveer 2 tot 3 m van het bouwvlak ligt. Uit de zienswijzenota volgt dat naar aanleiding van de zienswijze van [appellante sub 2] op dit punt ervoor is gekozen om de bouwvlakken van de voorziene woningen zo te situeren dat deze en de vergunningvrije aan- en uitbouwen buiten de aanduiding "geluidzone - industrie" zijn gelegen. Ter zitting heeft [appellante sub 2] aangegeven dat in zoverre aan haar bezwaar tegemoet is gekomen. Verder heeft zij niet weersproken dat zij binnen de bestaande geluidscontour nog ruimte heeft om uit te breiden. Haar betoog met betrekking tot geluid faalt derhalve.

12. Het plan voorziet in een groenstrook tussen de nieuwe woonwijk en de westelijk daarvan gelegen Bergseweg. Deze groenstrook is direct ten noorden van het perceel van [appellante sub 2] voorzien en hieraan is grotendeels de bestemming "Groen" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder a, f en g, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Groen" bestemd voor groen, voet- en fietspaden en calamiteitenpaden.

Ingevolge artikel 1, lid 1.22, wordt onder een calamiteitenpad verstaan een pad dat doorgaans gebruikt wordt voor voet- en fietsverkeer, maar dat tijdelijk gebruikt kan worden voor het gebruik van hulpdiensten, zoals brandweer, ambulance en politie.

Voor zover [appellante sub 2] ervoor vreest dat gebruikers van het voet- en fietspad zullen gaan klagen over de inrichting en het gebruik van haar bedrijfsperceel, overweegt de Afdeling dat de raad heeft aangegeven dat een afschermende bomenrij aan weerszijden van het calamiteitenpad zal worden aangeplant en dat bereidheid bestaat tot overleg over het realiseren van een afschermende aarden wal op het terrein van [appellante sub 2]. De Afdeling overweegt dat het plan het mogelijk maakt dat deze bomenrij wordt aangeplant maar dit niet verplicht. Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat hij de aanleg van afschermende beplanting dan wel van een aarden wal noodzakelijk acht met het oog op een ongestoorde bedrijfsvoering van [appellante sub 2]. Gelet hierop heeft de raad de aanleg daarvan ten onrechte niet in het plan geregeld. Niet valt in te zien dat de raad geen regel in het plan kon opnemen, inhoudende dat de aanleg van het calamiteitenpad alleen dan planologisch is toegestaan indien beplanting wordt aangebracht en instandgehouden dan wel een aarden wal wordt aangelegd en instandgehouden. Dat een dergelijke verplichting volgens de raad is opgenomen in de met [belanghebbende] gesloten overeenkomst leidt niet tot een ander oordeel, nu [appellante sub 2] zich niet op nakoming van deze overeenkomst kan beroepen.

Het bestreden besluit is ook in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

13. Over de bereikbaarheid van het perceel van [appellante sub 2] tijdens de bouw van de woningen overweegt de Afdeling dat dit een uitvoeringsaspect betreft dat in de onderhavige procedure niet aan de orde kan komen. Verder heeft de raad aangegeven dat hij bereid is met [appellante sub 2] in overleg te treden omtrent de verkeersbewegingen om de tijdelijke hinder zoveel mogelijk te beperken.

Financiële uitvoerbaarheid

14. Met betrekking tot het betoog van [appellante sub 2] dat het plan financieel niet uitvoerbaar is binnen de planperiode omdat niet wordt voldaan aan de gemeentelijke beleidsregel Sociale Woningbouw waardoor de benodigde subsidie niet zal worden toegekend, overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft aangegeven dat als de subsidie niet wordt verkregen, dat bedrag uit de algemene middelen zal worden betaald. Gelet hierop ziet de Afdeling in het betoog van [appellante sub 2] geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet financieel uitvoerbaar is.

Conclusie

15. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, zoals dit luidde ten tijde van belang, op te dragen het gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

15.1. De raad dient met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 12 is overwogen een besluit te nemen dat ertoe strekt een aanvullende planregeling vast te stellen waarmee de door hem bij de realisering van de voorziene woningbouw noodzakelijk geachte afscherming van het bedrijf van [appellante sub 2] is gewaarborgd.

Verder dient de raad met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 10.7 en 10.8 alsnog deugdelijk onderzoek te verrichten naar de gevolgen van de geuremissie van [appellante sub 2] voor het woon- en leefklimaat van de voorziene woningen en daarmee voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 2] en afhankelijk van de uitkomsten van dat onderzoek het bestreden besluit op dit punt alsnog deugdelijk te motiveren dan wel een andere planregeling vast te stellen dan wel het besluit in te trekken.

15.2. De raad behoeft geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. De raad dient het te wijzigen besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

15.3. Om te voorkomen dat in de periode tot aan de einduitspraak een onomkeerbare situatie ontstaat, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb zoals dat luidde ten tijde van belang, bij wijze van voorlopige voorziening, gelet op de samenhang tussen de plandelen, het gehele plan te schorsen.

15.4. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. draagt de raad van de gemeente Stichtse Vecht op om binnen 26 weken na verzending van deze tussenuitspraak het besluit van 18 december 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Vreeland Oost" te herstellen met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 10.7, 10.8 en 12;

II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Stichtse Vecht van 18 december 2012;

III. bepaalt dat de voorlopige voorziening vervalt nadat einduitspraak is gedaan.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013

533.